Posts tonen met het label 23. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 23. Alle posts tonen

dinsdag 5 augustus 2014

VAN URSMAR RONTELTAP

URSMAR RONTELTAP SCHRIJFT


Wij woonden in de Venestraat op nummer 23.

Ik speelde vooral met Flip Holvast en Gerrit van Maanen.

Mijn echte vriendje heette Gerard Hollak die een paar straten verder op woonde in de Oosterstraat. Wij zaten samen op de Aloysiusschool in de Koestraat.

Wij woonden naast het kindertehuis.
Daar speelde ik vaak in hun achtertuin op de draaimolen.
Als die te hard ging dan vloog je er vanaf.

Met onze buren van Beekum was de verhouding niet goed.
Maar toch klom ik geregeld over het hek om op hun grote schommel die achter in de tuin stond te schommelen. En dan werd ik weer weggejaagd.

Ik herinner mij zuster van de Kolk. Zij reed in een Peugeot. Je kon haar kilometers van te voren horen aankomen omdat zij altijd op volle toeren in de eerste versnelling rondreed.

Ook mijn vader kon ik van verre horen als hij op zijn HD reed. Ook al reed de politie toentertijd op HD’s, zijn manier van rijden was heel anders. Niet te missen!

De straat werd geregeld door de gemeente van paardenpoep ontdaan. Dan kwam een man op een bakfiets met 4 schuifdakjes, werd met de achterkant van de bezem waar een stalen krabber aan zat de stront losgekrabd en met een schep in de kar gegooid.

Als de vuilniswagen ging komen, liep er iemand met een houten ratel door de straat zodat het vuilnis buiten kon worden gezet.

Eerst hadden de huizen een eigen beerput, maar later werd er in de straat een nieuwe riolering aangelegd waar de huizen op werden aangesloten. Dat was toen een beste puinhoop.

André en Ursmar met door vader gemaakte autoped


De winkeliers in Assendorp verkochten REA-zegels bij de boodschappen.
Daarmee kon je dan een dagje uit met de bus.
Dit werd verzorgd door de VAD die dan de Venestraat als opstappunt gebruikte.
Dan stond de hele straat vol met bussen.

Later werd er tegenover ons huis een parkeergarage gemaakt.
Tijdens die verbouwing speelde ik daar en viel in een spijker. Die trok ikzelf weer uit mijn rechterknie. Omdat het verboden terrein was, heb ik dat niet durven vertellen. Maar ’s nachts werd ik wakker en was dokter van Wiechen mij aan het opereren. Daarna kwam hij lange tijd iedere dag om mij een spuit te geven. Wat een ellende; de man kon niet spuiten! Daardoor heb ik nog steeds een trauma met betrekking tot injectienaalden. Ik kan er nog steeds niet mee omgaan. Ik word al naar als ik het op de tv zie.

Mijn vader had later de HD vervangen door een Ford Custom. Die parkeerde hij daar.
Ik moest hem daarbij helpen om die op de juiste plaats neer te zetten.
Op een keer riep ik STOP! Hij kwam de auto uit en vond dat er nog veel te veel ruimte achter de auto over was. Hij stapte in, startte met vol vermogen en klapte met de achterkant tegen de werkbank op. Sindsdien hoefde ik niet meer te assisteren. Hij heeft zelf de auto uitgedeukt.

Toen ik tien jaar oud was zijn wij naar een nieuwe flat in de Anthonie Heinsiusstraat verhuisd.


woensdag 20 november 2013

KONINGIN EMMA MEISJESHUIS


De Nederlands Hervormde Vereeniging Kinderzorg dateert van 1907 en was in het statige pand op de hoek van de Ter Borchstraat en de Hertenstraat het Juliana Kinderhuis begonnen. Dat is waar meer dan 100 jaar later de Zwolse welzijnorganisatie Trias nu De Uitwijk runt en krisisopvang biedt aan normaal begaafde jongeren tussen de 12 en 16.
Nog vóór de oorlog begon Kinderzorg in de Venestraat, nummer 25a, een dependance: het Koningin Emma Meisjeshuis , een ‘tehuis voor werken meisjes’. 
 Dat althans blijkt uit een bericht van 10 oktober 1940 in de Zwolsche Courant waarin door een Comité van Aanbeveling van tien notabelen wordt opgeroepen geld te geven. Meisjes die buiten hun schuld hun ouderlijk huis moeten missen worden hier verzorgd en opgevoed, uiteraard tot ‘godvruchtige’ vrouwen.
Eerder al, in de Zwolsche Courant van 12 mei 1940,  werd aan de jeugdzorg warme aandacht besteed en daarbij werd ook duidelijk wat de functie is van het meisjeshuis in de Veenestraat: "Hier worden de meisjes opgevangen die vanwege de op de Noord-Veluwe veel voorkomende  onzedelijkheid der ouders uit huis geplaatst worden."
Ds. J.J.P. Valeton was de drijvende kracht achter de Vereniging Kinderzorg Zwolle, een Nederlands Hervormde Voogdijvereniging die nog steeds bestaat en actief is, zij het niet in de Venestraat.

De oude naam is verwijd tot  Protestants Christelijke Vereniging voor Jeugd- en Kinderzorg maar na nog een fusie is dat nu de Stichting Kinderperspectiuef  die nog altijd in datzelfde deftige huis in de Ter Borchstraat zetelt.
“Kinderzorg 1939.  Cijfers die tot nadenken stemmen. De secretaris-directeur, ds. J. J. P. Valeton[i] presenteert het jaarverslag uit. In dezen tijd, zoo ving hij aan, waarin duizenden en duizenden kinderen uit hun woningen verdreven worden is de vraag gewettigd of er nog wel belangstelling bestaat voor een in verhouding kleine arbeid als de verzorging van het verwaarloosde kind. Zes en zestig kinderen kreeg de vereeniging dit jaar te verzorgen. Bij het einde van 1939 waren 472 voogdijkinderen aan de zorgen van de Vereeniging toevertrouwd.
Uit het arrondissement Zwolle kwamen 29 kinderen uit zestien gezinnen, waarvan 8 uit de stad Zwolle zelf.  Bij de meeste van deze gevallen was onzedelijkheid der ouders aanleiding voor de ontzetting uit de ouderlijke macht. Ds. Valeton wees in het bijzonder op de omstandigheid, dat de Noordelijke Veluwerand het grootste aantal leverde. Die gevallen waren alle een gevolg van onzedelijkheid.
Van de vele voorbeelden, waarmede de heer Valeton het verslag op scherpe wijze toelichtte, noemen we dat van de moeder, jong weduwe geworden, die met plezier afstand deed van al haar zeer jonge kinderen, waarvoor ze toch al niet meer zorgde, omdat ze nog wat aan haar leven wilde hebben.
De vraag dringt zich op, of een dergelijke vrouw niet gestraft kan worden. Of ze zoo maar haar kinderen aan de gemeenschap kan overlaten en of het eigenlijk niet beter was, dat zij ze hield!
Ook achtte spreker het noodzakelijk, dat de vonnissen uit de ouderlijke macht betreffend, in het openbaar worden uitgesproken. De ouders zeggen thans, dat ze vrijwillig afstand van de kinderen deden en zy onttrekken zich op die wyze aan de schande, die als straf gunstig kan werken. Het toezicht werd in 1939 weer uitgeoefend door freule Mackay. Tenslotte besprak ds. Valeton de gestichtsverpleging.  Zij geschiedde in het Kinderhuis en het Meisjeshuis. In het Juliana Kinderhuis waren in totaal 158 kinderen. Er vertrokken 107 kinderen, zoodat er aan 't einde van 't jaar 51 waren. Het Kinderhuis is ingericht voor 56 kinderen en het is dus geregeld zeer vol geweest.  Ook het Meisjeshuis Koningin Emma was geregeld vol. In het meisjeskamp hebben 25 meisjes zeer genoten in het voorbije jaar.”
Maar de dependance vermenigvuldigt zich. Eerst wordt het pand benedenpand, nr. 25, en later ook nummer 23 toegevoegd en aan zijn woonbestemming onttrokken. 
Het complex heeft in de loop der jaren verschillende functies gehad, maar wel steeds in de sfeer van jeugdhulpverlening en kinderopvang. In de moderne tijd is het een Kamer Trainings Centrum geweest op de bovenste verdiepingen en kinderdagverblijf De Til op de onderste verdiepingen.

Uit de geschiedenis van de vereniging leest men hoe in 1951  de accommodaties van de vereniging in Ter Borchstraat en Venestraat een duidelijke modernisering ondergaan. De courant besteedt er enthousiaste aandacht aan:
24 januari 1951. Mijlpaal voor Kinderzorg. Julianahuis werd ‘opengegooid’. Ruimte, licht, contact met de buitenwereld.
“Op deze wijze hebben we getracht de sfeer van het inrichtingsleven wat te breken en de kinderen in aanraking te brengen met het leven ‘daarbuiten’ “.
Dit laatste zinnetje vonden we in het jaarverslag over 1948 en het volgde op een opsomming van een serie uitjes, filmavondjes, muziekmiddagen e.d. voor de kinderen georganiseerd. Het typeert uitstekend de leidende gedachte, welke het bestuur van de vereniging en de directeur, de heer G.C. van Mourik, bezielt bij hun mooie werk. Men wil de kinderen in contact brengen met de maatschappij, hen niet langer opsluiten in een donker huis met ramen, die tralies hebben en een kale tuin die beheerst wordt door hoge muren.Geen matglas meer. (...) Gisteren, toen de kindermaatschappij op volle toeren draaide zijn we een uur lang door het vergrote en vernieuwde gebouw gewandeld. In de moderne badkamer met de frisse douchecelletjes betrapten we twee kleine peuters, die om het hardst bezig waren zich schoon te boenen, in de keuken wezen de meisjes die er bezig waren ons trots het geweldige, nieuwe fornuis dat het koken tot een lust maakt en op de bovenverdieping  -die merkwaardige verdieping die vorig maar zó is opgevijzeld zodat de kap geruime tijd niet op het huis maar op biertonnetjes steunde-  op die verdieping ontdekten we dat de grotere meisjes van het Julianahuis niet meer op een zaal slapen doch ieder een eigen kamertje hebben met een vaste wastafel.
Achter in de tuin staat de dependance van het huis, een ruim pand aan de Venestraat, waar de jongens en de werkende meisjes huizen. Ook deze woningen, die pas in gebruik zijn genomen, zijn helemaal opgeknapt en hebben niets meer van een “gesticht”, maar alles van een huiselijk onderkomen. De reacties van de kinderen op deze veranderingen zijn merkwaardig goed. Waar er vroeger nog wel eens strubbelingen waren en waar het nog wel eens wilde voorkomen dat een van de bewoonsters wegliep, daar gaat nu alles zoals men maar wensen kan. In het Julianahuis zijn 62 kinderen. In “De Til” aan de Venestraat zijn 15 jongens en tenslotte vinden 13 werkende meisjes plaats in de  dependance aan de Venestraat.


Een merkwaardige episode betreft het verzoek van de afdeling voor Bijzondere Jeugdzorg van het Departement van Justitie om N.S.B.-kinderen te willen overnemen. Dat waren de kinderen van geïnterneerde ouders. Gelukkig is daar door het departement zelf een stokje voor gestoken. Nadien is er niets meer over deze kinderen vernomen. De overblijvende 'gevallen' zijn als ‘normale voogdijgevallen’ aanvaard.

Dan gaat het snel met de jeugdhulp-verlening en in 1976 vindt de lang gewenste reorganisatie plaats. De vereniging (stichting) heeft in de Aa-landen drie nieuwe groepswoonhuizen tot stand gebracht voor een gezinsvervangende opvoeding. De bewoners van het Emmahuis gaan als groep in zo’n huis wonen en twee groepen uit het Julianahuis in de twee andere huizen. Het Julianahuis wordt herdoopt in De Uitwijk en wordt noodopvang in crisissituaties en doorgangshuis, terwijl Venestraat 25a nu een ‘jongerenpension’ oftewel ‘kamertrainings-centrum’ wordt, met beneden het kinderdagverblijf De Til.
Voor een globaal beeld zijn we op 31 december 1976 in De Uitwijk 15 kinderen, in de groepswoonhuizen 35, in het jongerenpension 12, en in De Til 29 waarvan 12 voor halve dagen.


Met een grote sprong naar de moderne tijd, vanaf 1993 tot 2005 is behalve wat kantoor-ruimte het kinderdagverblijf de enige, beeldbepalende gebruiker van het complex. De stichting Stad en Welzijn heeft dan het kinderdagverblijf De Til onder haar hoede gekregen. Deze stichting verleende in de loop der tijd in de Venestraat ook gastvrijheid aan een reeks organisaties voor sociale dienstverlening.
In 2005 volgt de verkoop van de gehele accommodatie aan een speculatieve projectontwikkelaar, AXEON, en verhuist De Til naar Zwolle Zuid.


Vanaf dat moment, in 2005, staan de panden leeg, ten prooi aan verloedering, en zijn zij de inzet van een verbeten strijd tussen eigenaar, gemeente en buurtbewoners, waarmee zich op een goed moment ook een B.V. komt mengen die een soort beschermd wonen voor studenten met een autisme beperking wil onderbrengen in de panden. STUMASS staat voor STUdenten Met een stoornis in het Autisme Spectrum.


Uiteindelijk wint AXEON het rechtsgeding in 2013 en mag zij STUMASS de gelegenheid geven studenten-met-autisme te huisvesten bij wijze van meergezinsbewoning.  STUMASS heeft dan geen belangstelling meer en AXEON verkoopt de panden aan particulieren die er toch weer huizen voor gezinsbewoning van maken, precies zoals de gemeente en de buurtbewoners hadden gewild.    
De bewoners van de Venestraat leefden in vrede met het kinderdagverblijf dat immers 's avonds en in de weekends was gesloten. Ergernis ontstond er toen de ouders van de creche-kinderen de gewoonte ontwikkelden om hun kinderen per auto te komen halen en brengen. Daar was in feite helemaal geen gelegenheid voor en leidde regelmatig tot gevaarlijke situaties en crashes. Zo verontschuldigde één der ouders zich schriftelijk voor het aanrijden van een geparkeerde auto voor de haast waarmee zij haar kind naar de crash had gebracht. 

De Til heeft de Venestraat verlaten in zit nu in Zwolle-Zuid in de burgemeester van Walsumstraat.    





[i] Deze ds (dominee)  J.J.P. Valeton is 19-07-1941 op 57-jarige leeftijd overleden. In 1913 was hij secretaris geworden van de vereniging Kinderzorg. Hij ‘stond’ toen in Weerselo en nam in 1916 een beroep aan naar Giethoorn. Daar vroeg hij vervroegd emeritaat aan om zich in Zwolle, aan de Oosterlaan, te kunnen vestigen als secretaris-directeur van Kinderzorg. Een maatschappelijk zeer actieve man die ook het initiatief voor het Koningin Emma Meisjeshuis genomen had.

maandag 14 oktober 2013

TIELENS en de kunst van het afscheidnemen

F.H.A.H. Tielens kwam ik tegen toen ik naspeuring deed naar rechter A.J.M. van Heijst.
Franciscus Hermanus Antonius Hubertus Tielens.
Van Heijst bleek een kostganger te zijn van een zekere familie Tielens: man, vrouw, twee kinderen en een dienstbode. Dat het pand 23 groot genoeg is om ook van Heijst te huisvesten, was te verwachten. Dat de heer des huizes zelf ook een interessante man is en de Venestraat nog meer kleur geeft, is natuurlijk meer dan een mooie bijvangst.

De opmerkelijke coïncidentie zit er nu in dat terwijl mr A.J.M. van Heijst rechtspreekt in het Paleis van Justitie aan de Blijmarkt, F.H.A.H. Tielens met een heel escorte op de stoep van datzelfde gerechtsgebouw een defilé staat af te nemen alsof hij Prins Bernhard is. De Venestraat laat zich zien!


Om Tielens zelf even naar voren te halen:

.
Het kan natuurlijk heel goed zijn dat Van Heijst van wie wij jammer genoeg geen beeld hebben kunnen krijgen, ietwat verscholen tussen de pilaren op zijn 'eigen' bordes staat uit gepaste belangstelling voor de glorie van zijn hospes.

Tielens is in 1925 in de Venestraat komen wonen en verhuisde naar Den Haag in mei 1935. Zijn functie is tweeerlei, lijkt het. Hij is districts-commandant én inspecteur van de rijksveldwacht. In Den Haag wordt hij waarschijnlijk overall commandant.

Tielens lelijk te kakken gezet in Eerste Kamer door kamerlid Hermans
In zijn Zwolse periode is Tielens de hoofdpersoon, men mag wel zeggen mikpunt, in een debat in de Eerste Kamer der Staten Generaal.
Op 18 maart 1931 wordt daar beraadslaagd over de Rijksbegroting, hoofdstuk IV, Justitie. De veldwachterij valt daar ook onder. Vandaar. Kamerlid Hermans heeft het woord:

 Mijnheer de voorzitter!  In Het Volk van 29 juli 1930 vond ik een verslag van een filmvertooning ten dienste van de opleiding van de Rijksveldwachters. Ik heb daarover ook gesproken in de afdeelingen –u kunt daaromtrent gerust zijn, Mijnheer de Voorzitter– en zijn Excellentie heeft mij hierop een, zij het volkomen onvoldoend, antwoord gegeven.
Het gebeurde in Raalte, gelegen in de schoone dreven van Overijssel, u wel bekend, Mijnheer de Voorzitter! Het was een dag, zoals wij die hier in Holland betrekkelijk weinig kennen, een dag vol zonneschijn, na een lange regenperiode. Het was in Juli, zomermaand bij uitnemendheid, wanneer het frische groen nog niet verdwenen is en nog niet de schaduw van Agustus daarop is gedaald. Alles ademde vrede en rust. De volgeltjes kwinkeleerden in de boomen, en de zwoele stadslucht ontvlucht, ademde men vrij en vrolijk in het heerlijke zomergroen van boomen en bladerdak en grasland.

Plotseling is men daar te Raalte, in die rustige landelijke streek, te midden van een leger Veldwachters, zwaar bewapend met de karabijn op den schouder.
Waarvoor dit, vroeg men zich onwillekeurig af, in ons rustig Overijssel. U kunt er van meepraten, Mijnheer de Voorzitter, hoe rustig de menschen daar zijn. Waarvoor, vroeg men zich af, waren de gewapende Landsdienaren daar in zo grote getale aanwezig.
Daar werd opgevoerd een opleidingsfilm ten dienste van de Rijksveldwacht. Het scenario van deze film was niet (ik heb dat onderzocht) van Charlie Chaplin noch van Douglas Fairbanks, maar het was van de hand van een Nederlander –wij mogen ons gelukkig prijzen dat wij op dit gebied lang niet de laatste zijn-,  namelijk van den heer F.H.A.H. Tielens, districtscommandant en tevens inspecteur van de Rijksveldwacht. Zijn naam moet onsterfelijk gemaakt worden.

In de film kwam een gedeelte voor gewijd aan de wijze, waarop de Rijksveldwacht zich heeft te gedragen in geval van staking. Het stuk speelt zich af op de markt van Raalte. Laat ik voorlezen uit Het Volk, wat nu gebeurt:
“Een aantal Veldwachters en Burgerwachtelingen had zich ‘verkleed’ als staker. Daartoe hadden zij zich uitgedost als ras-echte boeven: een rooie zakdoek om den hakls geknoopt, de pert schuin op het hoofd gezet, loodgieters- en schilderskielen aangetrokken, het gezicht vuil gemaakt, in het kort, men had zich omgevormd in een stelletje misdadigers, zoals gij ze vindt afgebeeld op Nick Carter-afleveringen.  Dat was echter nog niet voldoende, want stakers vormen niet alleen een verzameling schooiers, maar zijn ook levensgevaarlijk voor de Rijksveldwacht. Daarom had men hun, om het vooral ‘echt’ te maken, zoo het een en ander in handen gegeven. Wij merkten op: ijzeren staven van een meter lengte; houten latten in verschillende grootten; een paal, die dik was als drie mannenpolsen; heele Friesche turven, die dienst moesten doen als steenen; en eenige ....blijlen.

De persphotograaf, die den verslaggever vergezelde, heeft daarvan eenige kiekjes gemaakt. Tot mijn spijt kan ik u niet verzoeken, Mijnheer de Voorzitter!, eenige daarvan in de Handelingen te doen opnemen. Ik ben van uw goeden wil overtuigd, maar ik vrees, dat de inwilliging van zulk een verzoek zou moeten afstuiten op technische bezwaren. Ik wil ze echter wel ter illustratie –dat is dus een geïllustreerde redevoering- laten zien. Men ziet hoe, hoe de menschen verkleed zijn. Men ziet ook een beeld van het gevecht. En dan volgt de straf van het kwaad. De misdadiger ligt op de grond en de Veldwachter staat er bij, wijzende naar den gevallene: wie niet hooren wil, moet sterven.
Verder ziet men hier den heer Tielens, die als regisseur dienst doet en die door een megaphoon aangeeft, wat gebeuren moet. Het is bekend dat ik daarover bij de behandeling van de begrooting een en ander wilde zeggen, want ik zie in die filmvertooningen een grove en onverdiende beleediging niet alleen van mijn partijgenoten, maar van de Nederlandsche werklieden. Want iedere georganiseerde arbeider komt wel eens tot deelneming aan een staking; elke organisatie is wel eens verplicht een staking te proclameren, en dan kunnen er, niet alleen als die staking uitgaat van de moderne organisatie, maar ook van confessioneelen, wel eens moeilijkheden plaats hebben. En ik begrijp zeer goed dat bij die gelegenheden de taak van de dienaren van de politie vaak zeer moeilijk is.
Maar men moet niet beginnen, met den menschen een absoluut verkeerd begrip te geven van het verloop van een staking, want zoo verloopt een staking over het algemeen niet. Als het een enkelen keer eens geberurt, is het een uitzondering.
Ik vind het misdadig, den dienaren van de politie een dergelijke voorstelling te geven van het optreden van arbeiders. Er moet tusschen politie en en de opkomende, niet te weerhouden macht der arbeidersbeweging een zoo goed mogelijke verstandhouding komen. Het is uit met de meening, dat de arbeidersbeweging kan woren neergeslagen of neergesabeld! Daarom prijs ik het in de verschillende politieorganisaties, dat zij toonen dat volkomen te begrijpen en het ook aan hun leden voorhouden. Ik heb dus de vraag gesteld, hoe de Minister ertoe gekomen is, om hiervoor zijn toestemming te geven, en de Minister antwoordt daarop op blz. 10 van de memorie van Antwoord:
“Noch in de voorstelling der film, noch in den bijgevoegden tekst is sprake van ‘stakingen’ of van ‘stakende arbeiders’.  Als inleiding op het technische deel der film zijn slechts eenige opnamen gemaakt, die een optreden van de Rijksveldwacht tegenover groepen onwilligen aanschouwelijk voorstellen.  De ondergetekende vreest, dat  hetgeen  hert aan het woord zijnd lid als beleedigend voor de georganiseerde arbeiders aan de film toedicht, ontleend is aan het persverslag, dat aan het gebleken misverstand maar al te zeer aanleiding geeft.”

U ziet, Mijn heer de Voorzitter, het misverstand is alweer aan onze kant, maar ik heb er toch iets op aan te merken. Het geval is heus zoo onschuldig niet als de Minister wil laten voorkomen. De minister zegt: het zijn geen stakers, maar dan volgt onmiddellijk: wat zijn het dan? Het zijn “onwilligen”. Wat bedoelt de minister daarmee? Welk soort van “onwilligen” zijn dat?
Als het geval inderdaad zoo onschuldig is, hoe komt het dan, dat men gepoogd heeft den verslaggever van Het Volk en den persphotograaf het werk onmogelijk te maken? Men heeft ze eerst verdreven van een café-terras op het marktplein te Raalte en toen de voorstelling afgeloopen was, werden beide menschen gefouilleerd. Als het zoo onschuldig was, dan behoefde dat toch niet? Maar daarna heeft de commandant van de Rijksveldwacht,  Tielens dus, naar Zwolle getelefoneerd en daar zijn de menschen aangehouden en opnieuw gefouilleerd.
Onwelgevallig waren deze photo’s zeker. En als de zaak onschuldig was, had men de publicatie er niet van gevreesd.
(....)
Dit is nu allerminst een goede opleiding, het tegendeel is waar, en als de Minister dat goedkeurt, staat hij daaraan mede schuldig. Bovendien is de vertooning van zoo’n film, afgezien of het stakers of anderen geldt, het summum van dwaasheid, want hoe kan men te voren weten, dat onwilligen zoo zullen doen? Het kan zich voordoen zooals het daar is vertoond, ontsproten aan het brein van den heer Tielens, maar als ze een andere methode volgen dan op de film, raken de veldwachters, die geprofiteerd hebben van die “opleiding”, den kluts kwijt. De heel vertooning is hyper belachelijk en afkeurenswaardig en voor de eer der politie moet het uit zijn met dergelijke vertooningen.”

Het Volk, juli 1930. Het marktplein in Raalte






Maar zeker voor wie regelmatig archieven raadpleegt, zoals ik nu, valt direct op dat Tielens ook de naamgever is aan een kennelijk gewaardeerde collectie bescheiden betreffende Nederlandse militairen in krijgsgevangenschap. Verschillende malen wordt daarnaar verwezen. Tielens was op een gegeven moment hoofd van de afdeling A (algemene zaken) geworden van het Commissariaat voor de belangen van de voormalige Nederlandse Weermacht (1942-1945) en kennelijk kwam hij vanwege die functie tot het inzicht dat het van belang was een sprekende collectie aan te leggen.
"Nederlandse Weermacht" klinkt onappetijtelijk Duits en dat klopt ook. De naam en functie was bedacht door de Duitse bezetter. Het commissariaat moest het werk afmaken van het Afwikkelingsbureau van het departement van Defensie. De ontmanteling van het Nederlandse ministerie van Defensie dus.

Wij nemen voetstoots aan dat Tielens het hier vast heel moeilijk mee heeft gehad en dat het collectioneren misschien wel iets van troostende bezigheid was.

Enfin, na de oorlog wordt Tielens majoor bij de Koninklijke Marechaussee.






MR. A.J.M. van HEIJST, kostganger in de Venestraat, president van het gerechtshof in Leeuwarden

Mr. A.J.M. van Heijst komt uit de geschiedenis als een tak aan de stam der Dorknopers.
In verschillende kranten wordt melding gemaakt van zijn overlijden en van de bijzondere zitting van het Gerechtshof in Leeuwarden om hem te gedenken. Daar klinkt slechts zijn plichtsbetrachting en verder geen enkele persoonlijke noot. “Op voortreffelijke wijze belicht collega Kingma Boltjes de ambtelijke loopbaan van de overledene.” Als burger was hij een man zonder kapsones maak ik verder op uit de tekst, maar als magistraat ongenaakbaar vanwege het verheven ambt dat hij vervulde.
De kranten geven een uitgebreide opsomming van alle hotemetoten van justitie en openbaar bestuur, die zich bij deze gelegenheid hebben laten zien.

Hij is ongetrouwd en bij zijn begrafenis in Bergen op Zoom voor de bijzetting in het familiegraf zijn volgens een getuige slechts enkele familieleden gekomen en een paar bloemstukken bezorgd.

Hij sterft als het ware in het harnas, als President van het Hof in Leeuwarden, op 69-jarige leeftijd. Nog maar vier maanden president, zit hij de geruchtmakende brandstichtingszaak-Haren voor. Volgens De Telegraaf eiste de zaak te veel van zijn krachten. ”De afmattende verhoren tijdens de dinsdag gehouden zitting van het Leeuwarder hof hebben de bejaarde president Mr. A.J.M. van Heijst (69) zo aangegrepen dat hij de nacht van dinsdag op woensdag is overleden.” Na de zitting werd hij onwel en de ziekenhuisopname mocht niet meer baten.

Van Heijst heeft geen portret nagelaten, althans niet openbaar toegankelijk. Jammer. Wij weten slechts dat hij op 21-jarige leeftijd afstudeerde in Amsterdam en zijn loopbaan begon in Roermond. In Zwolle wordt hij aanvankelijk benoemd als substituut-griffier en in 1924 volgt zijn benoeming tot rechter.

Er is dit groepsportret uit 1935 van de rechtbank Zwolle.


uitgelicht (zittend in het midden):






In 1945 wordt hij overgeplaatst naar Leeuwarden waar hij eerst raadsheer, vervolgens vice-president en uiteindelijk president wordt. Als een soort beloning voor plichtsgetrouwe dienst, vermoed ik, want zijn 70ste verjaardag is ook al nabij en dan is het sowieso voorbij.


In de Venestraat is hij kostganger bij de familie Tielens, op nr. 23. Daarvoor woonde hij al bij de weduwe Weghuis op het Nahuysplein, verscholen in de hoek op nr. 7. Maar het eten was daar natuurlijk niet best en toen heeft Van Heijst een ander kosthuis gezocht.
"Man, kom bij mij ", zal mede-rechtshandhaver districtscommandant van de Rijksveldwacht Tielens tegen hem gezegd hebben. "Mijn vrouw kookt een voortreffelijke pot. Het huis is groot genoeg. En het is een goeie buurt." Zo verzeilde Van Heijst in de Venestraat, van 1926 tot 1933. Het ziet er niet naar uit dat hij niet veel heeft bijgedragen aan de sociale cohesie.
Hij is vertrokken toen het hem te rumoerig werd hier in dat huis van de Tielensen. Twee opgroeiende kinderen en Frans Tielens zelf hield wel van een potje stoeien. Zo is Van Heijst toch weer verhuisd, naar de Wipstrikkerallee. Lekker rustig, op nr. 112.
.   

vrijdag 5 juli 2013

DOKTER STAS en LAMMERT SIKKEMA, ARTS

Venestraat 25 resp. Venestraat 23

De arts Lambertus Stas (1898 – 1979) en zijn vrouw Henriëtte Stas-Amelink (1895 – 1976), waren de laatste bewoners van Venestraat 25 vóór dat huis in 1950 aangekocht werd door de Vereniging Kinderzorg als uitbreiding van het ‘Koningin Emma Meisjeshuis’ op nummer 25a dat een dependance was van het Julianahuis aan de Terborchstraat, hoek Hertenstraat (De Uitwijk).
Nr. 25a biedt vanaf 1935 onderdak aan ‘werkende meisjes’, die als het ware uit huis geplaatst waren, veelal afkomstig van geïsoleerd platteland. Uit de jaarverslagen kan men opmaken dat het om kind-slachtoffers ging van armoede, verwaarlozing en misbruik. Op de Vereniging Kinderzorg en de dependance in de Venestraat, die in de laatste jaren als "Kinderdagverblijf  De Til" peuters en kleuters opvangt, kom ik nog terug.

L. Stas dus, - betrekt zijn nieuwe huis op 12 oktober 1929. Lambertus heet soms ook Lucas en Leo. Hij heeft eerst in Amsterdam gewerkt, nadat hij in 1923 voor zijn artsexamen slaagde. Hij is in 1924 in Doorn getrouwd met Henriëtte Amelink, eveneens arts, en neemt één kind mee naar Zwolle. Is dat de dochter M.E. Stas die in 1945 apotheker wordt?


Natuurlijk gebruik ik onder andere google en als zoekterm typte ik dokter Stas. 
En daar verschijnen verschillende exemplaren van een dokterstas.

Hij en zijn vrouw zijn de eerste artsen in de Venestraat, de jonge Schaad is de derde, mejuffrouw M.J. Kalsbeek in de jaren 70 op nummer 3 is de vierde en Jan ten Berge, de huidige bewoner van nummer 18 maakt een kwintet vol.
Zijn eerste baan, zo lijkt het, is geneeskundige bij de medische afdeling der rijksverzekeringsbank; Stas wordt als zodanig benoemd per 1 augustus 1924, voor alsnog tijdelijk, maar uiteindelijk blijft hij in dienst tot 1 augustus 1949, waarbij hij en aantal stappen maakt tot een soort hoofdinspecteur.
Het stel verhuist nu naar Doorn. Daar kwam hij vandaan. Daar was hij kind en daar stond zijn ouderlijk huis. 
Stas is in 1949 een ongeluk overkomen en daarvan ondervindt hij blijvende gevolgen. Dat blijkt uit zijn bedankbriefje voor een financiële commissie van het Medisch Contact. Of dat ongeval ook de reden is om naar Doorn te verhuizen? En of hij daar een artsenparktijk begint? Ik vind geen spoor meer van hem in de jaren vijftig.
Ik kan er niet achter komen of mevrouw ook werkt als arts.

Ik ga nog op zoek naar een rapport dat Stas na de oorlog, in 1946, geschreven  heeft als ‘medisch contact’ voor de overheid (de bezetter?) destijds als lid van de Evacuatie-Commissie ter voorbereiding van een eventuele vanwege oorlogsomstandigheden gewenste evacuatie van het R.K. Ziekenhuis en het Sophia Ziekenhuis naar Dalfsen. In verschillende steden met ziekenhuizen was een dergelijke evacuatie commissie, lijkt het.

Altijd leuk om vanuit de Venestraat een relatie te leggen naar de grote buitenwereld. Welnu, de Rijksverzekeringsbank was in 1901 opgericht om de nieuwe Ongevallenwet uit te voeren. Dat was de eerste verplichte sociale verzekering, die zorgde voor een uitkering na een bedrijfsongeval. De Rijksverzekeringsbank moest de premies innen en de uitkering toekennen. De Rijksverzekeringsbank werd in Amsterdam gevestigd, omdat voor de financiering van de ongevallenverzekering een deel van de premies moest worden belegd in effecten, en daarvoor moest het bankpersoneel op het Damrak zijn. In 1956 veranderde de naam in Sociale Verzekeringsbank.




Tot ver buiten Amsterdam raakte deze bankinstelling bekend en beroemd vanwege haar huisvesting in het door Berlage bedachte Plan Zuid: Berlage brak in zijn Plan Zuid met de wijze waarop tot dan toe in Amsterdam gebouwd was. In plaats van de benauwde straten van de 19de-eeuwse stadsuitbreidingen ontwierp hij helder vormgegeven buurten met ruime wegen. Het nieuwe stadsgedeelte moest brede lanen krijgen en royale pleinen en hoofdstraten, maar ook intieme zijstraten en verrassende doorkijkjes.

Lang na Stas’ benoeming verrees op de door Berlage uitgespaarde cruciale plek de door architect Dirk Roosenburg ontworpen 7 verdiepingen hoge witte Rijksverzekeringsbank. Onder die zeven verdiepingen een laag, cirkelvormig gebouw met veel glas, bestemd voor het archief van de Rijksverzekeringsbank. De ronde vorm sloot aan bij de ronddraaiende kaartenbakken van het archiefsysteem. 
Stas zal hier zijn thuisbasis gevoeld hebben en met trots acte de présence gegeven hebben.

Of Lammert Sikkema de opening van dit gebouw heeft meegemaakt, is twijfelachtig. Hij was controlerend geneeskundige van de rijksverzekeringsbank maar overleed op 7 april 1936 te Leiden. Niet oud naar onze begrippen maar toen vast wel. Hij was geboren op 31 juli 1864 in Wirdum. We hebben op het internet twee foto's van hem gevonden (op één daarvan is hij 17 jaar) en een foto van zijn vrouw én van hun dochter, Bauck.
In 1924 verhuist Sikkema naar Wilhelminastraat 20a. Zwolle is zijn aangewezen standplaats. De bank heeft dienstkringen gemaakt en Sikkema is de man van de dienstkring Zwolle.

Op 27 mei 1892 deed hij met goed gevolg het artsexamen in Amsterdam. Dorpsdokter was hij van 1892 tot 1915 in Hellum (Gr) en van 1917-1918 te Huizum (vlakbij Leeuwarden). 
Daarna wordt hij benoemd tot controlerend geneeskundige en woont daartoe van 1918 tot 1929 in Zwolle. Daarna naar Leiden verhuisd.
Dat zijn dochter biologie gestudeerd heeft, zegt wellicht iets (progressiefs) over de sfeer in het gezin. Zij is in 1922 in Zwolle getrouwd, geboren in Hellum. Zij zal niet of nauwelijks in Zwolle hebben gewoond.























Mevrouw Sikkema: Aleida Sinnighe Damsté. Hierboven dochter Bauck.

donderdag 13 december 2012

NADER BERICHT over BODEWES

BODEWES is in de scheepsbouw-branche een absoluut fenomeen. Qua kwaliteit en productiviteit, begrijp ik, maar ook qua spreiding en netwerk zij het dat al die Bodewes-vestigingen zelfstandig waren en zijn en niet in het verband van een holding of zo zitten.
Wat hen bindt is hun geschiedenis en zo je wil traditie. Ongetwijfeld is de kroning van mevrouw Thecla Bodewes, eigenaar-directeur in Hasselt tot zakenvrouw van het jaar (2011) een mooie triomf en vast verdiend. Kijk maar hier op youtube:  http://www.youtube.com/watch?v=zwxr5ztuXKk 

De Duitse kunstenaar Kiefer is ongetwijfeld geroerd als hij dit beeld ziet: het cognac van Thecla's vest met het roestbruin van de naakte scheepswand.



 Dat het hier een bekend type geldt, blijkt ook nog eens uit het boek van Thomas Rosenboom, De nieuwe man (2003) . Daarin wordt "een Bodewes" in de echte bakermat, Martenshoek, opgevoerd om de nationale en mondiale ontwikkeling in de scheepsbouw te verwoorden. Voor wie het wil naslaan en het boek in huis heeft, bijvoorbeeld pagina 15, 82, 162 en 254. Bodewes is daar de man van de wereld, in tegenstelling tot de hoofdpersoon-scheepsbouwer die in de mist van de verloren toekomst verdwijnt.

Ik moet nog een tweede aantekening maken. Ná de oorlog worden namelijk vijf firmanten van het Bodewes-concern in Hoogezand-Martenshoek veroordeeld voor collaboratie met de Duitse bezetter. Ik zeg er maar gelijk bij, niet 'onze' H.G.; toeval of niet, ik zou het niet weten.











donderdag 6 december 2012


H.G. BODEWES, scheepsbouwer DEEL I
De vijfde in de reeks opmerkelijke Venestraatbewoners

De Venestraat is gebouwd op drasnatte laagveen bodem. Wie aan de even kant van de Venestraat in de tuin graaft, bijvoorbeeld om een vijvertje aan te leggen, stuit al gauw op een grindbed, teken van een oude waterloop.
Hier in het IJsseldal blaast de geest van het water  de scheppingsdrang van de ingenieurs aan.
Toen ik mevrouw Hilly Wegman-Bodewes belde om te vragen of ik naar haar herinnering van de Venestraat mocht komen vragen, was het eerste dat zij zei dat de familie Bodewes naast de familie Langemeijer woonde, hoofdingenieur en directeur van Rijkswaterstaat. Alsof zij elkaars taal spraken en daaraan een gevoel van verwantschap ontleenden.
Mevrouw Bodewes (zoals ik haar zal afkorten) wil mij graag ontvangen. “Een reünie?”, vroeg zij met onmiskenbare interesse. Daar heb ik nog niet aan gedacht; ’t is een idee!
Hendericus Gerardus Bodewes is op 14 juni 1896 in Hoogezand geboren. Daarmee is dan in één klap duidelijk dat het hier om een telg uit een oud, vermaard, uitgebreid vertakt geslacht van scheepsbouwers gaat.
Scheepswerven langs het Winschoterdiep en het Hoornsche Diep, in Martenshoek en Foxhol maar ook in Franeker, Harlingen en Bergum en langs de Rijn in Millingen, in Lobith en in Pannerden en het Zwartewater in Hasselt hebben schepen voor de binnenvaart en de kustvaart geproduceerd van het merk Bodewes.
Het is een ingewikkeld verhaal vanwege de grote gezinnen in deze Rooms Katholieke familie, waarin bovendien steeds dezelfde namen terugkeren. Om ‘onze’ H.G. Bodewes met zijn vrouw en kinderen te positioneren is dit volgens mij een houvast.
Zijn overgrootvader is Gerardus Joosten Bodewes, 1785 – 1854, de stichter van de grote scheepswerf in Hoogezand Bodewes Scheepswerven Martenshoek, BSM.
Het stokje wordt overgenomen door zijn grootvader Wijnandus Bodewes, eveneens scheepsbouwer, geboren te Martenshoek in 1816, overleden in 1889, en Catharina Mulder overleden te Sappemeer op 6 maart 1895.
Het derde geslacht bestaat uit zijn vader Harmannus Wijnandus Bodewes, ook weer scheepsbouwer, geboren te Martenshoek in 1858 en daar ook overleden in 1912, en Aghatha Stapenhorst (1864 – 1927).
De familie opent nu een filiaal in Hasselt. Volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel is de werf in Hasselt een dochteronderneming van de Hoogezandse NV die in 1912 statutair opgericht is maar een geschiedenis verraadt: Scheepswerven voorheen G. en H. Bodewes. Het doel van de nieuwe N.V. is dan ook de voortzetting van de Firma G. en H. Bodewes. G staat voor Geert en H. ongetwijfeld voor Harmannus.

Bodewes in Hasselt


Op de website van de huidige Bodewes-werf in Hasselt worden G. en H. ook aangehaald maar daar is H. Hermannes. Een apocrieve modernisering aangezien in de familiegeschiedenis geen Hermannes voorkomt en wel een reeks Harmannussen, naar schatting 30 à 40 keer zelfs.

Mooie plaatjes van de website van het moderne bedrijf in Hasselt. Op de tweede foto is dat HG met zijn gezin? Ik tel in elk geval zes kinderen.
http://www.scheepswerven-bodewes.nl/


De stichters in 1912 zijn dan ook (oom) Geert (1856-1928) en (vader) Harmannus (Wijnandus?) (1858-1912) die het bedrijf voortzetten samen met de co-stichters (broer) Wijnandus Hendericus (1889-1944) en (neef) Harmannus Wilhelmus (1890-1962) plús (zuster) mejuffrouw Catharina Johanna (1885-?).
Dat ‘onze’ Hendericus Gerardus niet mee-aanzit komt waarschijnlijk omdat hij in 1911 / 1912 nog minderjarig is.
Maar als op 7 juni 1924 de dochter in Hasselt tot ontwikkeling moet komen is het zijn beurt: hij wordt de filiaalhouder, de plaatselijke directeur onder supervisie van de oudere generatie die in Hoogezand/Martenshoek blijft zetelen.



Waarom het gezin in januari 1937 naar Zwolle komt en verhuist naar Venestraat 23, heeft niet te maken met de (formele) opheffing van het filiaal. Het dossier van de Kamer van Koophandel spreekt van opheffing van het filiaal precies ook begin 1937. H.G. Bodewes treedt uit.

Het gaat slecht met het bedrijf. De hoofdvestiging gaat een half jaar later failliet, getuige dit simpele bericht.


 Maar volgens dochter mevrouw Hillie Bodewes is de verhuizing ingegeven door de overweging dat vader beter kan forensen tussen Hasselt en Zwolle dan de zes kinderen die nu reeds of later de middelbare school in Zwolle (zullen) bezoeken. 
Kennelijk maakt het bedrijf een doorstart? Wordt het overgenomen? Hopelijk later het antwoord.

Hoe het de familie in Zwolle en de Venestraat vergaat, vertel ik in deel II. Maar daarvoor moet ik dus naar Ruurlo.Eén ding lijkt me wel duidelijk, de familie is Rooms Katholiek. Vader H.G. is een actief fund-raiser voor de restauratie van het kerkgebouw in Hasselt: de Heilige Stede. Het is 1926 en de familie woont dus nog in Hasselt.



PS Ik dwaal wel erg af van de Venestraat maar kan het niet laten om voor de echte netsurfers te wijzen op een uiterst informatieve website over Pannerden, inderdaad aan de rivier en de thuishaven van een scheepsbouwtak van de grote familie Bodewes. De werf heette "De Hoop"en was het toneel van stakingen en arbeidersstrijd. De directeur Bodewes was een gevreesde, hardvochtige kapitalist. Zie:  http://www.chrisvankeulen.nl/pannerden.htm