Posts tonen met het label VAD. Alle posts tonen
Posts tonen met het label VAD. Alle posts tonen

donderdag 15 mei 2014

ROELIE HARTMAN KIJKT TERUG

Mevrouw Roelie Potman-Hartman woont nu in Ede. In haar mémoires overbrugt zij schijnbaar eenvoudig zestig jaar. In 1954 ging schipper Hartman met vrouw en kinderen aan de wal wonen, in de Venestraat.
Hier is Roelie ademloos aan het woord.

Herinneringen aan de Venestraat  vanaf 1954.

Wij, het gezin Hartman, vader, moeder en vijf kinderen, zijn in december 1954 in de Venestraat komen wonen.
Mijn vader was binnenschipper. Ik was het oudste kind en was om onderwijs te genieten in Vreeswijk op het schippersinternaat geweest. Mijn broer die vier jaar jonger was, was daar ook één jaar geweest en mijn zusjes zouden weldra volgen. Geen ideale situatie, en daarom besloten mijn ouders dat het beter zou zijn om met het gezin aan de wal te gaan wonen.
Mijn vader werkte toen eerst bij de Zuiderzeewerken en later bij de Deltawerken. Dit betekende dat hij ’s maandagochtend vroeg vertrok en vrijdagavond weer thuis kwam.
Het was nog niet ideaal, maar wij kinderen konden nu bij onze moeder, die door de week het gezin in haar eentje moest runnen,  thuisblijven en in Zwolle naar school gaan.
Mevrouw Van Munster, een tante van mijn vader, die op nr. 11 woonde bezat niet alleen het pand 11/ 11a, maar 5/5a was ook haar eigendom. Mijn ouders zochten woonruimte en het huis op 5a kwam vrij en met toestemming van de gemeente, konden we dit bovenhuis van haar huren.
De rustige Venestraat met toen in mijn ogen hoofdzakelijk oudere bewoners, zal wel even de wenkbrauwen hebben gefronst toen daar ineens dat gezin met vijf jonge kinderen kwam wonen.
Voor ons was het ook wennen. Op ons schip hadden we weinig speelruimte gehad en nu was daar ineens een huis en een straat, en gelukkig waren er ook kinderen om mee te spelen.

Nu terugkijkend kan ik nog medelijden hebben met de familie Hibbel die onder ons woonde. We deden erg ons best om rustig te zijn, maar vijf levendige kinders boven je hoofd!
Op een zondagavond, mijn ouders waren naar de kerk, speelden wij met een bal (!) die op een gegeven moment van de trap af naar beneden stuiterde. Meneer Hibbel belde aan en riep door brievenbus of het nu eens afgelopen kon zijn met dat kabaal?  Volgens mij was dat wel het heftigste treffen. Wij deelden de buitentrap en als meneer en mevrouw Hibbel laat thuis dachten te komen, dan brandde de buitenlamp. Nu weet ik dat zij dan een avondje gingen bridgen. Wanneer de familie Hibbel hier was komen wonen weet ik niet maar in een doos met ansichtkaarten van mevrouw van Munster die in mijn bezit is, zit een vakantiegroet van hen uit Scheveningen uit het jaar 1934.





Maria





Voor ik over ons zelf vertel, wil ik eerst vertellen over het echtpaar van Munster dat op nr 11 woonde. Meneer van Munster was een oom van mijn vader. Jacobus van Munster was ook binnenschipper geweest. Hij had onder anderen een sleepaak de Maria gehad, die gebouwd was op de werf van van Aller in Hasselt. Later werd dit de werf van Bodewes.



Na een huwelijk van ruim twintig jaar overleed zijn eerste vrouw. Negen jaar later in 1928 trouwde hij met Harmina Johanna Giethoorn (tante Jo). Eerst woonden ze aan de Thorbeckegracht. Later zijn ze in de Venestraat gaan wonen.


Venestraat 11 van achteren


In de 30-er jaren gingen ze al op vakantie naar Duitsland! Of de foto hiernaast in Duitsland is genomen betwijfel ik. Soms gingen ze ook een dagje uit fietsen met buurman Stoter en zijn vrouw. Dit kan dus heel goed de Leemkuule in Hattem zijn!     
                                                                 
Mevrouw van Munster in het midden, links haar man, rechts buurman Stoter

Als Jacobus op zondag 3 december 1944 samen met zijn vrouw na een kerkdienst in de Plantagekerk naar huis loopt, wordt hij op de Sassenpoortenbrug onwel en sterft.
Tante Jo had vóór zij met oom Jacob trouwde een kruidenierswinkel aan de Hoogstraat.
Zij was een wijze, ontwikkelde, zelfstandige vrouw. Zij las de krant met potlood en schaar naast zich, getuige een doos met krantenknipsels van haar die eveneens in mijn bezit is.
Voor ons was zij een goede hulp bij het inburgeren in Zwolle en in de Venestraat. Als je zondags in de kerk naast haar mocht zitten vertelde ze, voordat de dienst begon, wie er om ons heen zaten en wie familie was van wie! Na kerktijd ging ze vaak met ons mee koffiedrinken. Voor de kleintjes nam ze dan altijd het kinderhoekje uit “Trouw” mee. Zelf zouden we die krant pas later gaan lezen. Eerst moesten we de “Zwolse Courant” lezen, zodat we wegwijs werden in het Zwolse.
Hatrtmannetjes in de tuin van de familie Bos, met kleinkinderen Bos
Ze nam mijn moeder mee naar kerkelijke vergaderingen en de vergaderingen van de Anti Revolutionaire Partij. Ze was een trouw luisteraarster van de NCRV-radio, Johan Bodegraven met mastklimmen was favoriet bij haar. Op vrijdag, marktdag, kwam haar hulp Engeltje, Engeltien zei tante Jo, een jonge vrouw uit ’s Heerenbroek. Eerst werd er gepoetst en koffie gedronken en dan gingen ze samen naar de markt.
Zij was een deftige tante met een ouderwets interieur. Boven de schoorsteenmantel hing een kamerhoge spiegel. Waar je ook zat je in haar kamer, je kon je zelf niet ontwijken, tenzij je net als tante Jo zelf met je rug naar de spiegel zat. Als we bij haar op bezoek waren probeerden we ons netjes te gedragen. Op een keer dronk ik koffie bij haar, het was de tijd dat er nog geen melk cups waren, “Lust je wel een velletje op de koffie?” vroeg ze aan mij. En beleefd als ik dacht te zijn antwoordde ik:  “jawel”. Ik had beter eerlijk kunnen zijn, want tante Jo bewaarde de velletjes van de gekookte melk apart en ik werd getrakteerd op een flinke schep vel. Grrrrr!
In 1957 werd zij ziek, ze wist dat ze niet beter kon worden en aanvaardde haar ziekzijn.
Zolang ze nog thuis kon blijven hield ik haar nogal eens gezelschap. Aan die uurtjes met haar doorgebracht denk ik nog vaak terug. Toen ze te ziek werd, ging ze naar mijn oma en tante die op het Assendorperplein woonden en daar werd ze door mijn tante verzorgd.
In januari 1958 overleed zij, vier dagen nadat ons jongste zusje geboren was.

In december 1954 waren wij in de Venestraat gekomen. Het huis was erg donker, alles was nog in bruinen geschilderd. De firma Schutte zorgde voor een metamorfose. Alle deuren, het trappenhuis, alles werd licht geschilderd en behangen. We hadden drie slaapkamers, een kamer-en-suite, keuken en boven de trap nog een klein kamertje, dat we in navolging van tante Jo het kabinetje noemden. Een elegante benaming voor wat meestal een verzamelplaats was van jassen, speelgoed en dergelijke. Veel later is hier een doucheruimte van gemaakt.


mevrouw Hartman

Ik ging naar de David Wijnbeek Mulo en mijn broer en zusjes gingen naar de Groen van Prinstererschool van meester Veurink in de Schoutenstraat, later aan de Zeven Alleetjes.
Mijn vader vertrok ’s maandagsmorgens vroeg, eerst naar Harderwijk en later zelfs helemaal naar Hellevoetsluis. Op zondagavond moesten wij om beurten zijn treinkaartje vast gaan kopen, zodat hij de volgende morgen niet in de rij hoefde te staan. Op vrijdagavond kwam hij weer thuis. ’s Winters als het vroor kon er niet aan de aanleg van de dijken worden gewerkt en was hij soms langere tijd thuis.
De tweede winter dat we aan de wal woonden vroor het lange tijd en lag er veel sneeuw. Mijn vader veegde onze stoep en die van tante Jo en ach ook die van de familie Stoter. Aan de overkant woonden mevrouw Thiebout en de dames Wolff en Guilliams, die stoepen deed hij er dan ook nog maar bij. De dames waren blij en mijn vader kreeg van elk een fijne sigaar.
Al gauw maakten we ook kennis met de familie Bos en dat zou een hechte vriendschap worden.
Meneer en mevrouw Bos leerden ons het majongspel. Met Pasen gingen we naar Groninger gewoonte, de familie Bos waren echte Grönigers, noten schieten. Dat moet voor onze benedenburen ook niet zo leuk zijn geweest.
Walnoten werden op een lange rij gelegd en dan moest je met een ijzeren kogel zoveel mogelijk noten van de rij schieten. En dan de verhalen die meneer Bos kon vertellen!
Het was een man die erg aanwezig was en daarom kan ik goed begrijpen dat mevrouw Bos wel eens zei, als ze rustig brieven aan haar kinderen wilde schrijven, Piet in Amsterdam en Nico in Eindhoven; “Ebo, ga jij maar even een kop koffie drinken bij de familie Hartman.”

Toen mijn vader voor een longoperatie in het R.K ziekenhuis lag, het was mei, kwam meneer Bos hem elke dag een bakje aardbeien en de krant brengen. Vader lag in een aanbouw van het ziekenhuis, en langs het weggetje naar wasserij ”Dellen-Wuyts” kon hij bij het kamerraam komen waarachter mijn vader lag.
Andere bewoners van de Venestraat die ik mij herinner: tegenover ons de kapsalon van
Rie de Wilde, de familie van Es, de familie Dokter, daarnaast kwam later de familie Hoekzema en zo was de overkant van de straat verjongd. Naast ons beneden op nr 7 woonde de familie de Jong. Meneer de Jong was pianostemmer en had een werkplaats in het souterrain waar hij
de heer Hartman
samen met zijn zoon Jaap werkte. Kwam er wel eens een bal tegen het deurtje van het souterrain dan was je nog niet jarig! Meneer de Jong kon dan erg lelijk tegen je doen. Jaap had later een muziekhandel aan de Assendorperstraat.
Mevrouw de Jong vertelde ons dat ze er tegen op had gezien toen ze gehoord had dat wij, een schippersgezin met 5 kinderen, schuin boven haar zouden komen wonen. Ten onrechte zei ze, we werden goede buren! Dat werd mij opnieuw duidelijk toen ik de condoleancebrief die haar zoon Arie na het overlijden van mijn vader in 1979 aan mijn moeder schreef, nu nog weer eens doorlas. Hij schreef: “ Mijn vader liet het misschien niet blijken, maar hij was erg vertrouwd met uw man en u. Hij waardeerde de bezoeken meer dan u kunt vermoeden.”
Roelies kleine zusje op de auto van de familie

Boven de familie Lindeboom op nr 13,  woonde op 13a de familie Hersevoort. Hij was ook een oud schipper en zat samen met mijn vader in het bestuur van de Schippersbond NPCSB.
Op nr 20 kwam de familie de Rie wonen. Zij hadden een zoon Frans, en een dochter. Frans zat denk ik op de machinistenschool en ging daarna naar zee. Van één van zijn reizen bracht hij een sjaal, de rots van Gibraltar, voor me mee. Eigenlijk was de sjaal voor mijn vriendin bedoeld, maar die was tijdens zijn afwezigheid verhuisd naar het verre Groningerland.
Wanneer de vlag op de apostolische Kerk stond, dan was de Apostel op bezoek.
Ik herinner me dat, als wij zomers de balkondeuren open hadden, we genoten van hun zingen.
Eén van mijn zussen herinnert zich hoe ze, met andere kinderen, in het portiek van de kerk met poppen speelde. Ze speelden vader en moedertje en kerkje. Van de verzuiling hadden zij geen weet, want Hervormd, Gereformeerd of Katholiek het maakte niet uit, alle poppen werden gedoopt. Met veel plezier denkt zij terug aan de kinderen waarmee ze op straat speelde en de spelletjes die ze deden; busje trappen(de put in het midden van de straat was de pot), en het krijtspel ik verklaar je de oorlog, en kaatsballen tegen de blinde muur. Er waren meisjes, wie??, die met 4 of 5 ballen konden ballen.
de stoep voor het huis van de familie van Es wordt gerboend
Schuin tegenover ons op de hoek van de Oosterlaan was een kantoor van de VAD waar de chauffeurs pauze konden houden, zo heb ik het in elk geval geïnterpreteerd.
Als de VAD-bussen door onze straat van de garage in de Hertenstraat naar het busstation reden, dan rinkelden de kopjes op de tafel.
Aan de achterkant hadden we het uitzicht op de opslagplaats van Buttinger sanitair., overdag was het er altijd druk met af- en aanvoer van materiaal en ’s avonds was het de vrijplaats van de vele katten uit de buurt.
Op een zomeravond zat ik met mijn jongste zusje op het balkon, ze begon net een beetje te praten en zei, wijzend naar de katten die op het platte dak liepen. “Poes!! Ik vroeg , “Wat zegt het poesje?” En al gauw zaten we met z’n tweetjes te miauwen totdat er beneden ons een deur werd open gegooid, gevolgd door een emmer water. Meneer de Jong trots op zijn dahlia’s dacht: “Die verhipte katten, ik zal ze!” 

Het straatbeeld was nog overzichtelijk, bijna geen auto’s, geen fietsen op de stoep, alleen
‘s morgens en ‘s middags mensen die zich door onze straat van en naar het station spoedden.
Onze fietsen mochten we bij tante Jo in het souterrain zetten en later achter het hekje voor ons huis en in het souterrain bij de familie Hibbel. Dat kwam op een keer wel erg goed uit. De familie Hibbel was uit logeren en na een enorme plensbui stond het hele souterrain blank. Gelukkig hadden wij toen hun sleutel en konden zoveel mogelijk de ravage opruimen.
Later toen mijn ouders in het benedenhuis woonden, heeft er nog een paar keer grondwater in het souterrain gestaan. Na de aanleg van de nieuwe aansluiting van het Zwartewater op de IJssel was dit ongemak verleden tijd.
Roelie
Op zondag gingen we met het hele gezin naar de Zuiderkerk. Daarna thuis of bij vrienden koffiedrinken en dan om één uur de middagmaaltijd waarbij we naar Mr. G.B.J. Hiltermann luisterden, die ons vertelde hoe de toestand in de wereld er voor stond.
Hiltermann en (zondagse) groentesoep, voor mij horen die twee bij elkaar.

De bakker van ’t Spijker, de groenteman Bolleman, de slager Bomhof, allemaal kwamen ze aan huis om hun waren te leveren. Boodschappen deden we bij de dames Boxman en zaterdags kochten we “wat groots voor bij de koffie” bij van der Lippe.
Toen wij, de kinderen, de deur uit waren zijn mijn ouders verhuisd naar de Hertenstraat. Zij kochten het huis van zuster van de Kolk, de verloskundige die mijn moeder had bijgestaan bij geboorte van mij en van mijn broer. Ik vond mevrouw van de Kolk een stoere vrouw in haar groene jagersjas. Ik stond een keer samen met haar bij de dames Boxman in de winkel en zij bestelde een ons, “sterfopdestraatworst” ( cervelaatworst).
Ik denk dat dat haar nog stoerder maakte in mijn ogen.

In ons huis in de Venestraat, dat mijn vader na het overlijden van mevrouw van Munster gekocht had, woonden voortaan studenten. Mijn vader was een strenge huisbaas die toezicht hield op het naleven van de huisregels, die alleen meisjesstudenten huisvestte en het liefst de jongens buiten de deur hield. De tijden veranderden en mijn vader veranderde mee, gelukkig!

Als ik nu met de trein in Zwolle aankom is mijn eerste gang altijd naar de Venestraat en kijk ik omhoog naar het huis met die mooie grote vlaggenstok aan de gevel.

Roelie Potman-Hartman

Gevraagd naar wat er van haar en har zussen terecht is gekomen, schrijft Roelie terug:
"Voor ik trouwde heb ik ruim vier jaar bij apotheek Woutersen, later Hannink, naast de Sassenpoort gewerkt. 
Mijn broer en mijn zussen zijn allemaal de kant van de zorg opgegaan en zijn ook uit Zwolle vertrokken. Ondanks dat ik al bijna 50 jaar in Ede woon voel ik mij nog Zwollenaar (waar ik geboren ben en later van mijn 13e- tot mijn 22e heb gewoond), en vind ik het plezierig om langs de oude vertrouwde plekjes te wandelen.
Wel leuk om te vertellen; één van mijn zussen (zij is ook degene die jouw blog ontdekte) woont in Leeuwarden en is getrouwd met een oud-catechisant van je vader. (P.Riemersma, mijn vader dus, was predikant in Leeuwarden van 1958 - 1964).





woensdag 15 mei 2013


Van Klinkert en Co via directeur Brummelkamp naar Anna Heerkens


Het is er niet gemakkelijker op geworden zich voor te stellen dat er in de Hertenstraat op nummer 8 ooit een lakstokerij van Jan Klinkert heeft gestaan. Nieuwbouw nadert z'n voltooiing. Installateurs en schilders doen de finishing touch. In de top van de nieuwe gevel is een merksteen aangebracht waarop zinnebeeldig ‘geborgenheid en zorg’ is aangeduid, met het jaartal 2012. De omwonenden hebben juist deze week een uitnodiging ontvangen om 25 mei (2013) een kijkje in het nieuwe woonzorgcomplex te komen nemen dat naar ene Anna Heerkens is genoemd. Wie dat was (is) en waar die dat dan aan verdiend heeft, staat er niet bij. Ik snap ook niet goed wat die 'oren' aan het hoofd van het grote personage uitdrukken. Moeten ze het hoofdkapje van een diacones uit vroeger tijd verbeelden? Waarom staat dat personage trouwens zo dominant over het kleinere, van schrik terugwijkende personage heen? En wat heeft die op haar kop? Denkelijk gaat het om een verzorger enerzijds en een client-bewoner anderzijds? Waarom kijkt de verzorger de bewoner dan niet aan en bij hem of haar weg?

Naschrift: Anna Cornelia Johanna Heerkens-van Sonsbeeck legateerde in 1911 een toen kapitaal bedrag van 40.000 gulden aan de Onze Lieve Vrouwe Parochie om een huis voor bejaarden te bpouwen. Pas in 1932 werd er van dat geld een kleinschalig O.L.V. pensioon gerealiseerd, de voorloper van de latere Nieuwe Haven. (Uit een brochure van IJsselheem, zoals de koepel heet waar Anna Heerkens onder valt.)




Deze gevelsteen herinnert mij aan de eerste steen die op 9 september 1959 is gelegd door de heer Brummelkamp. C. Brummelkamp. Directeur. Die was de directeur van de Veluwse Autobus Dienst, VAD.




Waar blijft zo'n steen eigenlijk? Wordt die doodleuk met het slooppuin afgevoerd, door de puinbreker gehaald en vermalen om ergens onder een nieuwe straat in Stadshagen terecht te komen?
Overigens zijn bovenstaande foto's van 2009, toen de Kringloop net uit het pand getrokken was.
Zoals al eerder verteld hebben de door Klinkert verlaten loodsen eerst nog dienst gedaan voor ondernemer Eilert van Berkum als vatenspoelerij (1950-1959).
Op een foto nu in de verzameling van het Historisch Centrum Overijssel staat Eilert als schooljongen-met-pet, achterste rij.  Hij woonde toen op de hoek Molenweg en Molendwarsstraat waar zijn vader reeds een kuiperij had.


Daarvoor hebben dezelfde loodsen dienst gedaan voor de clichéfabriek van De Bruyn. Ik kan er niets over vertellen. Deze functie kwam ‘boven’ in het historisch onderzoek ter voorbereiding van de grondwatersanering. De Bruyn zou van 1941 tot 1980 van de panden gebruik gemaakt hebben?!
Foto’s ontbreken.  Overigens ontdek je dan en passant wel grappige bijvangsten. Bijvoorbeeld  deze van een andere VAD-garage, namelijk die  in Ermelo, die ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Juliana na 50 jaar Wilhelmina versierd werd.



Om kort te gaan in honderd jaar is er aan het voormalige Groenewegje over het Hertenland veel gebeurd en zijn de decors van leven en werken in onze buurt ingrijpend gewijzigd.



zaterdag 29 december 2012


VENESTRAAT 20
KLINKERT

Jan Klinkert (1889 – 1962), gepromoveerd in de scheikunde, is de eerste eigenaar/bewoner van Venestraat 20. Samen met zijn in Riga geboren Russische vrouw Elsbeth Corona Dannenberg heeft hij meer dan veertig jaar, tot 1961, in de straat gewoond. 
Als ik er één had mogen vragen naar zijn ervaring  en belevenis in de Venestraat was het dit stel geweest. Hij was één van de twee broers-directeuren van de fabriek op de hoek van Venestraat en de Hertenstraat, officieel geadresseerd in de Hertenstraat. Jan Klinkert is kinderloos gestorven.

Zijn broer Hendrik, medefirmant, is tweemaal getrouwd. Uit zijn eerste huwelijk met Ariette Meulenhoff heeft hij twee dochters: Gerarda (1909) en Albertina Clasina (1911); zijn tweede huwelijk, met Dieuwke Kramer schenkt hem een zoon: Johan Fedde (1930).

Voor de geschiedenis van Jan, Elsbeth en de Zwolse verffabriek tasten wij in zoverre in het duister, dat Elsbeth eenmaal weduwe geworden een nicht in Argentinië als erfgename aanwees. Dat heeft in elk geval niet geleid tot overdracht van foto's en documenten  van het archief van deze tak van de klinkerts aan een (Nederlands) archief. Wat er aan 'archief' is overgebleven,  is voor een deel naspeurbaar bij het Historisch Centrum Overijssel. Bij het HCO zijn het de dossiers van de Kamer van Koophandel. Voor een ander, (groter) deel ligt er een een ander in het Nationaal Archief. Dat  is overigens tot 2021 beperkt openbaar en heeft betrekking op de strafzaak tegen Jan Klinkert in het kader van de bijzondere rechtspleging en op de dienstbaarheid van de fabriek aan de vijand tijdens de Duitse bezetting.

Jan is dus veroordeeld vanwege zijn commerciële collaboratie met Nazi-Duitsland. Wat je noemt 'fout' in de oorlog, maar verder stond hij geenszins bekend als 'nazi'. Verwarrend is dan ook dat in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, Volume 114, Nummers 3-4 te lezen is: "Tenslotte kan de geroofde verffabriek slechts de fabriek van Klinkert in Wapenveld betreffen. In de hongerwinter voelde de Duitsgezinde eigenaar zich zodanig bedreigd dat hij met medenemen van zijn fabriek naar Duitsland vertrok."
Kwestie van klok en klepel, want de fabriek was immers reeds in 1942 in Duitse handen overgegaan. Met de 'Duitsgezinde eigenaar' moet Jan Klinkert zijn bedoeld, één van de twee voormalige eigenaren, en die heeft echt niet z'n boeltje opgepakt om naar Duitsland te verhuizen.
'Duitsgezind' was Jan in tegenstelling tot zijn broer en compagnon Hendrik in elk geval wel inzoverre dat hij reeds in het begin van de oorlog samenwerking zou hebben gezocht met Duitse verfproducenten en wellicht toen al uit was op een verkoop van het gehele bedrijf, buiten medeweten van de familieleden-aandeelhouders en mededirecteur Hendrik.

Terug naar de oorsprong: hier het verkorte feitenrelaas voor dit bedrijf.
De oorsprong van dit bedrijf gaat terug tot 1843 toen de gebroeders S. en A. Jacobs een lakstokerij opstartten.  Omstreeks 1873 werd het bedrijf verkocht aan de firma Klinkert, Ansingh en Borneman, om in 1882 als Fa. Klinkert en Co te worden voortgezet.  In het begin van de 20e eeuw namen de zoons Klinkert Jan en  Hendrik (1882 - 1951) de zaak over van hun vader Albertus Clazienus (1854 – 1915). (Hun grootmoeder was trouwens een Buijsman, een vooraanstaande familie in Zwolle waarvan ook Derk Buijsman deel uitmaakte, de vermogende filantroop die tevens de naamgever is van de parallelstraat zuidelijk van de Venestraat.)

De basis voor het bedrijf in de Hertenstraat is overigens niet het onder achitectuur gebouwde kantoor met magazijnen (zie bovenstaande foto) dat de tand des tijds goed doorstaat  -als eensdeels appartementengebouw en anderdeels AFAC-fietsenopslag-, maar dat waren de productieloodsen die schuin aan de overkant lagen. Daar waar nu het enkele jaren geleden gebouwde woonzorgcomplex Anna Heerkens staat. Ons staat dat terrein nog helder voor ogen als de 'Kringloop’. Oudere buurtbewoners refereren eraan als de VAD-garage: Hertenstraat 8.
Bog weer even terug naar 1843: dan krijgen de broers Jacobs als gezegd een vergunning om hier op een terrein tussen de Tuinstraat en het Groenewegje een lakstokerij te beginnen in het toen nog nauwelijks bebouwde buitengebied van de stad Zwolle, temidden van de kwekerijen en tuinen van de stedelijke groentehandelaren. In een aantal loodsen en met de van oude ansichtkaarten bekende hoge fabrieksschoorsteen werden daar de lakken gestookt en de verven en vernissen bereid. Op onderstaande ansicht priemt vanaf de Hoge Spoorbrug gezien de schoorsteen van Klinkert omhoog. .

Dan is er nog geen Hertenstraat maar slechts een pad, het Groenewegje dat langs een (stinkende) sloot, het Molenwater, loopt. Op een goed moment is rond de eeuwwiseling van 1900 een deel van dat pad verhard precies tot aan het ommuurde fabrieksterrein van de lakstokerij.  Aanvankelijk lag de ingang van het fabrieksterrein aan de Tuinstraat, waar onlangs een organisatie voor Beschermd Wonen nieuwbouw heeft gepleegd. Dat woongebouw ligt een tikje terug van de rooilijn: daar dus. De huizen rechts daarvan waren eertijds bedrijfswoningen van de verffabriek / lakstokerij.


De Tuinstraat, althans het begin daarvan, is nog juist te zien aan de linkerkant van de rechter straat, toen Deventersestraat. De achterkant van loodsen van de verffabriek is zichtbaar aan de rechterkant van de linker straat, nu Hertenstraat.
Zoals gezegd moest Jan Klinkert met het einde van de oorlog en het herstel van het Nederlandse gezag direct stoppen met alle activiteit. Op het bedrijf werd beslag gelegd. Zelf werd hij garresteerd en naar het Huis van Bewaring gebracht, later geïnterneerd in de kazerne van Wezep die dienst ging doen als 'kamp' voor NSB'ers, landverraders en anderen die beschuldigd werden van onvaderlandslievend gedrag.
Zijn oudere broer Hendrik, compagnon en medefirmant tot het moment van de Duitse bedrijfsovername, heeft ook moeten verschijnen voor het tribunaal van de bijzondere rechtspleging, maar is dadelijk vrij gesproken.
Uit mondelinge overlevering komt de bewering dat het toch al niet boterde tussen Hendrik en Jan, omdat Jan als gewiekst zakenman succesvol is en Hendrik als zakenman zoveel minder in z'n mars zou hebben gehad. Bovendien voelde Hendrik van de aanvang aan niet voor samenwerking met Duitse bedrijven en de Duitse Wehrmacht. 

In 1953 is het bedrijf Klinkert en Co ook formeel geliquideerd, na de nodige tussenstappen waarop ik nog hoop terug te komen. De schoorsteen is dan al afgebroken.
De fabriek had in de oorlog een Duitse geur. Sommige buurtbewoners dachten zelfs dat Klinkert een Duitser was. Wellicht mede vanwege zijn exotische vrouw, Elsbeth, een Letse die met een zwaar Duits accent sprak. 
Op de dag van de bevrijding is van overheidswege dadelijk beslag gelegd op het bedrijf. De fabriek produceerde in elk geval ook en vooral voor de Duitse oorlogsinspanning.

De kaart eind jaren 20. Kijk de Hertenstraat eens vanaf de hoek van de Hertenstraat naar de Zeven Alleetjes. Ik heb de beide bedrijfsterreinen van Klinkert roodomkranst en Venestraat 20 met de deur naar de fabriek groen.


Het terrein aan de overkant van de Hertenstraat heeft vervolgens verschillende bestemmingen gehad: de clichéfabriek De Bruyn als eerste, meen ik, daarna het vaten- en emballagebedrijf Van Berkum dat op de Marslanden nog steeds bedrijfsactiviteiten uitvoert in deze branche, met enkele spoelinstallaties. Naar verluidt is er ook een zeepfabriek actief geweest maar ik moet nog te weten zien te komen wie en wat, en daarna dan de autobusremise van de VAD tot de Stichting Kringloopwinkel en tot slot nog even een schoenenoutlet.


Hier komen 'de geuzen' om deze geschiedenis te slopen ten gunste van het woonzorgcomplex. Typisch van die plaatjes wie-is-de-wethouder?