Berendina Broekman wordt niet herdacht met een Stolperstein voor huis nr. 2 in de Venestraat waar voor haar broer, haar schoonzus, neven en tamte vijf van deze gedenkstenen liggen, gisteren 30 april nog blinkend gepoetst door een lid van de Rotary Zwolle, met het oog op 4 mei. (Wel een vraag aan de Rotary: waarom in de Venestraat zeven van de veertien gepoetst; ik heb de andere zeven gedaan en echt niet als aspirantlid van de Rotary.)
Dat er voor haar Stolperstein ligt is zowel vanwege het feit dat zij niet in de Venestraat gewoond heeft als ook omdat zij de oorlog heeft overleefd terwijl de struikelstenen zijn bedacht en bedoeld -door de kunstenaar Demnich- voor hen die de fascistische vervolging van de Joden niet hebben overleefd. (Ik weet het: hier en daar zijn uitzonderingen te vinden en worden ook overlevende vervolgden herdacht.)
Waarom ik nu wel aandacht vraag voor Berendina is omdat zij een geboren Zwollenaar (in 1892) is en een direct familielid van de familie die in de Venestraat op nr. 2 woonde en voor (2015) vijf Stolpersteine zijn gelegd. Intrigerende is verder de directie van het C.I.Z. in zekere zin in een vergelijkbare positie kwam als de Joodse Raad onder leiding van Asscher en Cohen. Joodse leidinggevenden moesten voortdurend afwegingen maken in levensbedreigende situaties, Kennelijk kunnen buitensdtaanders tot verschillende oordelen komen over de mate waarin begrip kan worden opgebracht voor de gemaakte keuzes. Hoe dan ook Berendina's optreden was vlak na de bevrijding omstreden, toen eerst in februari 1943 en later in september 1943 een combinatie van Nederlandse politiemensen en Duitse WA-mannen met bruut geweld het Centraal Israelisch Ziekenhuis (of Ziekenverzorging) kwamen ontruimen om als onderdeel van de razzia's patiënten en personeel op te pakken en te deporteren.
HET C.I.Z. NA DE OORLOG. INMIDDELS AFGEBROKEN, AL EERDER VERLATEN VANWEGE DE MOEILIJKE BEVEILIGING TER PLEKKE
Berendina, roepnaam Dina, was na haar schoolcarriére in Zwolle naar Rotterdam gegaan en had daar haar studie en praktijk als verpleegkundige gedaan. In 1926 was zij in dienst getreden van het C I Z aan de Jacob Obrechtstraat en in 1935 werd zij daar directrice voor de verpleging.
Toen de ontruiming gaande was en Berendina zag hoe panische personeelsleden probeerden te ontkomen posteerde zij zich in de centrale hal zo ongeveer (als de bronzen Wilhelmina vóór de Fundatie, stel ik me voor) om de vluchtende personeelsleden te bewegen op hun post te blijven.
Zij was er na 'toezeggingen' van Aus der Fünten persoonlijk van overtuigd dat het gehele personeel ongemoeid zou worden gelaten.Nadien is ook zij tot het inzicht gekomen dat uitlatingen van deze man vals en onbetrouwbaar zijn.
Ook Berendina is in september 1943 met patiënten en personeel afgevoerd naar Westerbork. Maar op gezag van diezelfde Aus der Fünten werd (een deel van) het verplegend personeel na enkele dagen uit het kamp ontslagen waaronder de directrice Berendina Broekman, om terug te gaan naar het C I Z in Amsterdam waar het sterilisatieprogramma (door een Duitse arts) moest doorgaan.
Een half jaar later toen het C.I.Z. al leeg stond en alleen het Portugees Israelisch Ziekenhuis nog functioneerde, werd duidelijk dat de Duitsers geen uitzonderingen zouden maken en dook Berendina alsnog onder, tegelijk met het personeel dat daar tot het eind was gebleven. Op 15 juni 1944 was praktisch iedereen gearresteerd en op 25 juni bracht het personnel zich in veiligheid..
Berendina heeft de oorlog dus overleefd en trad in december 1945 weer in dienst. Haar optreden in 1943 was voor enkele collega's aanleiding om zich over haar doen en laten te beklagen bij de in 1946 ingestelde Joodse Ereraad. De klacht is na te lezen in de archieven van de gemeente Amsterdam (795 inv 24). De kern is dat de directrice te weinig tot geen oog had voor de belangen van het personeel en met name op beslissende momenten geen hulp geboden heeft om bij pogingen te ontvluchten en onder te duiken en deze pogingen steeds heeft tegengewerkt. Bovendien zou ook nog door manipulatie een ondergeschikte in haar plaats naar Theresienstad zijn gestuurd (en later in Auschwitz vermoord).
De Joodse Ereraad besloot naar aanleiding van deze verwijten het beleid van de directrice af te keuren en riep het bestuur van het C.I.Z. op haar te schorsen tot 1947. Publicatie daarvan in het Nieuw Isr. Weekblad kan nagelezen worden op Delpher. Het bestuur van het C.I.Z. kwam tot een diametraal ander standpunt, betwiste het oordeel van de Ereraad uitdrukkelijk en prees de plichtgetrouwheid van de directrice. Tot een schorsing is het dan ook niet gekomen.
Van december 1945 tot haar pensioen woonde Berendina opnieuw intern in het pand Jacob Obrechtstraat 92. Zij is vervolgens verhuisd naar de Uiterwaardestraat en voor wat betreft haar sterfdatum staat er op haar persoonskaart "na 1974". In 1974 was zij al 82. Nooit getroudw en geen kinderen, toch altijd dienstbaar maar dus niet aan 'haar'personeel.
De foto is uit 1942 (Bron: Stadarchief gemeente Amsterdam). Het zou heel wel kunnen dat Berendina op deze foto staat, in de centrale positie als directrice.








.jpg)






.jpg)









