Posts tonen met het label Frans Willigenburg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frans Willigenburg. Alle posts tonen

woensdag 25 juni 2014

DE FAMILIE RONTELTAP

RONTELTAP, HET GROOTSTE GEZIN UIT DE VENESTRAAT




Op deze foto staan 13 kinderen. Maria, het negende kind, is maar drie maanden oud geworden. Eduard, de vierde telg, verdronk toen hij zes jaar was. 
Het copyright voor deze foto berust bij André Ronteltap. Een aantal onderstaande foto's komt ook uit zijn verzameling en een ander deel is overgenomen uit het album van Ursmar Ronteltap. 
Met dank!
 

Ursmar Ronteltap is de jongste van het grootste gezin dat ooit in de Venestraat woonde. Zij waren met z’n vijftienen in dit streng katholieke gezin: de ouders Henk en Anna, zes dochters, zes zonen én Ursmar. Al is het nu al bijna een mensenleven lang geleden, het huis aan de Venestraat, nr. 23, staat Ursmar helder voor ogen. Hij woonde er acht jaar: van 1949 - 1957, van zijn tweede tot zijn tiende.
Ursmar is alweer een poosje met pensioen en nu hij de camper  ingeruild heeft voor een middenklasser heeft hij tijd genoeg voor zijn Märklin-treinen. Op deze foto en op dit station vervult hij overigens een gastrol want zijn eigen emplacement is vooral een technisch hoogstandje en daaraan ontbreken huisjes en boompjes. Met die technische insteek drukt hij alsnog de sporen van zijn vader en broers die (bijna) allen vooral technisch geïnteresseerd waren én technisch waren geschoold en in technische beroepen werkzaam. Ursmar droomde er ooit van bouwkundige te worden. Zijn vriend Flip Holvast (van nr. 9a) is architect geworden, Ursmar werd chef-kok.

De pater familias, Henk Ronteltap (1903 - 1964) was carosseriebouwer. André (1944), de op één (Ursmar) na jongste zoon, vertelt dat zijn vader werkte voor B.T. van Rijswijk, een bedrijf in Voorburg dat een aantal chassis had verworven uit de failliete boedel van de befaamde autofabriek Spijker. De herinnering aan dit bedrijf wordt in leven gehouden met een prachtige geïllustreerde website (carrosseriebouwers B.T. van Rijswijk, Voorburg) Wij kijken naar het prachtige koetswerk in de wetenschap dat tot 1932 Henk Ronteltap de hand heeft gehad in een aantal van deze prachtstukken.

In Voorburg zijn de eerste zes kinderen geboren, waarvan er vijf zijn overleden: Agaath (1926 – 1972), Jo (1927 – 2006), Kees (1928 – 1997), Nico (1930 – 1993) , Eduard (1931 – 1938). Lies (1932) woont momenteel in een verpleeghuis.
Of de oudsten ook metterdaad tot het gezin behoorden toen de familie in de Venestraat woonde, lijkt me niet.
Jo is kloosterling geworden en had de naam zuster Ursmar aangenomen. Zij was de meter van haar jongste broer Ursmar. Jo is verzocht het klooster te verlaten wegens onverenigbare meningsverschillen. Aan een dergelijke verzoek kun je niet geen gevolg geven.
Kees heeft na zijn huwelijk met Rie bij zijn ouders ingewoond en had een deel van de eerste verdieping tot zijn beschikking. Hij was een zeer kundig technicus. Hij was meester stempelmaker, bij Philips, met zeer veel inzicht hoe bewerkingsmethoden beter en sneller konden. Kees'collega's namen hem niet in dank af dat zijn vindingen ertoe leidden dat de beschikbare tijd om een product te maken door Philips steeds verder werd verkort.
Nico is overleden in de Verenigde Staten waarheen hij geëmigreerd was nadat hij zijn kloosterbroeders vaarwel had gezegd. Hij trouwde met een veel jongere vrouw en verdiende de kost in een technisch bedrijf.
De beeltenis van Eduard heeft altijd in een prominente plek gehad aan de wand in huize Ronteltap. Hij verdronk op zesjarige leeftijd in een vijver in Amstelveen. Maar Theresia, André en Ursmar herinneren zich niet dat er ooit nog door hun ouders een woord over hem is gesproken noch over Marietje die slechts drie maanden oud geworden is en van wie André de enig bestaande zwaar beschadigde foto heeft opgewerkt tot een aanvaardbaar beeld. Theresia heeft haar moeder veel later nog eens horen zeggen dat zij toen twee dagen heeft gehuild maar toen besloot dat zij verder moest.
Het gezin is in 1932 van Voorburg naar Heerlen verhuisd. Vader Henk werd daar leraar lassen, vuur- en plaatwerken aan de ambachtsschool. Rechardus (1933), Thomas (1934) en Marietje (1936 - 1936) zijn daar geboren. Thomas was ook werkzaam in een technisch beroep en woont in Neede. Hij haalde de krant toen zijn tuin werd vernield door een stelletje onverlaten.
Hoe het Rechardus is vergaan, is (mij) onbekend.
Theresia (1938) is de enige die in de periode Hulst werd geboren. Vóór haar trouwen met de onderwijskundige Scholten, die het tot directeur van de Theodoor Heerkensstichting bracht (de Zwolse koepel van RK-onderwijs), was zij verpleegster.
Van de vier kinderen die in Amstelveen zijn geboren, is Richard (1940 - 2001) de bekendste geworden. De necrologische tekst in Trouw neem ik over:
“Ruim twintig jaar lang zorgde VVD'er Richard Ronteltap voor commotie in de Amsterdamse politiek. Het oud-raadslid en stadsdeelvoorzitter was een markant politicus, die hield van het politieke spel en nooit van zijn standpunt afweek.
De 60-jarige Richard Ronteltap werd gisteren dood gevonden bij het Duitse Freiburg. Hij was op vorige week maandag -3 december- in 'overspannen toestand' van huis gegaan. De oud-politicus werd gevonden nadat het tv-programma 'Opsporing verzocht' een oproep deed. Hij had al langere tijd psychische problemen en was onder behandeling van een psychiater. Ronteltap begon in 1979 als gemeente-raadslid. De sociaal geograaf hield zich vooral bezig met woningbouw.
In 1990 stapte hij over naar het stadsdeel Zuid, waar hij nog eens tien jaar voorzitter was. Vaak zorgde de VVD'er voor ophef. Zo pleitte hij jarenlang voor de sloop van het Olympisch Stadion in Amsterdam-Zuid, ten gunste van nieuwe huizen. Maar zijn tegenstanders wonnen: het stadion werd in oude glorie hersteld.
Ook de plannen voor de verbouwing van het Museumplein die onder zijn voorzitterschap werden gemaakt, zorgden voor een storm van reacties.
De kritiek verstomde snel na ingebruikname van het plein aan de voet van het Rijksmuseum, nu verrijkt met veel gras en een vijver. Vorig jaar oktober trad Ronteltap af, na een knallende ruzie met de PvdA over het parkeerbeleid in het stadsdeel.
Ronteltap heeft meegeschreven aan het landelijk verkiezingsprogramma van zijn partij. Tot vlak voor zijn dood gaf hij cursussen aan beginnende kamerleden.

Eligia (1939 - 1975) en Marie-Louise (1942 - 1985), geboren in Amstelveen, zijn jong gestorven. Eligia was 35 en Marie-Louise 42.
André (1944) is de laatste uit de Amstelveense periode. Na de Ambachtsschool en de U.T.S. had hij naar de H.T.S. gewild. Door het overlijden van zijn vader is dat plan niet doorgegaan. Hij volgde een technische loopbaan bij Philips aan de Ceintuurbaan hier in Zwolle.
Als kind was André al in de weer met met latjes en lijm om vliegtuigjes te construeren waarvan hij de luchtwaardigheid testte door ze van het balkon te lanceren. Nee, piloot in de burgerluchtvaart heeft hij nooit willen worden, maar de vliegtuigconstructies en uiteindelijk ook het zelf vliegen is hem blijven boeien. Hij heeft een mooie eigen website waarop zijn modelvliegtuig hobby alsook zijn schermvliegkunst te zien is: http://www.andre-ronteltap.magix.net/
Het nakomertje uit de Van Karnebeekstraat, nr. 87a boven clichéfabriek De Bruyn, Ursmar, wilde graag zo spoedig en letterlijk mogelijk eigen boontjes doppen. Zijn passie was de keuken en vóór zijn twintigste zwaaide hij al het langste koksmes in pension- restaurant later hotel Dennenheuvel in Epe. Hoewel hij onderkent soms verwend te zijn en de rolschaatsen kreeg die voor de oudere kinderen nooit weggelegd waren geweest, heeft hij bepaald onprettige jeugdherinneringen. 

Het kindertal van vijftien was volgens Ursmar veel te groot voor zijn ouders. Hij wijt deze overdaad aan het tirannieke rooms katholieke geloof dat zijn ouders aanhingen. Het zou hem ook niet verbazen als al zijn broers, als zij daar eens voor zouden gaan zitten, ervaringen hebben met de vleselijke lusten van de dienaren van de kerk, in meer of mindere mate. Spreekwoordelijk werd hem toegevoegd dat hij 'het beste bidden kon' van allemaal. Want na elk kindje werd weer gebeden dat het toch de laatste mocht zijn. Pas met zijn geboorte, zijn moeder was toen 44, is het gebed verhoord.

Een veelbetekende herinnering haalt André op. Met Wim Holvast was hij op zekere dag stekelbaarsjes gaan vangen in de weilanden aan de andere kant van de hoge spoorbrug. Tot zijn moeder hem mistte en alarm sloeg. Er werd iemand op uit gestuurd om hem te zoeken. Die kwam terug met de onheilspellende mededeling dat André noch Wim te vinden waren, maar dat er wel een en ander in de sloot dreef. De onnozelaar veroorzaakte zodoende een enorme opwinding in de hele straat. Maar daar verschenen nietsvermoedend de beide vrienden met elk een pot vol stekelbaarzen en een schepnet over de schouder. De moeder van Wim sloot onder tranen haar verloren zoon in de armen. Hoe anders was de ontvangst in huize Ronteltap. André kreeg geweldig op zijn falie en de baarzen gingen linea recta in de afvoerput. Ongetwijfeld waren beide moeders even opgelucht.

Ursmar voelt wrok voor het ontbreken van een stimulans, het tekort aan genegenheid en aandacht. Voor een gezin is vijftien veel en veel te veel.
Keeper in dit elftal is Frans Willigenburg
Maar ook praktisch, André heeft twee gespreide armen nodig om de hoeveelheden aardappels aan te duiden die iedere dag geschild moesten worden, door de dienstdoende corveeër. Wie denkt dat zo'n groot gezin vooral heel gezellig is, oogst bij de Ronteltaps onbegrip.
Ursmar en André hadden allebei vriendjes in de straat en speelden ook eindeloos op straat. André kan je nog feilloos alle sluiproutes uittekenen door de tuinen van de Terborchstraat, de Venestraat en de Oosterlaan om aan oom agent te ontkomen. Het was in die tijd een kinderrijke buurt en de Hogenkamps (Oosterlaan) Frans Willigenburg en Wim Holvast waren dikke vrienden van André. Ursmar trok veel op met Gerrit van Maanen en Flip Holvast.



Henk Ronteltap was leraar lassen, vuur- en plaatwerken ('smeden') aan de Ambachtsschool op de hoek van de Mimosastraat en de Hortensiastraat. In dat gebouw was de Machistenschool ook geïntegreerd en bovendien stonden er barakken tegenover de school waar de U.T.S. inzat en ook aan de leerlingen van die school gaf Ronteltap les. De U.T.S. is later naar nieuwbouw aan de Blaloweg verplaatst.



Ronteltap had de bijnaam De Beul. De eerste verklaring die ik daarvoor te horen kreeg was uitermate cynisch en terecht kwam André daartegen in het geweer. Ronteltap zou die bijnaam te danken hebben aan een onbegrijpelijke wreedheid, namelijk een onwillige leerling mores te hebben willen leren door hem te dwingen een heet stuk ijzer aan te pakken.


Nu was Ronteltap beslist hardhandig en hij zag er zeker ook niet tegenop om ongeconcentreerde leerlingen die werktuigen en gereedschappen op domme manier hanteerden met een hengst op andere gedachten te brengen. Maar zijn bijnaam had toch iets van ontzag voor zijn geweldige postuur en zijn kracht. De zware hamers die hij hanteerde imponeerden zijn leerlingen.
Frits van Schubert, Venestraat 2, die de school bezocht en les kreeg van Ronteltap bevestigt dat De Beul indruk maakte met zijn gestalte en zijn kracht. En ja, ook hij heeft ooit een dreun van deze leraar gehad.
Ronteltap had een Harley Davidson, bijgenaamd de Blauwe Engel. men zou kunnen zeggen een beul van een motor. Toen hij de motor wilde verkopen om er een auto voor in de plaats te kopen, mocht geen van zijn zoons de motor overnemen, eenvoudig omdat zijzelf daarvoor te licht en de motor te zwaar was.
In de achtertuin van Venestraat 23
Een goede leraar, vertelt Frits, maar niet een type om mee te discussiëren. En dat bracht Ronteltap wel eens in een moeilijker parket. Dan deed zich een incident voor. André geeft er een voorbeeld van. Op een door de school georganiseerde open dag is het leslokaal vol nieuwsgierige bezoekers, vooral leerlingen die hun ouders willen laten zien wat zij leren. Om stoer te doen geeft één van die leerlingen de pneumatische hamer een dot gas. Dat levert direct gevaar. Ronteltap, hoewel een tikje doof, hoort dat soort geluiden direct en pakt de onvoorzichtige leerling in zijn nekvel en wil hem buiten het lokaal zetten. Maar dan protesteren de ouders en komen op hoge poten op hem af. "Bent u de ouders van dat jong?". En toen zij dat bevestigden  heeft Ronteltap hen het klaslokaal, met medeneming van de zoon, doen verlaten.
.

Een verhaal dat moeilijk te verifiëren is vertelt Ursmar. Ursmar is panisch voor open vuur. Niet gek, zou je denken, voor de zoon van een smid. Gekker voor iemand die als chef-kok voor hete vuren staat.Maar de verklaring is volgens Ursmar dat hij als zuigeling uit een brandend huis is gered. Dat herinnert hij zich helemaal niet, maar die onredelijke paniek kent hij heel goed. Later heeft zijn zus Lies hem verteld dat zij het was die hem uit het brandende huis heeft gehaald. Het behoort niet tot de canonieke verhalen van de familie, want André had het nog niet eerder gehoord.

Was deze brandschade soms de aanleiding om te verhuizen naar de Venestraat? Is niet bekend. Ursmar vertelt dat de Vereniging Kinderzorg het pand in de Venestraat al wel gekocht had maar het niet kon exploiteren en het daarom tijdelijk verhuurde, aan de familie Ronteltap. Daarmee zat de familie dan wel op de schopstoel want toen de Vereniging het pand na zeven jaar (1949 - 1957) alsnog opeiste, moest de familie verhuizen. Het kindertal was toen al behoorlijk uitgedund en een flat in de Antonie Heinsiusstraat volstond nu.

Een bijzondere familie. André heeft twee geweldige fotoboeken gemaakt waarin ook de Venestraat-periode prominent in beeld komt. Uit een beroemd lied van Boudewijn de Groot is de zin overgeleverd dat in de familiegeschiedenis "de plaatjes" blijven circuleren "die zo vals getuigen van een blijde jeugd". Waar of niet waar, en dat geldt natuurlijk voor alle familiealbums. Zoveel lijkt zeker, voor zachtzinnigheid en zoetsappigheid was hier geen plaats. Je moest voor jezelf opkomen en je had het wat dat betreft lang niet altijd gemakkelijk. Dat er vrijwel niet te onderhandelen was met één van de of beide ouders, is ook invoelbaar. Een treffend voorbeeld van de compromisloze maar noodzakelijke duidelijkheid in de huiselijke orde was het absolute verbod voor de jongens om boven op de meidenafdeling te komen.
Het zal geen bijzonder voorrecht zijn geweest om als kind in zo een groot gezin op te groeien, maar voor een buitenstaander is het hoe dan ook fascinerend hoe de vader en moeder het ervan af hebben gebracht.
Daar zullen de kinderen elk hun eigen antwoord op geven, ieder naar zijn eigen beleving.



 


vrijdag 14 maart 2014

HANS HUGEN van nr. 10 zoon van een kleermaker en een wijkverpleegkundige

De Venestraat in het verhaal van de familie Hugen op nummer 10.

Midden in de oorlog wordt Hans geboren, augustus 1943. Hans Hugen de oudste zoon van de familie Hugen. Hans had één ouder zusje, Thea, en een jongere broer Koos. De drie kinderen zijn in de Venestraat geboren, waar vader en moeder Hugen zijn gaan wonen bij hun trouwen, in 1941. Zij zijn laat getrouwd en kregen hun kinderen toen zij zelf begin veertig waren. 

























De heer Hugen was een zeer gewaardeerd kleermaker, die niet alleen andermans ontwerpen realiseerde maar liever ook zelf ontwierp. Samen met zijn broer had hij een atelier in de Walstraat, nummer 60, waar grootvader Hugen ook reeds kleermaker was. De Gebroeders Hugen hadden hun opleiding genoten in Parijs en Londen en daarvan werd in hun briefhoofd melding gemaakt.
Toen de Hugens naar de Walstraat 26 verhuisden, woonde daar ook grootmoeder Hugen en de broer-compagnon Hugen.
Die verhuizing was ingegeven door de zorg over Hans' gezondheid. Op Venestraat nummer 10 stond er vrijwel steeds water in de kelder. Er was namelijk achter het souterrain, waar de keuken was en gegeten werd, nog een kelder waarvoor je een paar treden af moest. Daardoor heerste er in het huis een permanente vochtigheid waardoor Hans veel last had van benauwd.  Een half jaar lang moest hij in de gezonde lucht van Egmond aan Zee, naar een kinderkolonie: aansterken bij Sint Joseph. Bij de nonnen. Hij zat in derde klas en is dat half jaar niet één keer thuis geweest. Zijn ouders zijn hem "zo nu en dan eens" komen opzoeken. Nee, dat was geen pretje, verschrikkelijk was het: die heimwee. En toen hij terugkwam was de grootste teleurstelling dat hij naar de tweede klas werd teruggezet en bovendien kwam de astmatische aandoening ook weer terug. En toen op deze manier duidelijk werd dat hij last had van de vochtigheid in dat huis, is de familie verhuisd naar de Walstraat. Eerst naar nummer 60 en later naar het royalere pand op nummer 26.










Thea, Hans en moeder Hugen in de Venestraat

Op alle foto’s van de heer Hugen in het familiealbum van Hans springt direct zijn klasse in het oog. Hij was niet alleen een knappe man, met een prettige rustige oogopslag, maar zijn ‘aankleding’ maakte als het ware reclame voor de kwalitatief hoogwaardige zaak.
Ook de foto van de beide broers op ski’s in Zwitserland, begin jaren dertig, waarheen zij waren gereden op een Harley Davidson illustreert hun succes.
Mevrouw Hugen was ook een bekende Zwollenaar en werd gewaardeerd als zuster Boensma, wijkverpleegkundige en tevens vroedvrouw. Overigens is die na haar trouwen een winkel in lingerie en foundation begonnen, in de Luttekestraat, nummer 9: Maison Renomme, van 1957 tot 1965. Daar zit nu modemagazijn Eva. Hans heeft daar nog met zijn familie gewoond, komende uit de Walstraat en vóór hij op z’n 21 op kamers ging omdat zijn moeder, weduwe geworden, naar Haarlem verhuisde.
Op de trouwfoto van Hans' ouders zijn de heer en mevrouw Pas te zien, met hun dochter Suze als bruidsmeisje te zien. De familie Pas woonde op nummer 12a, met nog twee dochters. Marijke was de middelste en bracht de kleine Hans naar de kleuterschool en later  de Aloysiusschool. Willeke was de jongste. De vriendschap van deze twee families zal  van vóór de Venestraat dateren. 




De heer Hugen is 67 geworden, geboren in 1898. Hans was dus 21 toen hij kwam te overlijden, in 1965.
Hans’ moeder was 96 toen zij stierf, in het Zonnehuis in Zwolle, maar Hans kan het geen ‘gezegende’ leeftijd noemen omdat zij een jaar of vijf aan Alzheimer heeft geleden en hem tenslotte niet meer herkende.

Toen in 1957 de verhuizing naar de Luttekestraat in volle gang was, leuk detail, heeft hij gelogeerd in het huis waar wij nu zitten te praten, bij de heer Dijkstra en tante Roelfje, Venestraat 14. Hans heeft nog een duidelijk beeld hoe het er hier toen uitzag: vóór de praathoek met stoelen in de rondte, de schuifdeuren, in het midden de eetkamer en dan achter, aan de tuinkant, ook weer met deuren, de serre. Via een houten trap kwam je dan in de tuin, met links twee schuurtjes en daarachter of daarnaast een prachtig kippenhok.
En de goede betrekkingen met de Dijkstra’s bleken nog eens toen de heer Dijkstra naar de huwelijksreceptie van Hans in 1968 kwam.  

Jochie van vijf
Tot de mooie jeugdherinneringen behoort het kijken op het station naar de machtige stoomlocomotieven. Hij kreeg een dubbeltje voor een perronkaartje en kon dan eindeloos blijven kijken op het station naar vrolijke mensen en machtige machines. Stoom was niet vies, zegt Hans, maar zat er dan geen roet in de lucht; er werden toch kolen gestookt om de ketel op stoom te houden? Maar je hoorde de bewoners van de Venestraat in elk geval niet klagen over rook, stoom of roet van het station. De activiteiten van het station waren toch onvermijdelijk.
Trouwens de fabriek van Klinkert heeft ook geen sporen nagelaten in de memorie van Hans, en dus ook niet van luchtverontreinigende hinder van de bedrijfsactiviteiten.
Het was een soort magisch moment als in de voorbereiding van de jaarlijkse veertiendaagse vakantie naar Schoorl de fietsen naar het station gebracht werden door Hans met zijn vader, om te worden verstuurd. Op een groot karton stonden afzender en bestemming. De familie Hugen had het duidelijk goed.
Ja, er werd uitbundig gespeeld op straat. Maar het vijfjarige jochie was verlegen en durfde zich niet spontaan in te voegen. Tot er een meisje kwam vragen of hij met haar wilde spelen toen hij op de treden van zijn portiek zat toe te kijken. Tja, wie zou dat geweest kunnen zijn. En met een mooie glimlach bekent Hans dat hij er nog steeds blij van wordt als hij aan haar en haar uitnodiging denkt. En ja, hij is gaan met haar gaan spelen.

De buurt
Boven woonde de Deimannen, toen nog in de fase van de oude mevrouw Deiman met haar kostgangers had. Het gezin met jonge kinderen heeft Hans niet meegemaakt. Hoewel, - hij ziet de heer Deiman voor zich in het uniform van een PTT postbesteller. Dan brengt hij tante Thiebout, buurvrouw op nummer 8, ter sprake en ook die heeft nog steeds een bijzonder warm plekje. Zij werd kennelijk vertederd door de kleine Thea, want zij vroeg de peuter binnen om een kopje thee te drinken.  
Frans Willigenburg, van de overkant, was een paar jaar jonger, maar van zijn ouders heeft Hans nog wel een beeld. Ook weer heel aardige mensen. De heer Willigenburg was aanvankelijk vertegenwoordiger en later examinator rijexamens. Een gekende figuur in de straat was ook Ronteltap, leraar smid aan de ambachtsschool. Met een zoon zat Hans op de Aloysiusschool, maar bevriend waren zij niet zo. Groenteboer Bolleman, die dagelijks enkele klanten in de straat bediende, had een hondenkar. Heel zielig, vonden de meeste kinderen in de straat die trekhond.
De familie Vahrmeijer trekt in 1953 in het dan door de Hugens verlaten pand. Hoe weet Hans nu nog dat die Vahrmeijer een verfgroothandel aan de Koestraat heeft? Nu, eenvoudig omdat hij de heer Vahrmeijer halverwege de jaren zestig  weer tegenkomt in de Prins Hendrikstraat. Deze woont samen met mevrouw Boele en verhuurt kamers verhuurt, aan Hans.
De selectiviteit van een toch goed geheugen als dat van Hans is des te opmerkelijker als je bedenkt wat er niet is opgeslagen: de buren aan de andere kant, Van de Waart, (“was dat niet een lange man?”), de banketbakker van der Lippe en kapsalon Rie de Wilde (“ja vaag”).

Thea
Hans vraagt zich regelmatig af wat er van Thea zou zijn geworden en hoe zij er in de loop van de tijd uitgezien zou hebben als zij niet in haar peutertijd gestorven zou zijn aan een hersentumor; zij was nog slechts 2½. Wat een mooi kind was het als je zo naar haar foto kijkt. 
Op 9 februari 1945  moeten vader en moeder in allerijl naar het ziekenhuis vanwege de doodzieke Thea. Zij wordt geopereerd. Haar schedel wordt gelicht om de tumor te verwijderen, maar de operatie mislukt en zij sterft. In de verwarring blijft Hans in de box voor het raam alleen achter. Er is iets aan de hand op het Stationsplein. De Duitsers, het was februari 1945? Een vliegtuigaanval? Paniek? Wat deed het ertoe? Toch hoort dat bij deze ‘herinnering’, het verhaal zoals zijn moeder het hem later heeft verteld. Iemand van de Oosterlaan heeft de kleine Hans uit huis, uit de box gehaald en meegenomen. De man van dat gezin deed iets in gokautomaten. Punt. 
Maar als het gaat om iemand die in gokautomaten deed, was dat dan niet de heer Sleeuw, uit de Venestraat?  Die hadden een half jaar eerder een kind gekregen, Henk, en waren de naaste buren in die tijd, op nr. 12. De familie Pas woonde daarboven. De heer Sleeuw was waarschijnlijk een zzp’er en adverteerde als de Automaten Centrale en verbouwde grammofoons om er een platenwisselaar aan te koppelen. Tien tegen één dat hij ook als monteur die gokautomaten te lijf ging. Zou betekenen dat het niet iemand van de Oosterlaan was, maar de buurman uit de Venestraat, wel zo logisch. Er gaat niet meer dan een petieterig lichtje branden (“jah”), maar het lijkt Hans al met al wel zo waarschijnlijk. Thea is altijd Hans' kleine zusje gebleven.
Trouwens, de Sleeuwen hebben er niet lang gewoond, namen een hotel over in Coevorden en doopten dat Sleeuwerick. Zij maakten plaats voor Van de Waart, een opzichter somehow.

Oorlog
Hans heeft nooit geweten dat er Joden in de straat woonden en is ontsteld als hij hoort dat er 14 Joodse medebewoners nooit meer teruggekomen zijn, vermoord. En zijn vader was echt wel anti-Duits en lag onder vloer als er een razzia of zo dreigde om arbeidskrachten op te pakken voor de Arbeitseinsatz. Toch wordt hij opgepakt, op straat, en dan gaat mevrouw Hugen met een Ausweis waarop zijn geboortedatum is vervalst, naar de Duitsers om haar man vrij te krijgen. En dat is gelukt. 
Toch heeft Hans nooit een woord gehoord over de verdwijning van de Joden uit de Venestraat. Wat zegt deze zwijgzaamheid? Verdringing van de pijnlijke onmacht, vermengd met de blijdschap als de oorlog voorbij is, wellicht. 

Op een goed moment, Hans’vader was 67, en de familie woonde in de Luttekestraat, lieten de Hugens een bungelow bouwen in Ommen. Maar vader Hugen stierf plotseling en moeder Hugen wilde de bungelow niet meer en heeft de onafgebouwde bungelow verkocht, het huis en de winkel in de Luttekestraat verkocht en is naar Haarlem verhuisd. Hans is toen op kamers gaan wonen. Niet in de Venestraat.
Meer dan 30 jaar was Hans  P en O-functionaris belast met de salarisadministratie bij de regio IJssel-Vecht, woont nog steeds in Zwolle en geniet van het leven.
.