Posts tonen met het label Schaad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Schaad. Alle posts tonen

dinsdag 18 maart 2014

AAN HET ROER IN HASSELT, ALLE HENS AAN DEK IN DE VENESTRAAT

Het verhaal van mevrouw Wegman-Bodewes, maar vandaag Hilly Bodewes.

Mevrouw Wegman-Bodewes is nogal gevallen, een blauw oog en een bijna zwarte arm getuigen van de smak. Zij wil ook eigenlijk niet op de foto want “zie er niet uit”.
’N klagerig type is mevrouw zeker niet. Ik bekijk alvast de foto’s die in groepjes door de kamer staan. De familie Wegman-Bodewes telt vier dochters, waarvan een tweeling, en een stel kleinkinderen; allen worden met gepaste trots fotografisch aan mij voorgesteld.
Ondanks de val en het nog niet zeer lang geleden verlies van haar man, luitenant-kolonel b.d. van de artillerie, oogt mevrouw die ik in het kader van dit relaas Hilly (1927) zal noemen, monter en vitaal. Het zal in de geest van de clan van de Bodewessen zijn, de wijd vertakte familie van scheepsbouwers waarvan de bakermat Martenshoek is, aan het oude Winschoterdiep.

De familie is in 1937 vanuit Hasselt naar de Venestraat gekomen: met vijf dochters en één zoon.
Vader Bodewes reed per auto naar Hasselt en weer terug. Een Ford. Het was de enige auto in de straat. Of misschien ook de Klinkerts. Enfin, toen de auto in de oorlog ingeleverd moest worden, ging vader met de bus naar de werf in Hasselt. En toen de bussen niet meer reden zijn we met z’n allen –aan het eind van de oorlog- weer tijdelijk terug naar Hasselt gegaan.

Eens in de veertien dagen reed vader Bodewes naar Martenshoek. Hij was aanvankelijk een soort filiaalhouder en moest eens in de veertien dagen per automobiel verantwoording afleggen aan de hoofddirectie in Martenshoek. Hilly herinnert zich dat haar vader regelmatig terugkwam met het verhaal dat hij onderweg weer iemand het kanaal in had zien rijden. Rijlessen en rijbewijzen moesten nog worden uitgevonden.
Vanuit de Venestraat is de familie later, in 1951, naar de Eekwal verhuisd en daar woont mevrouw Jeanet Bodewes-Kroese, schoonzusje van Hilly en de weduwe van Herman, nog steeds.
Weduwe, want Hilly's broer Herman (1928), die de scheepswerf in Hasselt van zijn en Hilly's vader had overgenomen, is jong overleden op z’n 70ste. Terugblikkend vertelt Hilly dat het niet van harte was dat Herman het roer op de werf overnam. Zijn hart lag ergens anders. Maar de familietraditie wilde het.

De nu bekende Nederlandse Thecla Bodewes, is Hermans dochter, zij nam de zaak na enige tijd over. Bij zijn leven heeft vader Herman zich daar aanvankelijk tegen verzet en stuurde haar naar Frankrijk. Maar Thecla had de scheepsbouw als vaste doel in haar hoofd en kwam na een jaar terug.
Sigrid Bodewes die ik ken van het kabinet van de Commissaris des Konings in het Provinciehuis, blijkt warempel ook een dochter van Herman, Thecla’s zusje.
Hilly kondigt een boek aan dat momenteel geschreven wordt over de 200-jarige geschiedenis van de scheepsbouw der Bodewessen in 2016, waarvan zij zelf een kleine eeuw van nabij heeft meebeleefd. 



Oudste zus Agaath (1925) heeft het ook niet gemakkelijk gehad. Zij verloor haar zoon die amper zijn vliegeniersopleiding in Eelde afgerond, dodelijk verongelukte, mogelijk door toedoen van wilde capriolen van zijn meevliegende schoonvader die gezagvoerder was bij de KLM en ook de dood vond.
Vóór haar trouwen was Agaath apothekersassistente, in Het Witte Kruis in de Diezerstraat, een oogverblindend Jugendstil-pand.
Hilly heeft haar gymnasiumdiploma gehaald aan de Veerallee, maar is niet gaan studeren.  Tandartsassistente is zij een aantal jaren vóór haar trouwen geweest. Daartussen werd Hilly –bizar- gestuurd naar de huishoudschool - met het pontje over naar de Emmastraat-  omdat haar vader in het geheel geen fiducie had in de huishoudelijke kwaliteiten van zijn dochter 'want je kunt nog geen aardappel koken'. “Ik heb er heel veel geleerd!”.  Juffrouw Wormgoor heeft Hilly het huishouden geleerd en zij is er oprecht dankbaar voor, maar verder was die school ver onder haar waardigheid. Dat je daar ook een soort management-applicatie kon doen, vergoedde iets. Een vriendin uit die tijd en van die school is bijvoorbeeld directrice van een bejaardenoord geworden.
Hilly noemt zichzelf een ‘echt vaderskind’,  stapel op haar vader. Een zeer royale man,  zonder uitgesproken liefhebberijen maar met veel aandacht voor zijn werk en zijn gezin, en actief in de Rooms-Katholieke kerk. Aan de sinterklaascadeautjes merkten de kinderen of het goed ging in de scheepsbouw of dat er magere jaren waren aangebroken.


Vader met z'n onafscheidelijke sigaretje en Hilly en Herman, die vader nadoen met hun handen tussen hun knieën, vier jaar voor de verhuizing naar Zwolle

In de Buitensociëteit heeft Hilly haar man leren kennen en na haar trouwen woonden zij in Assen schuin tegenover de artilleriekazerne.
Herman was de derde en is in zijn vaders voetsporen getreden en zwaaide tot zijn dood de scepter op de werf in Hasselt.  
De bezoeken over en weer van de familie Bodewes en de familie Smit (van de Opel-garage aan de Ceintuurbaan) leidde ertoe dat Bep Smit ‘onze Herman’ probeerde in te palmen, maar zijn grote liefde was Jeanet Kroese. Hij is ook met haar getrouwd, waarbij de barrière met het gereformeerdendom overwonnen moest worden, met de kracht van de liefde. Hilly laat in het midden of haar vader deze liaison heeft geaccepteerd. Haar moeder in elk geval wel.
Het vierde kind in de rij is Toos, die met Ben Röben is getrouwd. Dat is voor veel Zwollenaren bekende kost, want de uit Groningen afkomstige, ook stevig roomse Röbens hadden niet alleen een textielfabriek aan de Oosterlaan, overgenomen van de Zwolse textielfabrikant Bódewes (geen familie van de Bodéwessen uit de Venestraat), maar ook een grote winkel voor damesmode in de Diezerstraat. 
Die fabriek aan de Oosterlaan is tragisch genoeg ten prooi gevallen aan zielloze nieuwbouw voor Bartiméus die zich bekommert om blinden en slechtzienden.
Toos trof ook het gemelijke lot om naar de huishoudschool gestuurd te worden nadat zij de MULO had gedaan. Haar levenswerk was de zorg voor haar oudste kind, Wimke, die een ernstige verstandelijke handicap had. 
Jo-Wil heeft een opleiding gedaan in de sfeer van kinderverzorging, en woont in Nieuw-Zeeland. De jongste was Tobien. Zij werd onderwijzeres, tót haar trouwen.

Tobien met Hilly's dochter Saskia

Hilly is het meest benieuwd wat er van Elsje Hibbel is geworden en van Marietje Schaad.
Elsje is de eerste die Hilly te binnen schiet. Die had een vriend en dat was een bekende, goede voetballer, Piet Vogelzang, was. Dat vond ik wel interessant. Daar is zij ook mee getrouwd. Piet is later voetbaltrainer geworden, onder andere bij P.E.C.
Dan de familie Schaad, zowel Hans als zijn jongere zus Marietje Schaad, die bij Hilly op het gymnasium zat. Maria Aleida (1926) studeerde ook geneeskunde en trouwde met ene Verbrugge en zij werd huidarts in Enkhuizen.
Hewin Langemeijer, de buurjongen had een oogje op de oudste zus van Hilly, Agaath, een kunstzinnig meisje. Maar eigenlijk was Hilly weer een beetje verliefd op hém: was een héle leuke vent, hoor. Zij beschrijft de consternatie als Hewin Agaath van school komt halen.
Heins zusje Nini Langemeijer had zangles en zong altijd, ook toonladders en dan deed Hilly’s broer Herman dat heel goed maar plagerig na. Zij weet dat ook Nini Langemeijer  medicijnen gestudeerd heeft en ook met een arts getrouwd is. Haar heeft het wrede lot getroffen een dochtertje te verliezen.
Hewin Langemeijer heeft in Delft gestudeerd en in Zuid-Amerika gewerkt, graaft Hilly in haar geheugen. In 1951 is hij afgestudeerd als mijningenieur, zie ik in een oude krant, en hij heeft gepubliceerd in het  geologisch vaktijdschrift Grondboor en Hamer.
Hij klinkt oud en broos aan de telefoon vanuit zijn woonplaats Zutphen als ik bel om ook met hem te mogen spreken..
Hilly grinnikt bij de herinnering dat de heer Langemeijer  ruzie kreeg met de bisschop. Hilly’s vader schudde zijn hoofd toen die vernam dat de heer Langemeijer verstrekkende rigoreuze consequenties had verbonden aan de bonje: hij verliet de kerk. Maar de heer Langemeijer stond overigens te boek als een heel aardige, beschaafde man en zeker geen querulant.
Na Langemeijer die naar de Veerallee verhuist, wordt de opvolger van Langemeijer als hoofd-iungenieur directeur van Rijkswaterstaat de heer Kleinjan met vrouw en kinderen de nieuwe buren. Met een dochter zit Hilly op het gymnasium.
De buren aan de andere kant waren onder andere de meisjes van het Emma Meisjeshuis. Die zongen aldoor psalmen! En daardoor kent Hilly ook nog steeds heel wat van die psalmen. Als ik ‘Nederland zingt’ op de televisie tegenkom, kan ik zo meezingen. Dokter Stas moet eens te meer van dat gezang genoten hebben want die woonde daaronder. Stas was al een stuk ouder, veronderstelt Hilly. Hij heeft zich minstens één keer nogal opgewonden, namelijk toen de hond van de Bodewessen het poesje van dokter Stas te grazen nam, met fatale afloop. Om dat dit drama zich in de tuin van de Bodewessen afspeelde en de hond derhalve op zijn eigen territor was en het poesje vreemdging, wilde vader Bodewes niet horen van dokter Stas’ boze verwijten over het agressieve optreden van de hond.
Koekjes bij Van der Lippe en veel pindakaas bij de dames Boxman, net om de hoek in de Hertenstraat. Pindakaas was toen net in de mode en de familie Bodewes joeg er per dag een hele pot door.
De familie Klinkert, van de verffabriek. Hij was een heel aardige man, maar zij was een Duitse. Met die familie hadden we eigenlijk geen contact. Hij was een aardige man, maar zij een stuk stroever en dat werkte belemmerend.. Vader Bodewes was en bleef bovendien sterk geörienteerd op Hasselt waar de scheepswerf was waar hij aan het roer stond. Hier in Zwolle waren Hilly’s ouders vooral bevriend met de hotelfamilie Wientjes, praktisch om de hoek, de familie Reijnen (de mannen kenden elkaar van de kostschool)  en de Smitten van de Opel-garage. 
De dames Van der Moolen waren ook toen al eerbiedwaardige dametjes.
Mevrouw Pas lijkt de verbindende schakel met het verhaal van Hans Hugen. Hilly herinnert zich de schok van het plotse overlijden van  de heer Pas, september 1943. Dat bericht bracht de oudste dochter met de paniek in haar ogen. Suze Pas, bruidsmeisje bij het huwelijk van de Hugens, is net iets ouder dan Hilly. Had mevrouw pas ook een dochter Agnes die trouwde en naar Brabant vertrok? Hans Hugen vermeldt niet zo een dochter niet. De dood van een zoontje in de familie Pas evenmin. Maar in zoverre kan het dan wel weer kloppen dat op de steen van het familiegraf van de familie H.B. Pas een dochtertje Geeske wordt vermeld die twee-en-een-half  jaar geworden is (1935-1938).
 Vader Bodewes liet zijn pakken maken door de vader van Hans Hugen in de Walstraat. Ja, dat was een vooraanstaande kleermaker.
'Adam heeft pukkeltjes op z’n buik', was een spotlied dat de kinderen Bodewes zongen aan het adres van een zekere Adam die in de buurt woonde. Vooral als hij langsliep. Maar wel vanaf de veilige schommel op zolder.  Jammer, nadere details kan Hilly niet meer bovenbrerngen over deze Adam. Wel dat hij getrouwd was en een vrouw had.
Brengt ons op het openlucht zwembad. Nou, daar had de familie een abonnement en was daar zeer regelmatig te vinden. Hele dagen zaten ze in het zwembad. Heerlijk. Alle kinderen haalden daar hun diplomas. Zoals voor zoveel Zwollenaren was het Engelse werk de logische bestemming voor de zondagse fietstocht.
Van de oorlog herinnert Hilly zich niet veel. Niet van canadezen die in de straat bivakkeerden en niet van de weggevoerde Joden. Eén vage herinnering: een meisje met een grote gele ster op uit de Oosterlaan nam een soort afscheid van de kinderen waarmee zij speelde met de aankondiging dat zij “vanmiddag op reis gingen”. Hanna Anholt? Maar die was toen nog geen zes. Wel net zo oud als Hilly's jongste zus Jo-Wil.
Hilly Bodewes beleefde de tijd in de Venestraat als een mooie, speelse  tijd ondanks dat het daar middenin vijf jaar oorlog was. dat moet een groot compliment aan haar ouders zijn die zelfs een gevoelig en intelligent kind als Hilly konden beschermen tegen angst en honger.


dinsdag 15 oktober 2013

Naschrift Familie SCHAAD, met sneeuwballen

In mijn tekst over de familie Schaad (Venestraat 8, later Venestraat 19) had ik al te ondoordacht een opgave van een genealogische website voor waar aangenomen. Op die website wordt het echtpaar Schaad drie kinderen toegedicht. Hoewel ik er maar twee kon thuisbrengen. Mogelijk is een kind jong overleden, dacht ik. In die dagen werd kinderen meestal niet verteld dat er zich ook nog een catastrofe met een jong gestorven broertje of zusje voorgedaan had.
Maar Joanna Schaad, kleindochter, heeft mij geschreven dat er uit het huwelijk van haar grootouders twee kinderen zijn geboren.

Met dank aan haar en haar tante deze prachtige foto van de dochter des huizes, sneeuwballend in de tuin van Venestraat 19.
Aandoenlijk vind ik niet alleen de schietgaten van het sneeuwfort maar toch vooral de vlag.
Net als haar broer is zij arts geworden.


zondag 13 oktober 2013

Staatsspoor ingenieur CRANS sterft jong

Marius (Hendrik) Crans trouwt laat. Hij is al 35 als hij in 1915 in het huwelijk treedt met de vier jaar jongere Bertha (Johanna) Boddé.
Zij zijn de eerste bewoners van Venestraat 25. Marius en Bertha krijgen er drie kinderen: Bertha in 1916, Marius in 1917 en Ida in 1919.

Er zijn nog maar weinig huizen bewoond. Mejuffrouw S. Cleef en mevrouw van Deventer bewonen 19 en 19a en wethouder van Gorcum, die ik hier al heb geportretteerd, woont boven de Cransen op 25a.
Aan de overkant zijn de nummers 16, 18, en 20 nog onbewoond en om dit gezelschap 'eerste bewoners' compleet te maken op nummer 2 woont de familie Helder, directeur van de biscuitfabriek NV E. Helder & Co (kom ik zeker nog op terug), een zekere Ghert van Wijk (weet ik nog eigenlijk niks van), de onderwijzer A.P. Vrijburg die op verschillende adressen in de Venestraat heeft gewoond, J.H. Schaad (over wie ik al uitvoeriger berichtte en die later woont op nr. 19), een zekere De Groot, handelsagent op nummer 10. Boven hem woont het gezin van Dugour, leraar aan de handelsschool. Naast hen op nummer 12 mevrouw Meinen en op 12a mevrouw Metz. En ook nummer 14 is dan net bewoond, door de familie Nijman, de exportslager uit Hardenberg over wie ik het ook al ruimschoots heb gehad.

Terug naar Crans. Marius Crans, geboortig in Den Haag, heeft in Delft gestudeerd en hij heeft daar zijn werktuigkundig ingenieursdiploma behaald in 1901.
Eén jaar later treedt hij in dienst bij de Mij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen als aspirant-adjunct-ingenieur. Je mag dan wel een mooi diploma hebben behaald, enige bescheidenheid is voor en jonkie wel zo gepast.
De centrale spoorwerkplaats, aanvankelijk in Breda, is zijn domein. Later heet dat de Dienst Tractie en Materieel en daarna de Dienst materieel en Werkplaatsen. Dan is Crans al opgeklommen tot ingenieur tweede klasse.
In 1913 krijgt Crans een overplaatsing naar Zwolle.
Waar hij dan zijn intrek weet ik niet, wel dat hij na zijn huwelijk in 1915 in de Venestraat gaat wonen. Hij is dan 35 en zal wel wat hebben gespaard.
In 1920 staat er in de courant dat M.H. Crans is bevorderd tot ingenieur der eerste klasse.
Vermoedelijk verhuist hij in 1923 naar de Oranje Nassaulaan.
Hij krijgt in 1928 een mooie bevordering en wordt afdelingschef in Utrecht. Hij gaat wonen in Bilthoven.

Maar dan slaat het noodlot toe en wordt een mooie loopbaan ruw gestuit. Crans was al langer ziekelijk en ziek. Je krijgt de indruk dat hij aan tuberculose leed. Op zijn 47 ste overlijdt Marinus Crans.



In een necrologie  in magazine De Ingenieur, 1928, nr. 39, wordt zijn loopbaan gedetailleerd weergegeven. Ook wordt beschreven hoe hij regelmatig ziek te bed lag en dan medewerkers en collega's thuis ontving om de technische complicaties  van het werk te bespreken en aanwijzingen dan wel advies te geven.
Hij was bescheiden en deskundig en daarenboven een 'voorbeeldig echtgenoot en vader'.


Centrale Werkplaats Zwolle 1 april 1932


Marius Crans was een beminnelijk mens. De necrologie eindigt met de woorden: "Want Marius Crans gaf aan zijn gezin -en daarnaast aan zijn vrienden- den schat eener schoone herinnering."

Het zou mooi zijn als we contact kregen met een kleinkind, al was het maar voor een foto van het gehele gezin in de Venestraat. Hun dochter Ida (uit 1919) zou nog in leven kunnen zijn, van haar oudere broer en zus is een sterfdatum bekend.


Treinen van dit type werden in Breda en Zwolle geproduceerd in de periode 1901 - 1907. Foto van buurtspoorweg in Boekelo.




donderdag 10 oktober 2013

SCHAAD organiseert Pinkstercongres KNVV in 1939


Huize Eekhout: de heer Schaad aan het werk.


Met veel dank aan zijn dochter en kleindochter

J.H. Schaad, Venestraat 19 (en eerder Venestraat 8) is een enthousiast lid van de zeer actieve Koninklijke Natuurhistorische Vereniging, opgericht in 1901, de KNVV.
In 1913 wordt het meerdaagse Pinkstercongres in Zwolle gehouden en Schaad leidt het organisatiecomité.

Hij neemt ook twee artikelen voor zijn rekening in NATURA, het magazine van de vereniging, ter voorbereiding van het congres.

Dit is de eerste

J. H. Schaad • Zwolle

Een en ander over de ligging van Zwolle en haar
beteekenis in de middeleeuwen.

De waterstaatkundige toestand van Salland in den tijd, dat Zwolle ontstond, verschilt geheel en al met wat thans paradoxaal lijkt, het breede Zwarte Water als voortzetting van eenige weteringen, waaronder er slechts één is, die bij droge zomers voldoende water houdt.
Deze Sallandsche weteringen stroomen eerst westwaarts, buigen plotseling scherp noordwaarts, om tot één vereenigd en gekanaliseerd als Almelosche kanaal het Zwarte Water te bereiken.
Aangenomen wordt, dat zij in den benedenloop oude IJselbeddingen volgen, overgebleven geulen van den eens zoo breeden IJsel. Op geringen afstand van de meest oostelijke, de Nieuwe Wetering, vertoont het terrein bij het station Laag-Zuthem een steilwand, de natuurlijke grens van een rivierbed.
Ten westen van de stad ligt een breede terreinstrook tot eenige . meters diepte uit klei, waaronder veen, bestaande. In verband met wielen bij Oldeneel wijst dit op een vroegere rivierafm, dïe ten W. van Zwolle naar het Zwarte Water liep.
Ook ten oosten van de stad, tusschen de hierna te noemen Oosterenk en de zandgrond van de buurtschap Herfte, ligt een dikwijls drassig grasland, overblijfsel van een verlaten rivier.
Van Baren construeerde een vroegeren loop van de Vecht langs de Radewijkerbeek tot bezuiden Eerde. Vandaar zuidwestwaarts langs "het zuiden van Heino ligt over een groote uitgestrektheid beekklei, die zich langs de Raalter Wetering voortzet. Langs dezen weg over een gedeelte van de Nieuwe- en ten slotte van de Marswetering laat zich een tak van de Vecht denken, die over het hierboven omschreven drassige grasland en langs een bed, waarvan de Westerveldsche Aa een overblijfsel is, in het Zwarte Water viel.
In de aldus, te construeeren deltavlakte bleven deelen van het uit fijn zand bestaande laagterras droog, o.a. de bouwlanden in de nabijheid der stad aangeduid met de streeknamen: Oosterenk, Diezerenk, Lure en Assendorp en het hoogste deel der oude stad: Sassenstraat, Groote Markt, Voorstraai, Ossenmarkt, waar de
zandbodem tot het straatniveau stijgt. Op deze vruchtbare zandgronden vestigden zich in de 4e en 5e eeuw onzer jaartelling Friezen, veehoudende landbouwers, (schapenteelt). Groote deelen dier bouwakkers onmiddellijk om de stad zijn in onze eeuw aan de stedelijke bebouwing ten offer gevallen.
Verder afgelegene zijn, toen bemaling den waterstand regelde, afgegraven en voor ophooging van straten en bouwterrein naar Zwolle vervoerd.
Uit een botanisch oogpunt is dit te betreuren. Een kwarteeuw geleden kon men aan den rand der bebouwing, langs de akkers vaak een of andere bijzonderheid ontdekken.
Na deze uiteenzetting volge iets over het ontstaan der stad.

Na een kort intermezzo van Saksische heerschappij, werden de Franken meester des lands; zij dwongen in 809 de Friezen en Saksen het Christendom te aanvaarden.
Al spoedig was ter plaatse van de tegenwoordige Groote Kerk of St. Michaëlskerk een steenen kapel gebouwd. (1)
De landen kwamen als leen onder het wereldlijk bestuur van den Bisschop van Utrecht in 1086.
Inmiddels had de bevolking zich ook op den handel toegelegd, zij trokken zoowel naar Zeeland en Vlaanderen als naar Duitschland.(2) Evenals de landelijke bevolking had ook de Bisschop vaak twisten met de landedelen, waarbij de bevolking hem steunde. (3) Als belooning verkreeg de marke Zwolle van Bisschop Willebrand op 31 Augustus 1230 stadsrecht. (4) Een gedeelte van de marke werd van een omwalling voorzien en zoo groot was de toevloed van bewoners, dat nog in dezelfde eeuw de grens verlegd moest worden.
In den waterstaatkundigen toestand begonnen toen groote veranderingen op te treden. Stormen vergrootten het meer Flevo en sloegen gaten in de eertijds bijna aangesloten duinenreeks. Door opstuwing ontstond voor de landen waterbezwaar en gelijk overal elders in onze lage landen kwam men tot aanleg van dijken.
De landdag van Salland hield zich op de Claringe, d.i. zitting in. 1308 op den Spoolderberg bij Zwolle met het dijkwezen bezig en nog hetzelfde jaar gaf Bisschop Guy den dijkbrief voor den Sallandschen dijk.  Het neerleggen van rivierzand voor de monding der beschreven nevenrivieren — gelijk ook thans nog voor
die van de Vecht — had de verbinding met de rivier al ten deele verbroken;  de dijkaanleg sneed die geheel af en zoo ontstond de toestand van thans.
Zwolle lag zeer gunstig op den handelsweg van Bentheim met het westen. Nabij Zwolle-lagen 2 van nature geschapen overgangen van den IJsel. De hooge ruggen bij Oldeneel tegenover Hattem, vanwaar in Z.W. richting de Hessenweg naar Elburg voerde, en bij Zalk. (5) Zuidelijker dan Zwolle was de tocht moeilijker,
door de vele rivierarmen die doorwaad moesten worden, terwijl over den IJsel een onbewoonde zandige vlakte werd bereikt, ook weer doorsneden door waterloopen. Noordelijker stuitte men op veenen en moerassen.
De stad bleef zich uitbreiden; in 1384- werd de marke Dieze ten N. van de Aa gelegen, bij de stadsvrijheid gevoegd, waardoor naar die zijde de grens verlegd kon worden. Hiertoe werd de Kleine Aa gegraven. De thans aangebroken 15e eeuw zou de bloeiperiode der stad worden, gekenmerkt'door het oprichten van
groote gebouwen. (6)  Door aankoop in 1443 kreeg de stad een eigen veer, het Katerveer, over de rivier. 
Het geestelijk leven maakte, een groote ontwikkeling mede. (7) De welvaart nam toe. De drosten van Salland, Vollenhove en IJselmuiden hadden vaak hun woning in de stad. (8)
Nog eenmaal zou de stad voor haar toenemende bevolking genoodzaakt zijn haar ommuring te verleggen. Toen werd de gracht gegraven die thans' Thorbeckegracht heet, maar de handel verlegde zich, de oorlog met Spanje begon, met de bloei was het gedaan. 
De uitleg van 1577 tot 1606 geschiedde uit een oogpunt van landsverdediging en met hulp van de Generaliteit. De stad kreeg toen de zware aarden wallen met bastions volgens de bevestigingswijze van Maurits' veldheer Coéhoorn en van den vorm, die in de stadsgrachten bewaard is gebleven. Hiermede is dan de Nieuwe
Geschiedenis aangebroken.
Aangestipt zij nog, dat 31 Maart 1528 de band met den bisschop van Utrecht verbroken werd en Toutenburg als leenman van Karel V erkend, dat op het einde der 18e eeuw Zwolle tot open plaats werd verklaard, zoodat de vestingwerken geslecht konden worden, en ten slotte, dat in 1819 door de Willemsvaart een rechtstreeksche verbinding met den IJsel tot stand kwam.

AANTEEKENINGEN.
(1) Bekend is,- dat bij brief van 7 Dec. 1040 van bisschop Bernulf, de inkomsten er van werden toegewezen aari het Kapittel van de St. Lebuïnus van Deventer.
(2) In 1150 trof men hen aan op het Zwin; in 1220 beklaagden zij zich over de hooge tollen door de- Gelderschen te Lobith geheven.
(3) In 1223 slag bij Herculo tegen de heeren van Voorst en van Buckhorst; 1227 slag' in de venen bij Ane tegen Rudolf van. Coevorden, waarbij bisschop Otto III sneuvelt. Materieele hulp bij het opbouwen van het kasteel de Hardenborgh, als steunpunt tegen invallen der Drenthen.
(4) In 1930 feestelijk herdacht. Gedenksteen in de Sassenpoort. Het carillon " in den toren.
(5)1 Deze waren onderscheidenlijk eigendom.van den baron van Oldenneel en die van den Buckhorst.
(6) 1406—1464 St. Michaelskerk en toren ter plaatse van de kapel van dien naam; 1448—1450 het Stadhuis met toren en wijnhuis; 1463—1543 L. Vrouwekerk ter plaatse, waar reeds in 1395 een kapel was verrezen. 
(7) De school van Cele, waaraan het stedelijk Gymnasium Celeanum, zijn naam ontleent. 1465 vestiging van de "nye  broeders van de predickereorden buten Stihtespoerte bynnen stat vryhede" anders gezegd de Dominicanen of Predikheeren.
(8) Het gebouw op de Melkmarkt, waarin het museum van de Ver. tot beoef. van Overijselsch Regt en Geschiedenis, was eertijds de woning van den drost Engelbert van Ensse.

Voor dit artikel is geput uit:
A. A". BEEKMAN.. Nederland als polderland.
W. R. ELBERTS. Historische wandelingen in en om Zwolle..
E. SOL. De stad Zwolle.
F. A. HOEFER. Verslagen en Mededeelingen der Ver. tot beoefening van Overijselsch Regt en Geschiedenis