dinsdag 18 maart 2014

AAN HET ROER IN HASSELT, ALLE HENS AAN DEK IN DE VENESTRAAT

Het verhaal van mevrouw Wegman-Bodewes, maar vandaag Hilly Bodewes.

Mevrouw Wegman-Bodewes is nogal gevallen, een blauw oog en een bijna zwarte arm getuigen van de smak. Zij wil ook eigenlijk niet op de foto want “zie er niet uit”.
’N klagerig type is mevrouw zeker niet. Ik bekijk alvast de foto’s die in groepjes door de kamer staan. De familie Wegman-Bodewes telt vier dochters, waarvan een tweeling, en een stel kleinkinderen; allen worden met gepaste trots fotografisch aan mij voorgesteld.
Ondanks de val en het nog niet zeer lang geleden verlies van haar man, luitenant-kolonel b.d. van de artillerie, oogt mevrouw die ik in het kader van dit relaas Hilly (1927) zal noemen, monter en vitaal. Het zal in de geest van de clan van de Bodewessen zijn, de wijd vertakte familie van scheepsbouwers waarvan de bakermat Martenshoek is, aan het oude Winschoterdiep.

De familie is in 1937 vanuit Hasselt naar de Venestraat gekomen: met vijf dochters en één zoon.
Vader Bodewes reed per auto naar Hasselt en weer terug. Een Ford. Het was de enige auto in de straat. Of misschien ook de Klinkerts. Enfin, toen de auto in de oorlog ingeleverd moest worden, ging vader met de bus naar de werf in Hasselt. En toen de bussen niet meer reden zijn we met z’n allen –aan het eind van de oorlog- weer tijdelijk terug naar Hasselt gegaan.

Eens in de veertien dagen reed vader Bodewes naar Martenshoek. Hij was aanvankelijk een soort filiaalhouder en moest eens in de veertien dagen per automobiel verantwoording afleggen aan de hoofddirectie in Martenshoek. Hilly herinnert zich dat haar vader regelmatig terugkwam met het verhaal dat hij onderweg weer iemand het kanaal in had zien rijden. Rijlessen en rijbewijzen moesten nog worden uitgevonden.
Vanuit de Venestraat is de familie later, in 1951, naar de Eekwal verhuisd en daar woont mevrouw Jeanet Bodewes-Kroese, schoonzusje van Hilly en de weduwe van Herman, nog steeds.
Weduwe, want Hilly's broer Herman (1928), die de scheepswerf in Hasselt van zijn en Hilly's vader had overgenomen, is jong overleden op z’n 70ste. Terugblikkend vertelt Hilly dat het niet van harte was dat Herman het roer op de werf overnam. Zijn hart lag ergens anders. Maar de familietraditie wilde het.

De nu bekende Nederlandse Thecla Bodewes, is Hermans dochter, zij nam de zaak na enige tijd over. Bij zijn leven heeft vader Herman zich daar aanvankelijk tegen verzet en stuurde haar naar Frankrijk. Maar Thecla had de scheepsbouw als vaste doel in haar hoofd en kwam na een jaar terug.
Sigrid Bodewes die ik ken van het kabinet van de Commissaris des Konings in het Provinciehuis, blijkt warempel ook een dochter van Herman, Thecla’s zusje.
Hilly kondigt een boek aan dat momenteel geschreven wordt over de 200-jarige geschiedenis van de scheepsbouw der Bodewessen in 2016, waarvan zij zelf een kleine eeuw van nabij heeft meebeleefd. 



Oudste zus Agaath (1925) heeft het ook niet gemakkelijk gehad. Zij verloor haar zoon die amper zijn vliegeniersopleiding in Eelde afgerond, dodelijk verongelukte, mogelijk door toedoen van wilde capriolen van zijn meevliegende schoonvader die gezagvoerder was bij de KLM en ook de dood vond.
Vóór haar trouwen was Agaath apothekersassistente, in Het Witte Kruis in de Diezerstraat, een oogverblindend Jugendstil-pand.
Hilly heeft haar gymnasiumdiploma gehaald aan de Veerallee, maar is niet gaan studeren.  Tandartsassistente is zij een aantal jaren vóór haar trouwen geweest. Daartussen werd Hilly –bizar- gestuurd naar de huishoudschool - met het pontje over naar de Emmastraat-  omdat haar vader in het geheel geen fiducie had in de huishoudelijke kwaliteiten van zijn dochter 'want je kunt nog geen aardappel koken'. “Ik heb er heel veel geleerd!”.  Juffrouw Wormgoor heeft Hilly het huishouden geleerd en zij is er oprecht dankbaar voor, maar verder was die school ver onder haar waardigheid. Dat je daar ook een soort management-applicatie kon doen, vergoedde iets. Een vriendin uit die tijd en van die school is bijvoorbeeld directrice van een bejaardenoord geworden.
Hilly noemt zichzelf een ‘echt vaderskind’,  stapel op haar vader. Een zeer royale man,  zonder uitgesproken liefhebberijen maar met veel aandacht voor zijn werk en zijn gezin, en actief in de Rooms-Katholieke kerk. Aan de sinterklaascadeautjes merkten de kinderen of het goed ging in de scheepsbouw of dat er magere jaren waren aangebroken.


Vader met z'n onafscheidelijke sigaretje en Hilly en Herman, die vader nadoen met hun handen tussen hun knieën, vier jaar voor de verhuizing naar Zwolle

In de Buitensociëteit heeft Hilly haar man leren kennen en na haar trouwen woonden zij in Assen schuin tegenover de artilleriekazerne.
Herman was de derde en is in zijn vaders voetsporen getreden en zwaaide tot zijn dood de scepter op de werf in Hasselt.  
De bezoeken over en weer van de familie Bodewes en de familie Smit (van de Opel-garage aan de Ceintuurbaan) leidde ertoe dat Bep Smit ‘onze Herman’ probeerde in te palmen, maar zijn grote liefde was Jeanet Kroese. Hij is ook met haar getrouwd, waarbij de barrière met het gereformeerdendom overwonnen moest worden, met de kracht van de liefde. Hilly laat in het midden of haar vader deze liaison heeft geaccepteerd. Haar moeder in elk geval wel.
Het vierde kind in de rij is Toos, die met Ben Röben is getrouwd. Dat is voor veel Zwollenaren bekende kost, want de uit Groningen afkomstige, ook stevig roomse Röbens hadden niet alleen een textielfabriek aan de Oosterlaan, overgenomen van de Zwolse textielfabrikant Bódewes (geen familie van de Bodéwessen uit de Venestraat), maar ook een grote winkel voor damesmode in de Diezerstraat. 
Die fabriek aan de Oosterlaan is tragisch genoeg ten prooi gevallen aan zielloze nieuwbouw voor Bartiméus die zich bekommert om blinden en slechtzienden.
Toos trof ook het gemelijke lot om naar de huishoudschool gestuurd te worden nadat zij de MULO had gedaan. Haar levenswerk was de zorg voor haar oudste kind, Wimke, die een ernstige verstandelijke handicap had. 
Jo-Wil heeft een opleiding gedaan in de sfeer van kinderverzorging, en woont in Nieuw-Zeeland. De jongste was Tobien. Zij werd onderwijzeres, tót haar trouwen.

Tobien met Hilly's dochter Saskia

Hilly is het meest benieuwd wat er van Elsje Hibbel is geworden en van Marietje Schaad.
Elsje is de eerste die Hilly te binnen schiet. Die had een vriend en dat was een bekende, goede voetballer, Piet Vogelzang, was. Dat vond ik wel interessant. Daar is zij ook mee getrouwd. Piet is later voetbaltrainer geworden, onder andere bij P.E.C.
Dan de familie Schaad, zowel Hans als zijn jongere zus Marietje Schaad, die bij Hilly op het gymnasium zat. Maria Aleida (1926) studeerde ook geneeskunde en trouwde met ene Verbrugge en zij werd huidarts in Enkhuizen.
Hewin Langemeijer, de buurjongen had een oogje op de oudste zus van Hilly, Agaath, een kunstzinnig meisje. Maar eigenlijk was Hilly weer een beetje verliefd op hém: was een héle leuke vent, hoor. Zij beschrijft de consternatie als Hewin Agaath van school komt halen.
Heins zusje Nini Langemeijer had zangles en zong altijd, ook toonladders en dan deed Hilly’s broer Herman dat heel goed maar plagerig na. Zij weet dat ook Nini Langemeijer  medicijnen gestudeerd heeft en ook met een arts getrouwd is. Haar heeft het wrede lot getroffen een dochtertje te verliezen.
Hewin Langemeijer heeft in Delft gestudeerd en in Zuid-Amerika gewerkt, graaft Hilly in haar geheugen. In 1951 is hij afgestudeerd als mijningenieur, zie ik in een oude krant, en hij heeft gepubliceerd in het  geologisch vaktijdschrift Grondboor en Hamer.
Hij klinkt oud en broos aan de telefoon vanuit zijn woonplaats Zutphen als ik bel om ook met hem te mogen spreken..
Hilly grinnikt bij de herinnering dat de heer Langemeijer  ruzie kreeg met de bisschop. Hilly’s vader schudde zijn hoofd toen die vernam dat de heer Langemeijer verstrekkende rigoreuze consequenties had verbonden aan de bonje: hij verliet de kerk. Maar de heer Langemeijer stond overigens te boek als een heel aardige, beschaafde man en zeker geen querulant.
Na Langemeijer die naar de Veerallee verhuist, wordt de opvolger van Langemeijer als hoofd-iungenieur directeur van Rijkswaterstaat de heer Kleinjan met vrouw en kinderen de nieuwe buren. Met een dochter zit Hilly op het gymnasium.
De buren aan de andere kant waren onder andere de meisjes van het Emma Meisjeshuis. Die zongen aldoor psalmen! En daardoor kent Hilly ook nog steeds heel wat van die psalmen. Als ik ‘Nederland zingt’ op de televisie tegenkom, kan ik zo meezingen. Dokter Stas moet eens te meer van dat gezang genoten hebben want die woonde daaronder. Stas was al een stuk ouder, veronderstelt Hilly. Hij heeft zich minstens één keer nogal opgewonden, namelijk toen de hond van de Bodewessen het poesje van dokter Stas te grazen nam, met fatale afloop. Om dat dit drama zich in de tuin van de Bodewessen afspeelde en de hond derhalve op zijn eigen territor was en het poesje vreemdging, wilde vader Bodewes niet horen van dokter Stas’ boze verwijten over het agressieve optreden van de hond.
Koekjes bij Van der Lippe en veel pindakaas bij de dames Boxman, net om de hoek in de Hertenstraat. Pindakaas was toen net in de mode en de familie Bodewes joeg er per dag een hele pot door.
De familie Klinkert, van de verffabriek. Hij was een heel aardige man, maar zij was een Duitse. Met die familie hadden we eigenlijk geen contact. Hij was een aardige man, maar zij een stuk stroever en dat werkte belemmerend.. Vader Bodewes was en bleef bovendien sterk geörienteerd op Hasselt waar de scheepswerf was waar hij aan het roer stond. Hier in Zwolle waren Hilly’s ouders vooral bevriend met de hotelfamilie Wientjes, praktisch om de hoek, de familie Reijnen (de mannen kenden elkaar van de kostschool)  en de Smitten van de Opel-garage. 
De dames Van der Moolen waren ook toen al eerbiedwaardige dametjes.
Mevrouw Pas lijkt de verbindende schakel met het verhaal van Hans Hugen. Hilly herinnert zich de schok van het plotse overlijden van  de heer Pas, september 1943. Dat bericht bracht de oudste dochter met de paniek in haar ogen. Suze Pas, bruidsmeisje bij het huwelijk van de Hugens, is net iets ouder dan Hilly. Had mevrouw pas ook een dochter Agnes die trouwde en naar Brabant vertrok? Hans Hugen vermeldt niet zo een dochter niet. De dood van een zoontje in de familie Pas evenmin. Maar in zoverre kan het dan wel weer kloppen dat op de steen van het familiegraf van de familie H.B. Pas een dochtertje Geeske wordt vermeld die twee-en-een-half  jaar geworden is (1935-1938).
 Vader Bodewes liet zijn pakken maken door de vader van Hans Hugen in de Walstraat. Ja, dat was een vooraanstaande kleermaker.
'Adam heeft pukkeltjes op z’n buik', was een spotlied dat de kinderen Bodewes zongen aan het adres van een zekere Adam die in de buurt woonde. Vooral als hij langsliep. Maar wel vanaf de veilige schommel op zolder.  Jammer, nadere details kan Hilly niet meer bovenbrerngen over deze Adam. Wel dat hij getrouwd was en een vrouw had.
Brengt ons op het openlucht zwembad. Nou, daar had de familie een abonnement en was daar zeer regelmatig te vinden. Hele dagen zaten ze in het zwembad. Heerlijk. Alle kinderen haalden daar hun diplomas. Zoals voor zoveel Zwollenaren was het Engelse werk de logische bestemming voor de zondagse fietstocht.
Van de oorlog herinnert Hilly zich niet veel. Niet van canadezen die in de straat bivakkeerden en niet van de weggevoerde Joden. Eén vage herinnering: een meisje met een grote gele ster op uit de Oosterlaan nam een soort afscheid van de kinderen waarmee zij speelde met de aankondiging dat zij “vanmiddag op reis gingen”. Hanna Anholt? Maar die was toen nog geen zes. Wel net zo oud als Hilly's jongste zus Jo-Wil.
Hilly Bodewes beleefde de tijd in de Venestraat als een mooie, speelse  tijd ondanks dat het daar middenin vijf jaar oorlog was. dat moet een groot compliment aan haar ouders zijn die zelfs een gevoelig en intelligent kind als Hilly konden beschermen tegen angst en honger.


vrijdag 14 maart 2014

HANS HUGEN van nr. 10 zoon van een kleermaker en een wijkverpleegkundige

De Venestraat in het verhaal van de familie Hugen op nummer 10.

Midden in de oorlog wordt Hans geboren, augustus 1943. Hans Hugen de oudste zoon van de familie Hugen. Hans had één ouder zusje, Thea, en een jongere broer Koos. De drie kinderen zijn in de Venestraat geboren, waar vader en moeder Hugen zijn gaan wonen bij hun trouwen, in 1941. Zij zijn laat getrouwd en kregen hun kinderen toen zij zelf begin veertig waren. 

























De heer Hugen was een zeer gewaardeerd kleermaker, die niet alleen andermans ontwerpen realiseerde maar liever ook zelf ontwierp. Samen met zijn broer had hij een atelier in de Walstraat, nummer 60, waar grootvader Hugen ook reeds kleermaker was. De Gebroeders Hugen hadden hun opleiding genoten in Parijs en Londen en daarvan werd in hun briefhoofd melding gemaakt.
Toen de Hugens naar de Walstraat 26 verhuisden, woonde daar ook grootmoeder Hugen en de broer-compagnon Hugen.
Die verhuizing was ingegeven door de zorg over Hans' gezondheid. Op Venestraat nummer 10 stond er vrijwel steeds water in de kelder. Er was namelijk achter het souterrain, waar de keuken was en gegeten werd, nog een kelder waarvoor je een paar treden af moest. Daardoor heerste er in het huis een permanente vochtigheid waardoor Hans veel last had van benauwd.  Een half jaar lang moest hij in de gezonde lucht van Egmond aan Zee, naar een kinderkolonie: aansterken bij Sint Joseph. Bij de nonnen. Hij zat in derde klas en is dat half jaar niet één keer thuis geweest. Zijn ouders zijn hem "zo nu en dan eens" komen opzoeken. Nee, dat was geen pretje, verschrikkelijk was het: die heimwee. En toen hij terugkwam was de grootste teleurstelling dat hij naar de tweede klas werd teruggezet en bovendien kwam de astmatische aandoening ook weer terug. En toen op deze manier duidelijk werd dat hij last had van de vochtigheid in dat huis, is de familie verhuisd naar de Walstraat. Eerst naar nummer 60 en later naar het royalere pand op nummer 26.










Thea, Hans en moeder Hugen in de Venestraat

Op alle foto’s van de heer Hugen in het familiealbum van Hans springt direct zijn klasse in het oog. Hij was niet alleen een knappe man, met een prettige rustige oogopslag, maar zijn ‘aankleding’ maakte als het ware reclame voor de kwalitatief hoogwaardige zaak.
Ook de foto van de beide broers op ski’s in Zwitserland, begin jaren dertig, waarheen zij waren gereden op een Harley Davidson illustreert hun succes.
Mevrouw Hugen was ook een bekende Zwollenaar en werd gewaardeerd als zuster Boensma, wijkverpleegkundige en tevens vroedvrouw. Overigens is die na haar trouwen een winkel in lingerie en foundation begonnen, in de Luttekestraat, nummer 9: Maison Renomme, van 1957 tot 1965. Daar zit nu modemagazijn Eva. Hans heeft daar nog met zijn familie gewoond, komende uit de Walstraat en vóór hij op z’n 21 op kamers ging omdat zijn moeder, weduwe geworden, naar Haarlem verhuisde.
Op de trouwfoto van Hans' ouders zijn de heer en mevrouw Pas te zien, met hun dochter Suze als bruidsmeisje te zien. De familie Pas woonde op nummer 12a, met nog twee dochters. Marijke was de middelste en bracht de kleine Hans naar de kleuterschool en later  de Aloysiusschool. Willeke was de jongste. De vriendschap van deze twee families zal  van vóór de Venestraat dateren. 




De heer Hugen is 67 geworden, geboren in 1898. Hans was dus 21 toen hij kwam te overlijden, in 1965.
Hans’ moeder was 96 toen zij stierf, in het Zonnehuis in Zwolle, maar Hans kan het geen ‘gezegende’ leeftijd noemen omdat zij een jaar of vijf aan Alzheimer heeft geleden en hem tenslotte niet meer herkende.

Toen in 1957 de verhuizing naar de Luttekestraat in volle gang was, leuk detail, heeft hij gelogeerd in het huis waar wij nu zitten te praten, bij de heer Dijkstra en tante Roelfje, Venestraat 14. Hans heeft nog een duidelijk beeld hoe het er hier toen uitzag: vóór de praathoek met stoelen in de rondte, de schuifdeuren, in het midden de eetkamer en dan achter, aan de tuinkant, ook weer met deuren, de serre. Via een houten trap kwam je dan in de tuin, met links twee schuurtjes en daarachter of daarnaast een prachtig kippenhok.
En de goede betrekkingen met de Dijkstra’s bleken nog eens toen de heer Dijkstra naar de huwelijksreceptie van Hans in 1968 kwam.  

Jochie van vijf
Tot de mooie jeugdherinneringen behoort het kijken op het station naar de machtige stoomlocomotieven. Hij kreeg een dubbeltje voor een perronkaartje en kon dan eindeloos blijven kijken op het station naar vrolijke mensen en machtige machines. Stoom was niet vies, zegt Hans, maar zat er dan geen roet in de lucht; er werden toch kolen gestookt om de ketel op stoom te houden? Maar je hoorde de bewoners van de Venestraat in elk geval niet klagen over rook, stoom of roet van het station. De activiteiten van het station waren toch onvermijdelijk.
Trouwens de fabriek van Klinkert heeft ook geen sporen nagelaten in de memorie van Hans, en dus ook niet van luchtverontreinigende hinder van de bedrijfsactiviteiten.
Het was een soort magisch moment als in de voorbereiding van de jaarlijkse veertiendaagse vakantie naar Schoorl de fietsen naar het station gebracht werden door Hans met zijn vader, om te worden verstuurd. Op een groot karton stonden afzender en bestemming. De familie Hugen had het duidelijk goed.
Ja, er werd uitbundig gespeeld op straat. Maar het vijfjarige jochie was verlegen en durfde zich niet spontaan in te voegen. Tot er een meisje kwam vragen of hij met haar wilde spelen toen hij op de treden van zijn portiek zat toe te kijken. Tja, wie zou dat geweest kunnen zijn. En met een mooie glimlach bekent Hans dat hij er nog steeds blij van wordt als hij aan haar en haar uitnodiging denkt. En ja, hij is gaan met haar gaan spelen.

De buurt
Boven woonde de Deimannen, toen nog in de fase van de oude mevrouw Deiman met haar kostgangers had. Het gezin met jonge kinderen heeft Hans niet meegemaakt. Hoewel, - hij ziet de heer Deiman voor zich in het uniform van een PTT postbesteller. Dan brengt hij tante Thiebout, buurvrouw op nummer 8, ter sprake en ook die heeft nog steeds een bijzonder warm plekje. Zij werd kennelijk vertederd door de kleine Thea, want zij vroeg de peuter binnen om een kopje thee te drinken.  
Frans Willigenburg, van de overkant, was een paar jaar jonger, maar van zijn ouders heeft Hans nog wel een beeld. Ook weer heel aardige mensen. De heer Willigenburg was aanvankelijk vertegenwoordiger en later examinator rijexamens. Een gekende figuur in de straat was ook Ronteltap, leraar smid aan de ambachtsschool. Met een zoon zat Hans op de Aloysiusschool, maar bevriend waren zij niet zo. Groenteboer Bolleman, die dagelijks enkele klanten in de straat bediende, had een hondenkar. Heel zielig, vonden de meeste kinderen in de straat die trekhond.
De familie Vahrmeijer trekt in 1953 in het dan door de Hugens verlaten pand. Hoe weet Hans nu nog dat die Vahrmeijer een verfgroothandel aan de Koestraat heeft? Nu, eenvoudig omdat hij de heer Vahrmeijer halverwege de jaren zestig  weer tegenkomt in de Prins Hendrikstraat. Deze woont samen met mevrouw Boele en verhuurt kamers verhuurt, aan Hans.
De selectiviteit van een toch goed geheugen als dat van Hans is des te opmerkelijker als je bedenkt wat er niet is opgeslagen: de buren aan de andere kant, Van de Waart, (“was dat niet een lange man?”), de banketbakker van der Lippe en kapsalon Rie de Wilde (“ja vaag”).

Thea
Hans vraagt zich regelmatig af wat er van Thea zou zijn geworden en hoe zij er in de loop van de tijd uitgezien zou hebben als zij niet in haar peutertijd gestorven zou zijn aan een hersentumor; zij was nog slechts 2½. Wat een mooi kind was het als je zo naar haar foto kijkt. 
Op 9 februari 1945  moeten vader en moeder in allerijl naar het ziekenhuis vanwege de doodzieke Thea. Zij wordt geopereerd. Haar schedel wordt gelicht om de tumor te verwijderen, maar de operatie mislukt en zij sterft. In de verwarring blijft Hans in de box voor het raam alleen achter. Er is iets aan de hand op het Stationsplein. De Duitsers, het was februari 1945? Een vliegtuigaanval? Paniek? Wat deed het ertoe? Toch hoort dat bij deze ‘herinnering’, het verhaal zoals zijn moeder het hem later heeft verteld. Iemand van de Oosterlaan heeft de kleine Hans uit huis, uit de box gehaald en meegenomen. De man van dat gezin deed iets in gokautomaten. Punt. 
Maar als het gaat om iemand die in gokautomaten deed, was dat dan niet de heer Sleeuw, uit de Venestraat?  Die hadden een half jaar eerder een kind gekregen, Henk, en waren de naaste buren in die tijd, op nr. 12. De familie Pas woonde daarboven. De heer Sleeuw was waarschijnlijk een zzp’er en adverteerde als de Automaten Centrale en verbouwde grammofoons om er een platenwisselaar aan te koppelen. Tien tegen één dat hij ook als monteur die gokautomaten te lijf ging. Zou betekenen dat het niet iemand van de Oosterlaan was, maar de buurman uit de Venestraat, wel zo logisch. Er gaat niet meer dan een petieterig lichtje branden (“jah”), maar het lijkt Hans al met al wel zo waarschijnlijk. Thea is altijd Hans' kleine zusje gebleven.
Trouwens, de Sleeuwen hebben er niet lang gewoond, namen een hotel over in Coevorden en doopten dat Sleeuwerick. Zij maakten plaats voor Van de Waart, een opzichter somehow.

Oorlog
Hans heeft nooit geweten dat er Joden in de straat woonden en is ontsteld als hij hoort dat er 14 Joodse medebewoners nooit meer teruggekomen zijn, vermoord. En zijn vader was echt wel anti-Duits en lag onder vloer als er een razzia of zo dreigde om arbeidskrachten op te pakken voor de Arbeitseinsatz. Toch wordt hij opgepakt, op straat, en dan gaat mevrouw Hugen met een Ausweis waarop zijn geboortedatum is vervalst, naar de Duitsers om haar man vrij te krijgen. En dat is gelukt. 
Toch heeft Hans nooit een woord gehoord over de verdwijning van de Joden uit de Venestraat. Wat zegt deze zwijgzaamheid? Verdringing van de pijnlijke onmacht, vermengd met de blijdschap als de oorlog voorbij is, wellicht. 

Op een goed moment, Hans’vader was 67, en de familie woonde in de Luttekestraat, lieten de Hugens een bungelow bouwen in Ommen. Maar vader Hugen stierf plotseling en moeder Hugen wilde de bungelow niet meer en heeft de onafgebouwde bungelow verkocht, het huis en de winkel in de Luttekestraat verkocht en is naar Haarlem verhuisd. Hans is toen op kamers gaan wonen. Niet in de Venestraat.
Meer dan 30 jaar was Hans  P en O-functionaris belast met de salarisadministratie bij de regio IJssel-Vecht, woont nog steeds in Zwolle en geniet van het leven.
.




   



















  

maandag 10 maart 2014

BROEKMAN-HIBBEL BRIDGE DRIVE

Zondag 9 maart.



Het is al tegen zessen als de voorzitter van de Stichting Stolpersteine Zwolle, Jaap Hagendoorn, het woord krijgt van Gijs de Koning Gans, één van de drie organisatoren van de Broekman Hibbel Bridge Drive.
De strijd van 22 paren is dan gestreden. Aan Hagendoorn de eer de Broekman-Hibbel bokalen uit te reiken aan de winnaars.



De naamgevers van deze bekers waren eind jaren dertig, begin jaren veertig succesvolle bridgers uit de Venestraat, elkaars overburen. Mevrouw Hibbel en mevrouw Broekman vormde een paar en de heer Broekman vormde met de heer Hibbel eveneens een koppel. Beide paren onderscheidden zich onder andere bij de AVRO-bridgedrives die in Hotel Gijtenbeek, hier praktisch om de hoek, gehouden werden.
Maar de familie Broekman was Joods en werd slachtoffer van de Holocaust. Hoe sportuitslagen in een courant stilzwijgend het noodlot en de schrijnende leegte die dan overblijft, kunnen uitdrukken wordt flagrant duidelijk in het volgende krantenbericht waarin de heer en mevrouw Hibbel, nu samen een paar vormend,  als prijswinnaars vermeld worden. Dan zijn hun partners Broekman al vermoord, weten wij nu.


Annie en Henk Batterink wonnen de ene beker 

In de Venestraat zullen voor de Broekmans en de andere Holocaustslachtoffers veertien Stolpersteine worden gelegd te hunner gedachtenis. Het Denksportcentrum Zwolle, centraal in de Venestraat, heeft deze bridgedrive georganiseerd om geld in te zamelen voor het leggen van de Stolpersteine.
Jan ten Berge, ook Venestraat, heeft aan deze gebeurtenis een extra dimensie toegevoegd met een keur aan samen met Wim Brink eigengemaakte snacks en hapjes. Buiten lokte de eerste lentedag maar binnen heerste de aantrekkelijke sfeer van een gezellige competitie.


Anita van Dalen en Gerda Meijer wonnen de andere beker

Alle betrokkenen waren het erover eens dat het een geslaagde evenement was waarvan het doel en de opbrengst door Jaap Hagendoorn bij de prijsuitreiking nog eens uitdrukkelijk  werd toegelicht. De kern van het Stolpersteine project is de gedachte dat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog  met de grote getallen van 6 miljoen vermoorde medeburgers en ook met het Zwolse aantal van 450 een abstract verhaal blijft dat zoveel concreter wordt als ieder van hen met zijn eigen naam op ons pad komt, als struikelsteen in het trottoir voor het huis van waaruit hij is weggevoerd om vermoord te worden.
Dat de door Anita van Dalen (met haar partner) gewonnen beker in de straat blijft, is een uiterst bevredigend resultaat.
De doelstelling om langs deze weg twee Stolpersteine te kunnen betalen, is gehaald.
Anita,  Gijs en Fred (den Hoed) samen de beheerders van het Denksportcentrum en de organisatoren van van deze bridgedrive, hardstikke bedankt! En dat geldt zeker ook de Hap-en-Snack-ploeg!

vrijdag 24 januari 2014

MARGA DEIMAN groeit op in de Venestraat

MARGA SCHULTE-DEIMAN oud-bewoonster van 10a

Marga Deiman woonde bijna 20 jaar in de Venestraat, van haar geboorte in 1957 tot 1976. Haar oma Deiman was hier in 1939 komen wonen. Omdat haar dochter graag dichtbij het station wilde wonen, want die was onderwijzeres in Vilsteren en reisde zes dagen in de week op en neer met de bus.
Oma Deiman was weduwe en had kostgangers. En haar zoon, Marga’s vader (geboren in 1913) betaalde vast ook kostgeld. In het begin van de  oorlog kreeg zij inkwartiering van Duitse soldaten. In het familieverhaal is één van die Duitse soldaten een onvrijwillige, dienstplichtige én anti-Hitlerse jongeman en met hem groeide een soort vertrouwensband. Toen twee ooms na de inkwartiering van de soldaten onderduik zochten bij oma Deiman, gaf de bevriende Duitse soldaat zijn geüniformeerde portretfoto aan oma, zodat oma die foto op de schoorsteen kon zetten wanneer er huiszoeking gedaan zou worden naar eventuele onderduikers. Oma zou dan met een treffend gebaar naar de schoorsteenmantel kunnen zeggen: “Kijk, de verloofde van mijn dochter”. En inderdaad, eenmaal heeft zij dit wapen in de strijd gegooid, met succes: de huiszoekers stommelden weer de trap af. Overigens was Marga’s vader toen ondergedoken in Brabant. Hij had voor de onderduikende ooms een verstopplek ingericht in de kelder. De bewoners van 10 en 10a moesten namelijk de kelder delen.


Foto: Vader Deiman en Marga

In 1950 is Marga’s vader met Marga’s moeder getrouwd en die kwam hier inwonen. Toen er kinderen geboren werden en oma op leeftijd kwam, verhuisde die naar een bejaardenoord, het Onze Lieve Vrouwe Pension of Gasthuis, waar zij in 1960 overleed.
Marga's vader heeft aanvankelijk met zijn broer uit de Anemoonstraat een groothandel in galanterieën. Maar dat werd geen succes (1946 - 1950) en het tweemansbedrijf ging failliet. Omdat het een creatieve man was met een grote handvaardigheid beproefde hij zijn geluk als etaleur. Hij gaf evenwel de voorkeur aan de zekerheid van een betrekking bij een staatsbedrijf, de PTT. In 1975 overleed hij en Marga's moeder verhuisde uit de Venestraat in 1976.

Foto: Marga met haar moeder mevrouw Deiman

In de jaren zestig woonde eerst de familie Jansen in het benedenhuis op nr. 10 en later de familie Bode. Met de familie Jansen als onderburen ging het enerzijds over het doordringende pianospel van de Jansen-dochter en anderzijds over de Deiman-kinderen die niet al te zachtzinnig de trap naar hun bovenhuis op- en afraffelden. Maar toen daarna de familie Bode hier kwam wonen verbeterde de sfeer. De Bodes hadden zelf kleintjes en de Deiman-meiden pasten wel op deze Bode-dochters. Meneer Bode was een vrolijke broodbezorger in dienst van broodbakkerij Dragstra en reed in een Spijkstaal.  
Daarnaast op 12a woonde een een statige vrouw, mevrouw Pas-Vermeulen, weduwe geworden. Zij voorzag  in haar onderhoud als houdster van een kantoor aan huis voor de verkoop van staatsloten. Meneer Pas was handelsreiziger en vroeg overleden. Vier kinderen hadden zij, maar die waren al de deur uit toen de kleine Marga op straat mevrouw Pas beleefd groette. Mevrouw Pas woonde hier ook al vanaf 1939.
Toen mevrouw Pas ging kwam de familie Van Rhijn, met heel veel kinderen. Van Rhijn had een soort smederij op de Thorbeckegracht.


Foto: Doke en Sjaan van Rhijn

Aardige mensen. Kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd als de Deimannen en de buurkinderen zaten bij elkaar in de klas op katholieke scholen. Marga’s broer ging naar het Aloysius, de oudste twee zussen zaten op de Heilig Hartschool, Gasthuisplein, en Marga en haar zusje, de jongsten in het gezin,  bezochten de Michaelschool, op het A-plein, een gemengde school. Allemaal niet echt dichtbij.
Maar echt streng waren de godsdienstige werelden niet gescheiden voor de spelende kinderen. Marga herinnert zich nog heel goed het samenspelen met de gereformeerde (art. 31) Hoekzema-kinderen. Eén dochter was maar een jaartje jonger dan Marga.


Foto: Vader van Henk Dekker, melkboer staat in de straat. Begin jaren 70. Mevr. Bode kijkt naar twee kinderen en Marga of haar zusje speelt op de stoep.

Daarnaast woonde een deftige dame, mevrouw Thiebout. Marga vertelt dat in de straat werd gedacht dat zij in een concentratiekamp gezeten had, maar of dat ook zo was?
Veel werd er niet over de oorlog gepraat en echte oorlogsverhalen over de Venestraat heeft zij ook nooit opgepikt. Behalve dan over Max Wijnberg, een joodse slagerszoon uit Hoogeveen die bij haar oma in de kost was. Hij is in juli 1942 nota bene door de Nederlandse politieagent Eikenaar opgepakt en aan de Duitsers overgeleverd. Hij mocht toen al niet meer zijn beroep als vleeshouwer uitoefenen en werd beschuldigd van illegaal slachten. Hij is in Auschwitz vermoord. De familie heeft geen foto van hem maar bewaart zijn herinnering.

In het benedenbuurhuis, op nummer 12, woonde eerst de familie Van Gijssel. H van Gijssel staat van 1936 tot 1945 ingeschreven met een timmer- en metselbedrijf aan de Thorbeckegracht maar de Gijssels komen pas daarna hier wonen. Minder goede nabuurschap ondervinden de Deimannen van de oude Korpershoek. Hij moet een echte knorrepot, boze buurman en allerminst een kindervriend zijn geweest. Hij praatte een beetje raar want hij had een gaatje in z'n keel vanwege zijn stembandkanker. Hij is van de trap gevallen en overleden. Of was dat zijn vrouw. Een aardige, grote vrouw. Marga zegt heel diplomatiek dat Korpershoek en haar vader elkaar niet lagen. Vooral de in de steeg geparkeerde fietsen uit de bovenhuizen waren een steen waaraan Korpershoek zich hevig stootte. Zoon Bob Korpershoek is een fietsenzaak begonnen, bij de Sassenpoort, maar die heeft de tand des tijds niet doorstaan. Hans Korpershoek werkte, meen ik me te herinneren voor de IJsselcentrale.
De heer en mevrouw Dijkstra van nummer 14 waren teruggetrokken, oude mensen. Daarnaast was de heer Bos, textielhandelaar, een echte vrolijkerd. De zussen Van der Moolen, van 18, waren vanwege hun leeftijd en witte haar gerespecteerde dametjes. Op nummer 20 woonde aanvankelijk de familie Van den Bos, met twee dochters, en daarna werd het een administratiekantoor of zoiets..
En aan de kop van de straat had Rie de Wilde haar kapsalon. De hele straat liet zich door haar knippen. Ook Rie’s dochter stond in de zaak.
Haar buren waren eerst de familie Van Es en daarna de familie Brinker.
Eén van hun zoons was René. Deze families waren station-gebonden, zou je kunnen zeggen. Brinker als conducteur en Van Es als spoorlegger. En zij hielden kostgangers om het gezinsbudget op te krikken.
Tenslotte was daar nog de familie Dokter, met drie oudere dochters. Mevrouw Dokter leek zich soms te goed te voelen voor de Venestraat. Hij was veel vriendelijker. Had ook een kantoor aan huis.
De overkant? Daar was ’s zondags volop kerk natuurlijk. Daar werd je zeker wakker van. En op feestdagen ging er van dat kerkvolk ook inderdaad iets feestelijks uit. De Deiman-kinderen zagen een beetje jaloers dat met kerstmis de hele goegemeente met cadeautjes naar de kerk kwam. Gaven zij die dan aan elkaar? 
Eigenlijk hielden de overburen in de betrekkelijk smalle straat elkaar meer in de gaten dan de naaste buren. Maar veel interactie was er ook weer niet. Ja, als het zwaar geregend had en bij de familie Meindertsma was de kelder ondergelopen en de brandweer kwam die weer leegpompen. En de pianostemmer, meneer De Jong, drong zich naar voren toen Marga’s vader overleed in 1975 en uitgedragen werd: “Wie is het? Wie is het?”, wilde hij graag weten.
Maar bij de jaarwisseling placht toch de bewoners van de Venestraat elkaar op straat de hand te schudden en een gelukkig nieuw jaar te wensen.   
Naast de kerk woonde de familie Knol, in het bovenhuis, met twee of drie kinderen. Op de begane grond was een kantoor van de ABVA-KABO en daar was Knol ook in dienst, vermoedt Marga. Op nummer 19 en daarnaast de familie Van Beekum, een hoge ambtenaar bij de provincie.
En om het rijtje nog even af te maken was nummer 23 ‘begeleid kamerbewonen’ en nummer 25 ‘De Til’ oftewel de kinderopvang.
Marga heeft sterk het idee dat zij met één van de jongens van Van Delden in de klas gezeten heeft en dat die Ronald heette. Dat moet dan een neefje zijn van de Van Delden die tot het einde van de vorige eeuw in zijn zwarte Mercedes stationcar drogisterij- en parfumerie-merken in den lande vertegenwoordigde.


Foto: misschien geen mooie maar toch interessante foto, zo zonder auto's en fietsen

Marga heeft de straat vol auto’s zien lopen. In de jaren zeventig stonden ze er bumper aan bumper. Maar daarvóór werd er heel veel op straat gespeeld, tussen de auto’s. Het grootste lawaai en gevaar kwam van de VAD-bussen die dagelijks ’s morgens in een dreunende colonne van de garage in de Hertenstraat naar het station reden en ’s avonds weer terug. Ongelooflijk, achteraf, in zo’n smalle straat.  "We lagen te schudden in bed." En dan waren er in de oude verffabriek nog de garages van  Simonse en Bokkerse plus overdag krioelden de auto's van bierbrouwer Grolsch door de buurt die het andere deel van de verffabriek in gebruik had.
De leefbaarheid van de straat is er wat dit betreft beslist sterk op vooruitgegaan. Maar ook toen was het een leuke straat met deftige oudere mensen maar ook met veel dartele kinderen.

zondag 1 december 2013

MET GERRIT SALET DOOR DE BUURT

Rondgang door de buurt met GERRIT SALET

Eigenlijk zeg ik ´meneer´ tegen de kaarsrechte gestalte van de 83-jarige schilderspatroon Salet. Nu woont hij in de Vrouwenlaan maar hij is opgegroeid, is getrouwd en heeft gewerkt vanuit onze buurt. De punt tussen de Van Karnebeekstraat (door Salet meestal bij z’n oude naam genoemd: de Deventersstraat), de Hertenstraat en de Tuinstraat is hem beter bekend dan zijn eigen broekzak.
Van Karnebeekstraat 90 (naast het ‘kasteel van Jordens’ dat de hele punt besloeg en in 1937 afgebroken is)  en Hertenstraat 6, het huis van zijn jeugd en de plaats van zijn werk en zijn gezin. Het eerste ouderlijke huis Van Karnebeekstraat 76 bestaat niet meer, is nu een perkje met wat parkeerplaatsen, op de hoek met de Tuinstraat.




Salet heeft 38 jaar gewoond aan de Hertenstraat, nr. 6, precies naast wat ooit het geheel ommuurde fabrieksterrein van Klinkert was, met de hoge schoorsteen, een soort plein met verschillende loodsen en hallen. Aan de (over)kant van de Hertenstraat stond dus een manshoge muur met een paar poorten daarin. Een klein restje van die muur tot op kniehoogte was nog te zien toen de Kringloopwinkel daar gevestigd was.
Als kwajongens hebben Gerrit en vriendje Roelie Land, van de drogisterij uit de Van Karnebeekstraat eens een ‘recept’ uitgeprobeerd uit één van die drogistenboeken van pa Land. In een conservenblikje hadden ze in de schaduw van de muur van Klinkert een mengsel van zwavel en suiker aangestoken. Het effect was overweldigend: een grote rookmassa ontwikkelde zich uit dat kleine blikje en vulde eerst de Oosterstraat en daarna de Oosterlaan en het station. De politie en de Duitsers kwamen kijken wat er aan de hand was. Maar toen hadden Gerrit en Roelie zich al voorbij de hoge spoorbrug in veiligheid gebracht.
Ook al een actie die uit de hand liep dateert uit de tijd dat Van Berkum met zijn vatenfabriek zich net na de oorlog op het terrein van Klinkert gevestigd had. (Klinkert had op last van de geallieerden al zijn bedrijfsactiviteiten moeten beeindigen vanwege collaboratie met de Duitsers.) Gerrit en zijn maten brachten een torenhoge stapel lege vaten aan het rollen  door een lier in beweging te zetten. Volgens Gerrit is toen zelfs een één van die kleine huisjes achter de Tuinstraat in elkaar gedrukt.
Het personeel van Van Berkum had trouwens een lawaaiige manier om de vaten schoon te maken. In z’n vat werd een ketting gedaan en een schoonmaakspulletje en dan rolden ze zo’n vat door de straten. Later werden ze op een draaiende machine gezet.

Enfin, Salet weet nog dat de schoorsteen van Klinkert na de oorlog afgebroken is. Hij is daar nota bene als tien-jarige nog ingeklommen via de klimijzers die erin gemetseld waren. Toen hij enthousiast naar zijn vader zwaaide, bleef zijn vader kalm: “He, kom eens naar beneden: je moet even een boodschap voor me doen.” Nietsvermoedend kwam Gerrit terug op aarde, altijd bereid voor een boodschap. Maar de wijze waarop zijn vader hem hardhandig inpeperde dat hij dit soort avonturen uit z’n hoofd moest laten, herinnert hij zich nog pijnlijk.
Na Klinkert kwam er de cliché-fabriek van De Bruyn en de vatenfabriek Van Berkum, de VAD-garage, de Kringloop en nu Anna Heerkens dus.
Salet vertelt dat toen die cliché-fabriek van eerst de Overijsselsche Cliché Industrie (OCI) en later De Bruyn BV daar was gevestigd, de bomen bij hem thuis in de tuin van ellende doodgingen. Toen hij 15 jaar geleden zijn huis verkocht moest hij nota bene zijn eigen tuin saneren door de grond zes meter diep te laten afgraven en afvoeren. Des te vreemder was het te moeten zien na hoe nog veel meer verontreiniging het terrein van Klinkert/De Bruyn/Van Berkum/VAD zogenaamd gesaneerd werd. Niks grond afgraven, een paar buizen in de grond met doorspoeling met chemicaliën en dan was dan dat. Maar we dwalen af.



Salets vader had een schildersbedrijf, zo rolde Gerrit erin en maakte Salet tot een grote naam in de schilderswereld en zijn zoon is alweer een poosje bezig de reputatie van de Salets waar te maken en het werkterrein van het bedrijf te vergroten. Wij spreken in zo’n verband al bijna van een dynastie.
En om de zaak nog wat meer cachet te geven, de Salets komen uit Beijeren. Oorspronkelijk betekende het dan ook alpenwoning, hoewel de voorouderen woonde in grotten. Gerrit heeft het uitgezocht en er is een connectie met Jacoba van Beieren, in wier spoor het voorgeslacht naar de Zuidelijke Nederlanden kwam. Aanvankelijk woonden ze in de buurt van Dinant ook nog in grotten. Zij schipperden met hout en stenen, vertelt Gerrit, en nog steeds zijn er onder de Salets varende schippers. Het moderne chalet zal wel van dezelfde stam komen, maar ook salon en zaal. Wie dus denkt dat Salet alleen maar gelukkig is met een kwast in zijn hand, moet bedenken dat hij heel wat tijd met veel plezier gestoken heeft  ‘in het spoor terug’, dat hem in archieven achter Parijs bracht.
Gerrit is nog steeds de eigenaar van de grote hal die van de Venestraat doorloopt naar de Derk Buismanstraat en waar huurder AFAC tegenwoordig de fietsen bergt die op en rond het station op een ongewenste plaats gestald stonden. Jaren geleden, in de jaren 70,  heeft Salet deze kapitale magazijnruimte gekocht van een man uit de Van Nagellstraat die een handelsmaatschappij had een de hal gebruikte om grote rollen plastic op te slaan, maar het aan zijn hart kreeg, en moest stoppen. Salet had ruimte nodig om steigermateriaal, schaftwagens en de de werktuigen op te slaan van zijn almaar uitbreidende bedrijf. Vandaar. Maar na verloop van tijd ontstond er een probleem met het parkeren in de Venestraat en de Buismanstraat en toen is het bedrijf verkast naar de Marslanden, maar Salet is eigenaar gebleven en verhuurt het dus nog steeds. Bert Busbroek bijvoorbeeld heeft er een Skoda-garage in gehad. Maar ook 'de gevangenis' sloeg er meubilair op. Wekelijks ging kreeg er wel een gevangene de kolder in de kop en vierde dat bot op stoel, tafel en bed in z’n cel. Ministerie van Justitie moest wel een voorraadje van dit soort meubels aanhouden. 
Hij is het eens met iedereen die vindt dat zijn eigendom er op dit moment haveloos bijstaat vanwege de graffiti. Het is al driemaal op zijn kosten schoongemaakt, maar je blijft bezig.  Een coating waarna nieuwe graffiti er eenvoudig af te vegen is, bestaat niet, al zal verwijderen misschien wel gemakkelijker gaan.  Zelf een opdracht geven tot een artistiek verantwoorde schildering is misschien een oplossing.


  Een tekening waarin de relatie van het pand met de historie van de Venestraat tot uitdrukking komt, is heel wel te overwegen. Wie ideeën heeft, Salet hoort ze graag.


Zo zijn we in de Venestraat aangekomen, op het terrein van de Koninklijke Stoomfabriek voor de Bereiding van Lakken en Vernissen van Klinkert en Co. Ja, er zitten twee kanten aan het verhaal van Klinkert in oorlogstijd.  Dr. J. Klinkert die in de Venestraat op nummer 20 woonde, was absoluut een vakman, een goede chemicus, met patenten op zijn naam. Of het nou door zijn Duits georiënteerde vrouw kwam of door commerciële overwegingen, hij papte aan met de Duitsers en er kwamen Duitse officieren bij hem over de vloer. Maar een nare man was het verder niet. Salet vertelt hoe Klinkert ook de Duitsers besodemieterde.  In de Centrale Werkplaatsen van de Spoorwegen, waar nu Wärtsila zit,  werden op een goed moment legeronderdelen klaar gemaakt  voor het Afrikakorps. Dat wil zeggen dat er legervoertuigen in zandkleurige camouflage werden geschilderd met verf van Klinkert. Daarvoor overvroeg Klinkert de Duitse autoriteiten gigantisch voor wat betreft de toelevering van grondstoffen.

Op die manier kon Klinkert ook verf maken die hij voor normale prijzen aan de Zwolse schilders leverde. Later hebben die schilders wel eens gezegd: zonder Klinkert hadden we in de oorlog armoed gehad.



Dat er een rechte lijn loopt van de Venestraat naar El Alamein! 
De vader van Gerrit had overigens zelf de uitnodiging afgewezen om te komen schilderen in de centrale Werkplaatsen.  Niet dat hij nooit voor de Duitsers gewerkt heeft. Op een goed moment werd hij bij een razzia opgepakt. Het was eind 1944. Hij moest gaan graven aan de versterking van de IJssellinie.  Maar hem werd het alternatief geboden om Duitse kantoren te komen behangen. In deze periode namelijk waren verschillende Duitse instanties hem in het westen van het land gaan knijpen en hadden hun hebben en houden opgepakt en nu hier neergestreken, achter de IJssellinie. En die nieuwe kantoren moesten uiteraard ook netjes worden ingericht.
Vader Salet overwoog dat hij de vaderlandse zaak meer zou schaden als hij ging graven aan de IJssellinie dan met een nieuw behangetje. Dus zijn keus had hij snel gemaakt.  
Gerrit is in de oorlog wel in de fabriek van Klinkert geweest, want die had gebrek aan nieuwe verfbussen. Gerrit ging daarom lege verfblikken verzamelen, maakte ze schoon en ging die voor een soort statiegeld bij Klinkert inleveren. In de oorlog was aan van alles gebrek en zo werd stopverf geleverd in lege munitiekistjes.

De contacten met de Duitsers waren ook niet in alle opzichten bedreigend. Zo was de buurman van de Salets de Ortscommandant die in het hoekhuis woonde aan de Van Karnebeekstraat / Hertenstraat.
Die had zijn intrek genomen in het huis van de ondergedoken Joodse familie van der Sluis. Hij werd bewaakt en in zijn schuur stonden de britsen waar die wachtsoldaten moesten slapen. Iedere dag liep de commandant door de Hertenstraat met achter zich twee van die soldaten, naar de Ortskommandatur, zijn kantoor op de hoek van de Zeven Alleetjes en de Van Roijensingel. 
Op een avond waarschuwde deze Ortscommandant van over de heg in de tuin de vader van Salet dat Nico, oudere broer van Gerrit, en Werner, even oude zoon van de groenteboer aan de overkant  -allebei in de gevaarlijke leeftijd voor de Arbeitseinsatz-  die avond moesten verdwijnen, want er kwam een razzia. Loyaliteit van buurtgenoten onder elkaar, waar zelfs een Duitse machthebber zich niet aan onttrekt. Helemaal wederzijds was het niet. Gerrit en zijn maten hadden allang in de gaten dat er in de beduimelde éénkamerwoninkjes die langs het binnenpad van de Hertenstraat naar de Van Karnebeekstraat stonden (allang gesloopt) een voedselopslag was. Er stond weliswaar bewaking voor de deur, maar aan de achterkant (sluipend over het tonnenpad dat door de ‘keutelarieje’ gebruikt werd om de poeptonnetjes te verwisselen) drukten Gerrit cs een ruitje in van zo’n opslaghuisje en stalen boter en suiker en wat zij maar te pakken kregen. ‘Organiseren’, heette dat. Vader Salet kreeg één of twee dagen later het verzoek om een nieuw ruitje te komen zetten.

Een ander voorbeeld van deze vorm van ’georganiseerde’ sabotage, waren de schepelzakjes die Gerrit en zijn kameraden droegen. Daar kon een kwart mud steenkool in. Het beste moment om op jacht te gaan was als de loudspeaker van het station omgeroepen had dat ‘sein Lodewijk op onveilig’ stond. Alles wat ‘spoor’ was, maakte dan dat-ie wegkwam en rende de weilanden richting Schelle in. In de weilanden waren mansgaten waar je dekking kon zoeken. Dan kwamen geallieerde jagers en deden met hun boordmitrailleurs een aanval op de stoomlocomotieven  en probeerden de stoomketel lek te schieten. Zo’n aanval gebeurde regelmatig. Het alarm op het station ging altijd net ietsje eerder dan in de stad. Dan werd het station aangevallen door Spitfires. Die hadden ook wel kleine bommetjes bij zich maar die waren toch anders dan die grote bommen van de bommenwerpers. Er is eens een bommetje ontploft in de voortuintjes van de Oosterlaan tussen Venestraat en Derk Buismanstraat, maar richtte geen noemenswaardige schade aan.

Neemt niet weg dat de directe omgeving van het station wel speciale gevaren meebracht.

In de oorlog werkte Gerrit regelmatig bij tuinder Sluiter aan de Assendorperlure. Er was geen school en op die manier bracht Gerrit groente en melk mee naar huis, en voor zijn vader belangrijk: Gerrit was bezig.
Een mooi verhaal is de truc met de spitskool van Sluiter. Een vorm van uitgekookt boerenbedrog. De Duitsers hielden goed in de gaten waar wat op het land stond. En ze legden beslag op de spitskoolplanten van Sluiter toen die nog in de groei waren. Gerrit kreeg opdracht van Sluiter om de planten dagelijks met een flinke schuit gier tot wasdom te brengen. Die planten zetten me toch een groeispurt in, lacht Gerrit zoveel jaren later.  De familie heeft zelf  één zo’n reuzespitskool uitgeprobeerd, maar die stonk de pan uit! Maar de Duitsers hebben ze meegenomen, en per kilo betaald. Hen werd meer kool gestoofd dan waar ze ooit op hadden gerekend. Alle waar naar zijn prijs, uiteraard.

We komen regelmatig terug op de oorlog. Vooral omdat er zoveel verhalen in omloop zijn. Bijvoorbeeld dat winkelier Van der L. na de oorlog een enorm bedrag aan de belasting moest betalen vanwege oorlogswinst en zwarte handel en dat hij tegen de lamp liep toen hij in verband met het tientje van Lieftink z’n geld naar de bank ging brengen. Waar of niet waar? Heeft de ouwe Schutte voor straf in de mijnen moeten werken vanwege collaboratie? Waar of niet waar? Hoe dan ook de Schuttes waren beslist geen nare mensen, maar ze werkten vermoedelijk ‘actief’ voor de Duitsers. Gerrit was bevriend met Gerard Schutte. Ze gingen samen naar de Parkschool, School 1 heette die toen nog. Gerard is jong overleden. Met Hessel is Gerrit naar de schildersopleiding gegaan in de Ambachtsschool. Gerrit heeft er zelf later ook nog les gegeven. Zelfs een jaartje  in het dagonderwijs, maar dat vond hij helemaal niks, verschrikkelijk. Die jonge jongens zijn geduchte pestkoppen. Hij heeft z’n carrière vervolgd in het volwassenenonderwijs, aan schilders-gezellen die al veel serieuzer waren en in elk geval veel beter gemotiveerd.
Karel Appel heeft nog eens een demonstratie gegeven in de Ambachtsschool. Met veel bravoer. Hij had zichzelf geïntroduceerd als autodidact en toen ‘flink met tubes verf gespoten’.  
Schutte heeft na de oorlog zijn schildersbedrijf voortgezet en de vraag is hoe de verhoudingen waren tussen de schilders. Gerrit vertelt dat er op zeker moment maar liefst 106 schildersbedrijven waren. En de relaties? Iets van concurrentie en collegialiteit tegelijk. Je had elkaar toch ook weer geregeld nodig en echte broodnijd was er niet. Nu zijn er in Zwolle 14 schildersbedrijven.

Is het moeilijk om veel oorlogsverhalen te verifiëren, zeker wel waar is de protestactie van Eef Bakker, behanger-stoffeerder uit de Tuinstraat. De hele Tuinstraat hing vol met reclame voor de Nederlandse Unie. Kleveringa en Borneman die daar woonden, waren niet van "die besten". Als statement daartegen haalde Eef een pot menie en maakte z’n hele huis oranje. Hij heeft ervoor in het Oranjehotel, de Scheveningse gevangenis, gezeten. Maar is vrijgekomen. Als vrijgezel in de kost ergens bij de Diezerpoorterbrug heeft hij eens een voetzoeker gegooid tussen een peloton Duitse soldaten dat net over de brug marcheerde. Het hele peloton zocht dadelijk dekking en wierp zich plat op het brugdek. Tamelijk grappig, maar Bakker heeft het moeten bezuren. Hij is ernstig mishandeld en opgesloten. Ook dat heeft hij overleefd.

In praktisch alle huizen van de Venestraat, in elk geval aan de even kant heeft Gerrit wel gewerkt. Al in de tijd dat hij bij zijn vader in dienst was als leerling-schilder. Hij herinnert zich in het bijzonder de weduwe Thiebout-Wispelwey. Misschien vooral vanwege de duizenden lantaarnpalen die hij heeft geschilderd voor de ijzergieterij en machinefabriek van de Wispelweys ‘De Nijverheid’.
Op dat rijtje woonde ’s winters een familie Van Nes van Meerkerk die hier niet ingeschreven stonden, want ’s zomers bewoonden zij landgoed Soeslo. Er werd lichte schande van gesproken dat deze mensen twee huizen gebruikten toen er grote woningnood was en dat het huis in de Venestraat de hele zomer leegstond.

Of godsdienst een rol speelde. Jazeker. Voor de gereformeerden nog meer dan voor de roomsen waren er duidelijke scheidslijnen. Bij Scholtens van de suikerwarenfabriek op de hoek van de Tuinstraat en de Venestraat (mosterdfabriek) mocht je niet in de portiek komen op zondag. Je moet bedenken dat zeker de jongens toen de hele dag op straat speelden en door de hele buurt zwierven. Vader en moeder Zunnebeld van de dierenwinkel waarschuwden hun kinderen dat ongelovige jongetjes als Gerrit Salet vooral niet meegingen naar de vroege mis,  waar zij wel naar toe moesten in de vakanties, iedere dag.
Poelman had ook veel kinderen, ook zwaar katholiek en Bodewes van de scheepsbouw uit de Venestraat. En niet te vergeten de familie Röben die een textielfabriek had in de Oosterlaan (jammergenoeg afgebroken, nu Bartimeüs) en een grote winkel in de Diezerstraat, met een filiaal in Amersfoort. Daar schilderden wij heel veel voor, want de oude Röben zei: “Ik wil geen Roomse schilder, want dan ga je door de kerk.” Roomse schilders zijn waarschijnlijk roddelkonten.
Gereformeerden en Katholieken gingen ook allemaal naar andere scholen. Een dochter van Van der Lippe zat bij ons op school en die liep wel eens mee. Maar mijn moeder had ook zo haar voorkeuren. Die vond de Tunstraat toch wel een mindere straat en zij had liever niet dat we daar kwamen.
Voor de klandizie kochten wij overal in de hele buurt: bij Van der Lippe, bij de kruidenier Kuttering (later Kettering), bij de dames kruidenières Boxman en dan natuurlijk vooral ook in de Van Karnebeekstraat.

De buurt zag er anders uit. Aan de ene kant van de Hertenstraat de fabriek van Klinkert achter die grote muur en met die hoge schoorsteen en schuin aan de overkant op de hoek met de Venestraat het kantoor en de magazijnen dat nu appartementsgewijs bewoond wordt. Was natuurlijk altijd wat te beleven. De Hertenstraat was aan de kant van de hoge spoorbrug een klein straatje. Is pas later gereconstrueerd. Dat hoge huis met die enorme tuin van rechter Jordens nam heel veel ruimte. En dan die sloot. Als je goed oplet en met een kaart erbij zie je hoe die heeft gelopen. Langs het Groenewegje (Hertenstraat) tot de Zeven Alleetjes, dan achter de huizen aan de Van Nagellstraat, onder de Stationsweg door, Roopoort, Eekhoutpark (was een landgoed) en bij de Emmawijk in de gracht onder de singel door.

Bij de tandartsen naast Wientjes zie je het talud nog heel goed. Salets vader heeft nog een stuk gedenpte sloot moeten kopen. De familie woonde toen nog in de Van Karnebeekstraat en hun tuin liep helemaal naar de Hertenstraat. En daar was in 1957 nog een eenzaam stukje gemeentegrond van na het dempen van de sloot. Belangrijke plek was ook het lompenpakhuis van Dennenboom in de Van Karnebeekstraat tegenover de touwbaan. Denneboom deed ook in oud papier, vodden, oud ijzer en zat waar nu het parkeerterrein van het zoekenhuis zit, naast de koffieshop. Kwam Gerrit ook regelmatig om een centje te verdienen aan de lege emballage van het schilderwerk. Die haalde de lege blikken door een pers en dan spoten de restjes verf meters hoog.

Wat veel mensen niet weten is dat er een soort hofjes waren met kleine éénkamerwoninkjes en een bedstee in de binnenterreinen achter de Van Karnebeekstraat. Die dateerden nog uit de tijd dat hier de groentetuinen waren van de mensen in de binnenstad en er voor arbeiders en dienstpersoneel rijtjes kleine huisjes neergezet waren. Er is nog een steegje tegenover het Oudemannehuis voorbij waar vroeger Kooiman, de wagenmaker zat en waar nu een soort instituut is, iets terug van de rooilijn. Aan dat steegje woonde de oude De Jong die daar zijn glashandel ooit is begonnen. De Pruimershuisjes waren ook wel een voorbeeld van dat soort woninkjes. Waar nu het Alfa-kantoor staat, in de voormalige Groen van Prinstererschool aan de Zeven Alleetjes, stonden die huisjes van armoedige weldadigheid. Met twee poepdozen in de tuin voor het hele rijtje.

Met al die werkplaatsen en fabriekjes van Scholtens, Palm, het confectieatelier aan de Tuinstraat, nu sportschool, en daartegenover UitdenBoogaard voor fietsonderdelen, later een grootgrutter en vervolgens Ferwerda met z’n auto-onderdelen, Klinkert natuurlijk en textielfabriek Bodewes, later Röben was er heel wat beweging in deze buurt. Veel bedrijviger dan nu. Veel meer beweeglijke kinderen, maar ook aan- en afvoer, leveranciers en klanten, personeel. Nu zie je vooral mensen die gehaast de straat doorlopen van station naar een kantoor en op de fiets naar Zwolle-Zuid. Toen had de buurt meer genoeg aan zichzelf.
In die Groen van Prinstererschool zat later ook de LOM-school van meneer van As. Daar had Gerrit grote bewondering voor: hoe die met die kinderen omging en eruit haalde wat erin zat. Later is die school verhuisd naar de Jacob Catsstraat, de Koningin Emmaschool.

(...)

Dan had je in de Venestraat natuurlijk ook het Koningin Emma Meisjeshuis. Moesten wij van onze moeder ook uit de buurt blijven. "Die meisjes werden opgevoed tot lesbiënnes." En mijn moeder hoorde eens van een kennis die daar werkte dat “het slechtste gezin is beter dan zo’n huis”, omdat die meisjes elkaar daar wel wisten te vinden, elkaar  opstookten. Die leidsters deden heus wel hun best, maar het idee allemaal van dat soort meisjes bij elkaar te zetten! Met de jongens ging het anders. Daar werd een betrekking voor gezocht als leerjongen, met kost en inwoning. Die kregen een ander soort opvoeding. Gerrit kent zelf  twee mannen die getrouwd zijn geweest met een meisje uit het meisjeshuis, maar die meisjes zijn toch weer ‘teruggevallen’ en ze zijn ervan gescheiden.

Achter de Venestraat in het binnenterrein met de Ter Borchstraat was een groot magazijn van loodgietersonderdelen, van de Vihamij. Het smalspoor dat daar nog steeds aan de Oosterlaan te zien is, is uit die tijd. Salet heeft overwogen dat terrein van zijn tante tekopen, maar dat was al met al toch niet handig. Dat terrein was van een tante van Salet, mevrouw Grit-Salet, die op nummer 3 woonde en waar ook zijn opa bij inwoonde. Tante was getrouwd –komt weer een oorlogsverhaal-  met ene Grit dus, maar daar vóór met Halfwerk. En Gerrit Halfwerk was haar zoon, neef van Gerrit Salet, zeer actief in de ondergrondse, maakte zijn pakkans kleiner door vooral niet thuis te slapen, maar bijvoorbeeld in de vuilniswagens van de spoorwegen die aan de overkant van de Oosterlaan stonden of in de loodsen achter de Apostolische Kerk. Zo was er daar bij tante een geweer in huis, van Gerrit. Toen dat eens urgent was heeft opa het geweer op zijn rug onder zijn pandjesjas verborgen en liep ermee als met een bochel naar de Van Karnebeekstraat en smokkelde zo het geweer achter z’n hoge rug mee. Verborg het geweer in de bosjes in de tuin van Salet en dronk een kop koffie zonder het doel van zijn missie te vertellen. ’s Avonds heeft Gerrit Halfwerk het geweer weer uit de bosjes gevist.

links Jan Bekaan, rechts Gerrit Halfwerk 


In de groep van Gerrit Halfwerk zat ook Jan Bekaan. Bekaan was een Rijksduitser en was perfect tweetalig.  Zijn ouders hadden een bonthandel en perepareerden opgezette dieren aan de Van Karnebeekstraat, maar Jan was opgeroepen om telefonist te zijn in een kazerne in Wezep.  Gerrit Halfwerk en hij transporteerden wapens. Werden ze aangehouden dan waren de officiële papieren van Jan Bekaan voldoende om niet gefouilleerd en opgepakt te worden.
Op de dag van de bevrijding gebeurde er nog iets heel vervelends. Jan Bekaan, immers Duitser, werd in de kraag gevat door een (andere) verzetsgroep. De groep van Halfwerk heeft hem moeten ontzetten, waarbij beide groepen slaags raakten op de Sassenpoorterbrug.   
Gerrit Halfwerk is als chauffeur met oud/burgemeester Van Karnebeek naar Zuid/Afrika gegaan en daar vermoedelijk gebleven.

Gerrit herinnert zich Dolle Dinsdag, de oorlog leek snel voorbij. Zijn vader stond voor hem en hief een waarschuwende vinger: “Àlles wat je nu thuisbrengt, is afkomstig van diefstal. Als ik het merk breng ik je persoonlijk naar de Lombardsteeg”. (lees: politiebureau.)
Diezelfde dag stopte er een trein op het station met richting Duitsland vluchtende N.S.B’ers. Met vrouwen en kinderen. Een aantal van die vrouwen en kinderen stapt uit, maar dan zet de trein zich weer in beweging. Panisch schreeuwend rennen de uitgestapte vrouwen en kionderen achter de trein aan, tot (leed)vermaak van de toekijkende Zwollenaren.
Maar de oorlog ging nog even door. Een aangeschoten Engels vliegtuig op retour laat precies boven Zwolle een hele last bommetjes vallen, die achter het lompenpakhuis van Dennenboom aan de Van Karnebeekstraat neerkomt. Gerrit en nog wat jongens werden van de straat geplukt en moesten die die projectielen in de stadsgracht gooien bij de Sassenpoorterbrug.
Gerrit herinnert zich ook de ontploffing van de munitieschepen in het Zwarte Water nog heel goed. Zijn vader heeft ontiegelijk veel glas moeten zetten, omdat vooral in de binnenstad veel ruiten watren gesprongen.  

Na de oorlog verbleven er een paar maanden lang Canadese militairen in de Venestraat. Eerder interviewde ik Jan Beekman en die vertelde dat die Canadezen naast de kerk woonden en de kerk als opslag gebruikten en belast waren met het regulieren van de voedselvoorzierning. Nu bevestigt Gerrit Salet hun aanwezigheid, maar hij dacht dat zij ín der kerk woonden. Hoe dan ook er stonden er regelmatig jeeps voor de deur "en daar speelden we dan in".
Terugkijkend op de oorlog zegt Gerrit dat in zijn familie geen honger was, maar dat zij wel “gek gegeten” hebben. In plaats van slaolie gebruikte zijn moeder het van het schildersbedrijf goed bekende lijnzaadolie. Om dat de zuiveren werd het op temperatuur gebracht en werd er een kapje brood in gedaan dat de vuiligheid opnam.
Toen de Duitsers op de vlucht waren en de stad verlaten hadden, hebben zij nog een hevige beschieting uitgevoerd vanaf de Veluwe op alle hoge punten: de kerktorens onder andere die in de Assendorperstraat werd geraakt, maar ook de schoorsteen van Klinkert. Bij Weezenberg aan de Van Karnebeekstraat is nog een granaat naar binnen gevlogen.
Na de oorlog is de Ortscommandant nog eens op bezoek geweest bij zijn vader.


Stolpersteine.
Gerrit vindt het een goed en mooi idee. Hij herinnert zich een schrijnend beeld. Hoe Alfred Weihl, doodziek, van huis gehaald werd om gedeporteerd te worden. De ziekenbroeders van Bremer, die een ambulance had op het Assendorperplein en een doodkistenfabriek aan de Van Ittersumstraat,  legden hem op bevel van de Duitsers op een brancard en namen hem mee. Het was 31 december 1942. Salet heeft dat beeld nog haarscherp voor ogen. Hij zou een Stolperstein voor Alfred Weihl willen adopteren, maar voor hem en zijn echtgenote Grethe is zijn reeds Stolpersteine gelegd in de wijk Marxloh, in Duisburg.

Gerrit heeft nog veel meer verhalen over een levenlang op de grens tussen Assendorp en Stationswijk. Nog eentje dan. Bij Gerrits vader werkte ook een oud-marineman. Die leek sprekend op Fernandel = Don Camillo. Gerrit en hij waren aan weerszijden van een ijzeren hek op het stationsplein aan het schilderen toen er een cameraploeg bezig was om een promotiefilmpje te maken van of voor Zwolle. Tegelijk stapt er een stoet Fransen uit de trein , die de look-a-like van Fernandel ziende én de cameraploeg, zeker weet dat zij op de filmset zijn beland voor een heuse Don Camillo-film. Deze schildersmaat weet natuurlijk best op wie hij zo sprekend lijkt en hij beantwoordt de verwachtingen door een overtuigende imitatie met gebaartjes, gekke bekken en gebaartjes. Het werd een oploop van jewelste en de politie heeft de orde moeten herstellen.
Overigens heeft deze jongen Diepenheim, wiens vader een schoenmakerij had in de Van der Laenstraat, van 1936 tot 1946 bij de marine gediend en in de oorlog heel veel heeft 'meegemaakt'. Hij voer onder andere op het luchtdoelartillerieschip de HM Heemskerk onder bevelvoerder La Rive die later directeur van Schiphol werd. Om zijn verhaal compleet te maken en te laten zien hoe het kan verkeren, vertelt Gerrit dat Diepenheim een onverzoenlijke hekel had aan alles wat naar Duits rook, maar viel voor een door een Duitse soldaat-echtgenoot in de steek gelaten vrouw, rijksduitse, met twee kinderen. Hij is met deze vrouw, dochter van de Rijksduitsers Reigersbach, getrouwd en heeft twee Duitse kinderen opgevoed.