maandag 7 april 2014

EBO EN MEINTJE BOS


EBO EN MEINTJE BOS

"Frans Schalij van nummer 12 was een een clevere en welbespraakte knaap. Hij had een paar klassen overgeslagen op school. Het was dan ook logisch dat hij de voorzitter was van ons club “De Mollen”. Ons clubhol was onder het huis. In het zand dat daar lag."


Vader en moeder met Ebo en Meintje, in het midden Jan, Nico en Jur


Nog steeds is het zo bij de even huizen in de Venestraat dat als je de hardstenentrap op ging, je voor de voordeur staat. En als je daarnaast de gemetselde trap afgaat, sta je voor de deur naar het souterrain, dat dienst deed als bijkeuken, washok en fietsenstalling. Maar je kon van daar ook in de kruipruimte onder de huiskamer komen. Daar lag een berg bouwzand en daar kon je prima een clubhol maken. Voor De Mollen.
Eigenlijk was oudere broer Nico bevriend met Frans, maar de tweeling was dus volop aanwezig. Nico was een gelijkmatig type en Frans vond de springerige tweeling wel zo leuk. Bovendien was Nico meer in technische zaken geinteresseerd en Frans was meer de jonge intellectueel met een romantische levensbeschouwing. En zodoende sloot hij beter aan bij de tweelingen Ebo en Meintje hoewel die wel drie jaar jonger waren.

Kristallen luchter uit de voorkamer van het ouderlijk huis 
De familie Bos heeft heel lang op nummer 16 in de Venestraat gewoond. (Overigens heeft de familie een half jaar op nummer 7a gewoond, tót de eigenaar van 16, de joodse meneer Samson?, hen uitnodigde te verhuizen naar nummer 16. Omdat ze zo'n keurige indruk hadden gemaakt.) Later heeft de fam. Bos het huis alsnog gekocht.
Er zijn fantastische foto's overgeleverd: in de tuin en op straat voor het huis, allemaal nr. 16. Jammer genoeg niet van het interieur. Dus gevraagd hoe het er van binnen uitzag. Het zag er een beetje antiek uit, misschien wel een tikje museaal. Anders dan bij anderen. En dat was omdat vader Bos een voorkeur had voor grote schilderijen, kandelaren en kristallen kroonluchters. Dat soort dingen.
Meintje heet al vele jaren Gietema-Bos en woont in Zwartsluis. Ebo woont tegenwoordig in Vollenhove en dat is op fietsafstand. Een echte tweeling. Zij vullen elkaar aan en zijn het eens.
Hij, de heer Bos, was een kwaliteitsbewuste man, met gevoel voor humor. Hoofdvertegenwoordiger in kledingstoffen voor de gebroeders Zwartsenberg, in Stadskanaal. Hij reisde met stalen. Engelse stoffen. Per trein bezocht hij zijn gegoede klanten én kleermakers. Als hij vertrok -hij had een spoorabonnement- bracht mevrouw hem naar het station, met de valies achter op de fiets.  Mevrouw Bos kwam uit Sappermeer, had een goede opleiding genoten aan een kostschool, was de klusjesvrouw in huis.  
De familie Bos was gereformeerd en kerkelijk zeer meelevend. vader Bos was dan ook ouderling. Op zondag werd er niet op straat gespeeld en werd er gezongen bij het (trap)harmonium en werden er verder spelletjes gedaan aan een speciale spelletjes tafel.


Nico staand en Ebo en Meintje, 1937












Van vader Bos is eigenlijk niet zoveel meer te vertellen. Eén anekdote slechts over voor die tijd gewaagde grap. Verder was het een opgewekte, keurige man die zijn verantwoordelijkheden kende en niet gebukt ging onder de plichten jegens gezin, zijn werk en zijn kerk. En dan toch deze grap. Daarvoor moet je weten dat de familie Bos en de familie Dijkstra twee kippenhokken-onder-één-dak hadden. Bos is toen over het kippenhok de tuin van de Dijkstra's ingeklommen. Hij zal wel geweten hebben dat die niet thuis waren. Hij heeft toen een roos uit eigen tuin in het kruis gestoken van de hier aan de waslijn wapperende, ruimbemeten onderbroek van mevrouw Dijkstra. Die vond dat onverdraaglijk. Als mevrouw Dijkstra tijd van leven had gehad, veronderstellen Ebo en Meintje, zou haar verontwaardiging tot op de dag van vandaag onverminderd zijn aangehouden.









Maar de relatie met de buren was en bleef heel goed. Want de enige brief die althans ik onder ogen kreeg van de ene buur aan de andere was van de heer en mevrouw Bos aan de familie Dijkstra, een condoleance brief eigenlijk toen duidelijk was dat Coen gestorven was in Neuengamme.


(Twee pagina's hiertussen sla ik over)


Kennelijk is er wel een gedeelde kennissenkring en jarenlange nabuurschap, maar Bos schrijft wel nog steeds 'U'.

Meintje is ooit door mevrouw Burbach van de overkant op straat aangeschoten met het verzoek een figurantenrol te komen spelen in een toneelstuk waaraan zij zelf ook meedeed. En Meintje hééft ook inderdaad meegespeeld. Zij herinnert zich het niet als een triomf of een doorbraak, want de opvoering was in het openlucht theater in het Engelse Werk en het regende zeer verschrikkelijk. Dauw over de velden, heette het stuk.
De papegaai van mevrouw Klinkert, die precies mevrouw Bos nadeed als die het dienst,meisje riep of haar man: "Alie!". "Ebo!" En het rare accent van de Duitse mevrouw Klinkert, toch al een onaardig mens.
Het oude stel Lindeboom, mevrouw altijd in diepzwart, "omdat zij zo christelijk was".
En hoe je een bal van het dak van de Apostolische Kerk haalt, of via het Kinderhuis of via het huis van de bevriende familie van Gaalen. Met één van de beide zoons speelde Ebo wel.
Jan Beekman, van het hoekje met de Oosterlaan, die later veearts werd.
O ja! De Jong de pianostemmer. "Daar lazen we de krant mee". Met twee zoons. Eén was fout in de oorlog, Jaap zat bij de NSB. En Arie die wel okay was, onderwijzer.
De Willigenburgs, die heel vaak gingen tennissen.
De oude mevrouw Van Munster en de familie van der Waart met hun dochter Ans, een speelkameraadje van Meintje.
De Duitsers die zo dol waren op de marsepein in de winkel van Van der Lippe.
De kibbelende vriendinnen Elly van der Lippe en Els Hibbel, die samen wel uit wandelen gingen met de tweeling Ebo en Meintje.
Bij Elly van der Lippe achterop de fiets om naar de Canadezen te gaan kijken. Elly, ouder, keek al naar jongens en was onder de indruk van die knappe jongens. Meintje had meer belangstelling voor de koekjes en de chocolade. Elly rookte een Canadese sigaret, Players..
Ebo spreekt nog met enthousiasme over de Nortons en de jeeps, de geur van benzine en het geluid van de motoren.
De Canadzen die in de straat waren ingekwartierd..
Elly had bovendien op 14 april de bevrijding aangekondigd. De familie Bos zat al een paar dagen in de kelder vanwege de vijandelijkheden en het voortdurende luchtalarm, tot Elly van der Lippe riep: "Meintje, Meintje, we zijn bevrijd."
De vlaggetjes die in de Venestraat van de ene kant naar de andere werden opgehangen vanwege de bevrijding.
Ravotten in de tuinen van de Terborchstraat. Hutten bouwen daar want het was er een wildernis.
De trouwerij van de dochter van de familie Van der Pol van nr. 27a.

Versnipperde herinneringen aan buren, aan gebeurtenissen. Waarom het ene wel bovenkomt en het andere niet? Als de namen vallen van de verschillende bewoners, veren ze allebei op. Ebo en Meintje waren beide onder de indruk van het plotselinge overlijden van meneer Pas. Uit piëteit mochten ze niet buitenspelen.Mevrouw Pas, dan weduwe, ging staatsloten verkopen. Ronteltap van de Ambachtschool. Langemeijer naar wie de ir. F.S. Langemeijerschool is genoemd. Kijk, dat weet Gerrit Gietema, de man van Meintje, want die heeft zelf met succes op die school gezeten. Mevrouw Guilliams, die samen met de dames Wolff woonde. Mevrouw Guilliams stamde af van Hugenoten (?!) Volgens Ebo was het niet "de gezusters Wolff". Ja, of er was één van de twee al overleden. Want één van de twee dames was 'in hun tijd' mevrouw Guilliams, en die was ook de sterkst aanwezige. Ebo en Meintje gingen wel bij de dames op bezoek, bijvoorbeeld om druiven te brengen. En als er ziekte was, ging mevrouw Bos soep brengen. Ouwerwetse verhalen eigenlijk, maar niet minder beeldend.Of een bloemetje. Of een toetje. Als er iets bijzonders was bij iemand. Mevrouw Bos dus. Een lieverd, bevestigen Ebo en Meintje.

En dan verspringt het beeld, dit keer naar de familie Hugen, nr. 10. Meintje weet ineens dat mevrouw Hugen in de Luttekestraat een winkel in foundation had, waar haar moeder wel kocht. En dat deze familie een kind verloor. Meintje was door mevrouw Hugen binnen gevraagd om naar haar dochtertje Thea te komen kijken, in haar kistje, als een pop. Bijzonder, intiem moment.

Bevrijdingsoptocht met links een dochter Van der Moolen, Nico Bos in het midden en een onbekend meisje

Er is nu toch een verschil tussen Ebo en Meintje. Meintje zal gevoeliger zijn geweest als kleuter voor het drama, want nu komt zij steeds als eerste met haar herinnering aan deze dramatische gebeurtenissen.
Zij heeft ook staan kijken hoe op nummer 2 haar (joodse) speelkameraadje Marcus (Broekman) werd meegenomen door de Duitsers, om nooit meer terug te komen.
Ook is een verzetsman van huis opgehaald in de Hertenstraat. Sietzema kan het niet geweest zijn, maar wie dan wel.
De oorlog komt regelmatig terug. Vanuit het dakraam keken de broertjes Bos hoe de vliegtuigen het station aanvielen. En waar de brisantbommen waren gevallen: in de Oosterstraat en in de Elbertstraat. Maar toch nooit in de Venestraat zelf.
Angst. Op z'n minst grote bezorgdheid toen vader ineens opgepakt werd vanwege een wel buitengewoon valse Apostel. Op een zondag namelijk vond er een razzia plaats, die door de Bossen ternauwernood ontlopen was. Toen even later de Het Apostolisch genootschap naar buiten kwam, waarschuwde vader Bos een hem bekende jongeman voor de razzia. Niet wetende dat die man een wolf in schaapskleren was, NSB'er was. Die pakte hem ter plekke op en Bos belandde in het Huis van Bewaring, waar hij zich met veel moeite uitgekletst heeft.
Nota bene Piet, de oudste broer, inmiddels overleden, heeft een dagboek bijgehouden van het oorlogsgebeuren in Zwolle. Waar zou dat gebleven zijn. Ergens in een archief.
Overigens was er ook wel een soort voordeel van de oorlog. De mensen waren meer thuis en daardoor was het ook wel intiemer, voor je gevoel. Bovendien kon je geweldig spelen op straat, want zeker toen en ook nog een poos na de oorlog waren er geen of vrijwel geen auto's.

Vader en moeder Bos stimuleerden hun kinderen bij hun studie sterk. Er was zelfs iemand op kamers op zolder om inkomsten te hebben voor het studeren van zoon Piet aan de Vrije Universiteit. Hij is als chemicus zelfs gepromoveerd. Tweede zoon Jur heeft het lyceum bezocht.
Een tweede speerpunt in het educatieve programma waarmee de kinderen Bos opgetuigd werden, was de muziek. Minstens één jaar gingen zij op muziekles. De tweeling heeft er het meeste baat bij gehad. Meintje is een geschoolde sopraan, straks te beluisteren in het Caeciliakoor in de Dominanenkerk bij de uitvoering van de Mattheus Passion. Zij had van haar 16de tot haar 62 zangles.
Ebo is verdienstelijk jazz-pianist, die in contact stond met Misha Mengelberg. Hem ooit zijn muziek toestuurde en later via via begreep dat Misha zijn muziek had kunnen waarderen. In Zwolle had je de Jazz Federatie, die voor de jazz zorgde in Urbana en de Buitensociëteit.
Vader Bos zong ´s ochtends vroeg met luider stemmen psalmen in de keuken.
Het harmonium werd later een piano. En één van de oudere jongens speelde citer.
"Het was altijd heel gezellig bij ons thuis". En de ouders gingen veelvuldig op visite en dan hadden de kinderen het rijk alleen, om naar muziek te luisteren.








dinsdag 1 april 2014

HENK SLEEUW sr. , FRANCIEN MENGER, HENK SLEEUW jr. en FRANS SCHALIJ

FRANS SCHALIJ VERTELT

Maar eerst nog mijn eigen feitelijke vondsten. Henk Sleeuw (1916 – 1999) komt in april 1941 in de Venestraat wonen, met zijn zeven jaar oudere vrouw Francien Menger waarmee hij zojuist getrouwd is, en twee kinderen uit een eerder huwelijk van Francien Menger (1909 – 1991): Frans Schalij en zijn zusje Berthe. Hun vader was de directeur van de Deventer Schouwburg, die later hertrouwt en uit dat huwelijk komt Frans' halfzusje Mabel Schalij voort die hier in Zwolle lange tijd directeur van de de Culturele Raad Overijssel was en in die functie ook wel mijn pad heeft gekruist. Maar dat staat allemaal los van de Venestraat en de Sleeuwen.
Enfin, in de Venestraat wordt op 9 januari 1943 een zoon geboren, Henk Sleeuw jr., halfbroer van Frans en zijn zusje Berthe die trouwens Pop wordt genoemd.
De familie woont bijna vijf jaar op nummer 12. Of is het korter? In de Gemeentelijke Basis Adminsitratie staat als begin- en einddatum vermeld resp. 23 april 1941 en 31 januari 1946. Volgens de reconstructie die Frans maakte was het geen vijf jaar maar drie jaar. Het laatste oorlogsjaar heeft de familie in de Deventerstraat (Van Karnebeekstraat) doorgebracht, herinnert hij zich. 
Wat weten we van deze familie en hoe is het hen vergaan.
Henk Sleeuw sr. is in het bevolkingsregister ingeschreven als monteur. Er is een advertentie overgeleverd waarin Henk aanbiedt platenspelers om te bouwen met een platenwisselaar. Maar eigenlijk is hij in deze jaren een zzp’er met een eigen bedrijf: de Overijsselsche Automaten Centrale. Dit bedrijf plaatste en exploiteerde speelautomaten. 

Hotel Sleeuwerick voor het station in Coevorden
Toen de familie Sleeuw de Venestraat verliet, in januari 1946, verhuisde zij naar de Oosterlaan.
In 1955 kocht Henk Sleeuw een bestaand, vermaard  hotel in Coevorden, hotel  Van Wely, verbouwde het en doopte het Sleeuwerick. Een naam die nu nog door de Coevordenaren wordt gebruikt. Na vijftien jaar zag  Sleeuw er geen brood meer in en verkocht het.
Maar de naam Sleeuwerick is daarmee niet van de aardbodem verdwenen, want duikt op in Monaco.
Terwijl Henk Sleeuw op Tenerife is overleden in 1999, is Henk Sleeuw jr. kennelijk actief met ‘creative & commercial projects’, location Monaco in de sector Industry Marketing and Advertising. Dat het de Venestraat Henk Sleeuw is, blijkt uit een tweede google-hit, waarin Henk Sleeuw ‘the owner’ is van  de SLEEUWERICK Property Evaluation, location Monaco in de sector Industry Real Estate.


Dan staat Frans Schalij, (stief) zoon van Henk sr. en Francien Menger, en halfbroer van Henk jr. voor de deur.
Frans kan over zijn halfbroer niet veel vertellen want heeft met hem geen (regelmatig) contact.
Ik vertel dat ik ontdekt heb dat Henk jr. in 1977 vanuit zijn toenmalige woonplaats Hilversum te paard naar Parijs is gereden. Er is namelijk een radiofragment bewaard gebleven waarin over de vier weken durende en 600 kilometer lange tocht verslag gedaan wordt.
En alsof dat nog niet genoeg is wordt er in de Telegraaf ook enthousiast verslag gedaan van de voortzetting van Parijs naar Monaco, waar hij dan kennelijk is blijven hangen.
Sjonge, deze avontuurlijke man wiens wieg in de Venestraat stond!
Hij was mede-eigenaar van een manege in Hilversum, maar verdiende zijn geld dus in de reclame-wereld als tekstschrijver.







Henk Sleeuw jr. trekt de aandacht met zijn rit te paard  via Parijs naar Monaco
Op het internet zoekende naar een recente connectie kom ik deze foto tegen. Zo ongeveer moet de Henk Sleeuw er tegenwoordig uitzien wiens wieg in de Venestraat stond. En het lijkt of hij daar ook een zoon heeft. Althans er is een Henk Sleeuw die even sportief is als zijn vader en grootvader want komt uit in een tafeltenniscompetitie in Monaco.Ja, ja, er lopen lijnen vanuit de Venestraat over de hele wereld.
Op een Franstalige site van de stad Deventer kom je ook oproepen van Henk Sleeuw tegen:
www.annuaire-mairie.fr/ville-deventer.html en via zijn profielfoto kom je dan op zijn facebook-pagina: Die Henk Sleeuw komt inderdaad uit Zwolle, woont in Monaco en zat in 1964 op het Baarnsch Lyceum. En op die pagina staat ook een jongere Henk Sleeuw, maar ja dan raken we wel ver van huis.  Tot slot nog een tekstje van de tegenwoordige Henk Sleeuw van het internet: "Very Good indeed !!! I’ve been in advertising over 25 years as copywriter and TV-program(Ideas) maker in Holland. Now living here in Monaco I see SO many lost tourists walking around completely lost because it seemd SO small and you walk SO long, and the children SO tired. that I am working on a site with Brainhost (Sorry) to start with knowledge about FINANCE. As you may know, Monaco is TAXFREE well, that’s what “they say” And you just delivered me all the details necessary to make it work. Will this do as an answer ? (part from mistakes in English) So thank you very much   henk sleeuw (augustus 2012)
.
Tot zover Henk Sleeuw
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Maar dan wordt het nu tijd om Frans (1934) aan het woord te laten. Hij is tachtig, maar dat geeft echt niemand hem.

Frans Schalij voor Venestraat 12, let op de getraliede kelderlichten

 Hij heeft een bijzonder levendige voordracht, heeft veel oog voor het smaakmakende detail en formuleert scherpzinnig. Zijn aangeboren opmerkingsgave is voor de in de historie van de Venestraat geïnteresseerde een zege want levert een rijkdom aan wetenswaardigheden.
Toen hij met zijn moeder, zusje en jonge stiefvader hier arriveerde, was dat wel heel erg wennen. Hij was een zoveel groter huis gewend, met een zo heel andere huiselijke orde en dan ook nog naar een vreselijke lagere school aan het Assendorperplein, school 11 van ene meester Zelle. Wandelend door de buurt wijst hij de huizen aan van de jongens die hem pestten en aftuigden. Vooral zijn brilletje moest het regelmatig ontgelden. Nee, niet alleen nare kereltjes uit de Tuinstraat, toen een echte achterbuurt, maar ook jochies uit de Hertenstraat. Een ventje dat van achteren Afman heette en z'n handen ook niet thuis kon houden, schijnt het heel ver geschopt te hebben en puissant rijk geworden in de bankwereld annex Hollywood. Frans portretteert zichzelf dan ook als een jongetje dat heel beschermd was opgegroeid in Deventer en nu tekort kwam in streetwisdom
Francien Menger en Henk Sleeuw jr. in de Venestraat
Zijn nieuwe vader deed z'n best hem te harden: had Fransje net voor hem de auto gepoetst moest hij opnieuw beginnen omdat vader de gewassen auto alsnog opzettelijk besmeurde. Karakterologisch, vat Frans het samen, paste hij als bedeesd, leergierig gymnasiast totaal niet bij die lichamelijke, hyperactieve, nieuwe man van zijn moeder.
Waarom was zijn moeder die aan de zijde van zijn eigen vader in Deventer, haar eerste man, toch een positie had, gevallen voor een zoveel jongere man voor wie het echte leven nog moest beginnen? De heer Schalij was niet thuis in die periode die aan de oorlog vooraf ging want als reserve-officier opgeroepen in het kader van de mobilisatie en Henk Sleeuw was niet alleen een aantrekkelijke man maar veel belangrijker een spontane, actieve, sportieve, muzikale, joviale, charmante man.Hij speelde in alle mogelijke bandjes en orkestjes, beheerste een aantal instrumenten als accordeon, saxofoon en piano. Speelde waterpolo, zeilde en ga zo maar verder. Een bink, een vrolijke man waarbij Frans' moeder, een welopgevoed deftig dametje,  zich ongetwijfeld ook zoveel jonger voelde, aangetrokken door de dynamiek die van Henk uitging. 
Toen is Francien plots met Henk meegegaan, het avontuur tegemoet. Frans en zijn zusje waren daarbij  een soort aanhangsels. Zo heeft Henk dit huis in de Venestraat gevonden. Hij verdiende de kost door speelautomaten te kopen en die te plaatsen in de horeca-ondernemingen in en rond Zwolle. Daarmee is de Overijsselsche Automaten Centrale van de grond gekomen. Voor zover dat al niet uit het bovenstaande blijkt was Henk een praktische man, met een sterk anti-burgerlijke inslag. Hij liet bijvoorbeeld dure maatpakken maken maar droeg ze dan weer niet. Was graag in het gezelschap van mannen die het zakendoen gemakkelijk afging, geslaagde, ambitieuze mannen, in de bars van de betere etablissementen. Het Pothuis van hotel Wientjes bijvoorbeeld. daar werden zaken gedaan door de categorie New Riche, mannen die in de handel zaten.
Een patser was het volgens Frans niet. Maar toen hij het breed kreeg, liet het wel graag breed hangen. Hij reed bijvoorbeeld een Porsche, de zesde in Nederland indertijd.

Frans was regelmatig enigszins gechoqueerd door het optreden van zijn stiefvader, maar veel meer nog had hij een grote bewondering voor hem. En het huwelijk met zijn moeder was ook zeker geen bevlieging, al had hij later vriendinnen en eindigde het huwelijk er ook mee dat zijn moeder daar genoeg van had, (in 1966 werd nog het 25 jarig huwelijk gevierd). Francien heeft zoals eertijds voor Henk Sleeuw nu voor een huisarts in Bussum Henk Sleeuw man verlaten.  
Henk heeft de basement van de Venestraat uitgegraven om daar werkruimte van te maken. Nog steeds zijn de getraliede kelderraampjes daar de getuigen van.

Frans Schalij in de Deventerstraat=Van Karnebeekstraat, het huis van Van der Sluis

Parade Kriegsmarine in Zwolle
Maar zoals ook buurjochie Frans Hugen gezondheidsklachten kreeg ten gevolge van de vochtigheid, zo hinderde die vochtigheid ook het jonge gezin Sleeuw. Aan het eind van de oorlog deed zich de gelegenheid voor om in te trekken in het door de Joodse goudhandelaar Van der Sluis noodzakelijk verlaten hoekpand Deventerstraat (Van Karnebeekstraat ) / Hertenstraat. Op voorwaarde dat de hoge Duitse officier die daar woonde verzorgd zou worden. Dacht Gerrit Salet nog dat het de Ortskommandant was die daar woonde, Frans herinnert zich heel goed een officier van de in Zwolle gelegerde Kriegsmarine: Fred Zamek, een slanke dertiger uit Wenen, die daar de directie over een fabriek voerde. 
Best mogelijk dat aanvankelijk Häussermann de Ortskommandant hier woonde en toen die naar elders vertrok het huis leegkwam, waarna Sleeuw en Zamek erin trokken. Zamek was een onberispelijke, uiterst punctuele heer, in houding en gedrag, tafelmanieren en persoonlijke verzorging. Van ouwerwetse adel, zou je kunnen denken als je hem zo zag. En voor wie eraan twijfelt over Zwolle wel te rijmen valt met de Kriegsmarine, welnu er zijn op e-Bay foto´s te vinden van de Kriegsmarine in Zwolle. Heel wel mogelijk dat de heer Zamek hier deel uitmaakt van de paraderende kriegsmariniers, op deze ongedateerde maar zeker in Zwolle genomen foto. 
De 'Zwolse' Kriegsmarine voor de kazerne
Op bovenstaande foto staat een deel van de Kriegsmarine in Zwolle aangetreden voor de kazerne. De Zamek was bovendien ook ski-leraar en het bevredigende contact in de Deventerstraat leidde ertoe dat de Sleeuwen in de naoorlogse jaren de heer én mevrouw  Zamek in Wenen zijn gaan opzoeken en met deze familie op skivakantie zijn geweest. Uit dit soort mededelingen blijkt wel dat Henk Sleeuw inmiddels een succesvolle zaak had met zijn speel- en gokautomaten. Maar in de oorlog moest Henk ook voortdurend op z'n hoede zijn dat hij bij een razzia niet opgepakt werd en naar Duitsland gestuurd in het kader van de Arbeitseinsatz. Hij heeft een poos ondergedoken gezeten bij de Dalfser Vechtstuw, in een bootje. Een man op leeftijd uit de Walstraat, een zekere Koekoek, verzorgde de verbindingen: bracht eten en schone kleren. In de Venestraat heeft Sleeuw zich ook eens over het dak uit de voeten gemaakt, samen met Gé Willigenburg van de overkant. Uiteindelijk loopt hij een keer tegen de lamp en wordt hij met een stel lotgenoten verzameld. Henk beweegt zich soepel en organisch naar de achterste rij en alsof het de gewoonste zaak van de wereld is draait hij zich doodkalm om en loopt weg. Voor Frans is dit zijn vader Sleeuw ten voeten uit: deze praktisch slimheid en weten hoe de wereld in elkaar zit.
Nog een oorlogsverhaal. Op een of andere manier wordt Sleeuw benaderd om als barpianist te komen musiceren in de Duitse officierskantine in de Sassenstraat. Hij hoopte zo tegelijk uit handen te blijven van de Duitsers wanneer die op zoek gingen naar jonge mannen voor de arbeidsdienst in Duitsland. Heeft Sleeuw enige maanden gedaan. Hij heeft de beheerder, waarschijnlijk een Zwolse NSB'er Trousselot, eens helemaal in elkaar geslagen, zo gaat het verhaal in de familie. 
Toen na de oorlog de Kriegsmarine ins Heim marcheerde en de familie van der Sluis heelhuids terugkeerde uit de onderduik, moest Henk Sleeuw een ander huis zien te vinden. Dat werd Oosterlaan 17 van daaruit ging Frans naar het gymnasium en de kleine Henk naar de Parkschool: de periode 1945 - 1952. Het ging Henk sr. allengs beter, met speeltafels, flipperkasten, fruitautomaten en juke-boxen uit Amerika,en hij kocht een huis aan de Oude Veerweg. Toen Frans al in Groningen rechten studeerde kocht Henk het hotel in Coevorden. Misschien kwam Hein Langemeijer, opgegroeid op nr. 21, hier ook wel, want het hotel herbergde ook de bezoekers aan de NAM-installaties in het olieveld van Schoonebeek. Het was trouwens  aan echtgenote Francien te danken dat het hotelbedrijf organisatorisch, managemental en zakelijk-financieel dat niet dadelijk een fiasco werd. In tegendeel, het kreeg een grote faam vanwege zijn feesten en partijen. 
Oosterlaan 17
Frans, Pop en de kleine Henk, Oosterlaan 17
Maar dan ligt de Venestraat al heel ver achter ons. 
We gaan dus weer even terug in de tijd, naar de Venestraat, in de oorlog, Frans was nog een lagere schoolkind. Met zo'n aanwezige vader, als hij tenminste aanwezig was, voelde Frans zich toen regelmatig een vreemde in huis. Dan miste hij de aansluiting bij zijn vader. 
Eigenlijk voelde hij zich in de periode Venestraat het prettigst in het gezelschap van Nico, Ebo en Meintje Bos, die op nummer 16 woonden. De tweeling Meintje (1937) en Ebo (1937) waren wel een paar jaar jonger, maar Frans trok zich op aan hun speelsheid en vitaliteit. Nico, zijn leeftijdgenoot, bood hem iets minder inspiratie. De familie Bos was "héél gereformeerd en mocht op zondag niet buiten spelen", maar dat was geen belemmering voor Fransje om "alle dagen" hun gezelschap te zoeken. In de rustige sfeer daar in hun huis gedijde Frans beter dan in de door zijn drukke, 'wilde', onvoorspelbare vader gedomineerde sfeer thuis. Ze deden veel spelletjes, Majong. "Als je die tweeling een uur had meegemaakt, dan kon je twee dagen verder." Vader Ebo Bos was hoofdvertegenwoordiger van de gebroeders Zwartsenberg, een kledingbedrijf in Groningen, zag er heel keurig uit, met allemaal klanten op het platteland. 
Waarschijnlijk was Frans wel een wijs kereltje. Hij werd in elk geval door mevrouw Pas, mevrouw Thiebout en de "zo stille, rustige, lieve, zachtmoedige maar ook trieste" Dijkstra's vriendelijk bejegend. Of hij een snoepje zou lusten. Dat de Dijkstra's  na de deportatie van Coen(raad) eigenlijk steeds de blik op het station gericht hielden, kan Frans als beklemming nog steeds navoelen. Ook zijn ouders Henk Sleeuw en Francien waren zeer begaan met de Dijkstra's. Frans heeft ook van de andere buurtgenoten nog el een beeld. Mevrouw Burbach bijvoorbeeld, die er op z'n Engels keurig uitzag als ze uitging om boodschappen te doen, met een hoedje op en lipstick, uit een modeblad van de dertiger jaren. Op een onhippe manier maar op haar eigen manier hip. Soms verscheen zij in een tennistenue, op weg naar de tennisbaan.. En dan de dames Wolff en Gilliams. De pianostemmer De Jong van de overkant die heel regelmatig de piano van Henk Sleeuw kwam stemmen. De meiden van Bodewes waren merendeels al wat ouder, en de dochters van mevrouw Pas in elk geval. De kinderen zorgden als het ware voor de verbindingen. De ouderen gingen niet intensief met elkaar om. Dat de familie Langemeijer opgevolgd wordt door de familie Kleinjan, weet Frans nog, hoewel ook met die families nauwelijks contact was.
De straat meed de familie Klinkert, omdat het een gesloten huis was waaromheen bovendien een Duitse geur hing. Mevrouw Klinkert was een Duitse society dame.
Overigens was de familie Schutte aan het begin van de straat nog veel openlijker en duidelijker pro-Duits. De heer des huizes stond bekend als een overtuigde NSB'ér, met één van de zoons. En er was nog een foute man, één van de zoons van de pianostemmer De Jong. Die schaamde zich daarvoor. Toen die zoon terugkwam uit de oorlog, uit Duitse krijgsdienst, en met de nek werd aangekeken, heeft Sleeuw hem nota bene in dienst genomen, vanwege zijn goede betrekking met vader De Jong.
Met Gé en zijn vrouw, de familie Willigenburg (van 11a), gingen de Sleeuwen heel vriendschappelijk om. In Frans' herinnering deden ze alles samen. De Willigenburgen hadden op de Spoolderberg, aan het eind van de Veerallee, een uitspanning annex lunchroom, banketbakkerij en theeschenkerij mét tennisbanen. Ook na de oorlog bleef de vriendschap bestaan en Gé en zijn vrouw gaven nog acte de présence op het 25-jarig huwelijksfeest in 1966. 

De enige connectie met de kleine Venestraat werd verzorgd door Frans' zusje. Die zocht merkwaardig vaak het gezelschap van de schoenmaker Moossdorff, op de hoek met de Tuinstraat. Een ongetrouwde, morsige, rustige man die je altijd aan het werk zag. Het bijzondere van die man was, - hij had geen neus. Hij had een wassen neus. Wat Berthe / Pop in die man zag? De serene rust? Hij luisterde, terwijl zij babbelde? Ook een vluchtadres voor haar die uit haar eigen sfeer gehaald was? Raadsels van de ziel. 

Hoe heeft hij halfbroer baby, peuter en kleuter Henk ervaren? Dat was in zekere zin een aardje naar zijn vaadje. Een creatief kereltje. Merkwaardig was dat hij door zijn onderwijzeres als een zoontje werd beschouwd en behandeld. Zij nam hem mee naar haar huis. Die onderwijzeres had zelf geen kinderen en haar moederschapsgevoel stopte zij als het ware in kleine Henk.  

Wat was nu het bijzondere van de Venestraat. In tegenstelling tot de Terborchstraat en de Derk Buismanstraat die eenvormige, beetje saaie, gesloten straten waren, was de Venestraat een veel dynamischer straat . Onderging veel sterker de invloed van de nabijheid van het station en de beweeglijkheid die daarmee annex is en heeft steeds een in sociologische of sociografische zin veel sterker gemengde bewoning gehad. Hier was het niet soort-zoek-soort maar beroepsmatig en religieus liepen de verschillende families veel meer door elkaar.

En Frans? Is na zijn rechtenstudie toch geen advocaat geworden, hoezeer hij daarvoor door zijn omgeving ook voor geknipt leek, maar zoals hijzelf zegt bedrijfsjurist. Over zijn jaren voor het bedrijfsbureau van het Nuffic in Den Haag vertelt hij met veel plezier. Het Nuffic is een belangrijke non-profit organisatie actief in het veld van de ontwikkelingssamenwerking en organiseert internationale samenwerking in het hoger onderwijs. Het International Institute for Social Studies bijvoorbeeld is nauw aan het Nuffic gelieerd.
Frans woont in Deventer en is niet getrouwd en schept plezier in het onderhouden van vriendschappelijke banden die onder andere teruggaan op zijn studie in Groningen.
Hij zou heel graag met name Ebo en Mijntje nog eens ontmoeten. 
(En dat is inmiddels ook gebeurd.) 

  

vrijdag 28 maart 2014

HANNI DOKTER OVER DE DOKTERS VAN NR. 6

Vandaag een zeer plezierig bezoek gebracht aan twee oud-Venestraatbewoners.
Nou ja, de ene, Hanni Dokter, woonde vier jaar in de Venestraat, op nummer 4. Zij is de oudste dochter van de heer en mevrouw Dokter die bijna veertig jaar op nummer 4 hebben gewoond.
De ander, Jan Brokkelkamp, heeft vooral heel lang in de Venestraat gewerkt, op nummer 2 om precies te zijn voor het bedrijf van de heer Molenaars uit Wezep, Poly-Ned B.V. Dat is een inmiddels landelijk bekend bedrijf dat in luchthallen doet. Tennishallen zijn een vermaard product. Achttien jaar heeft Jan voor dit bedrijf gewerkt.

Hanni en Jan, al meer dan 50 jaar getrouwd, hebben (uiteindelijk) hun hart gevolgd. Hanni runde een eigen ballet- en dansschool. Haar studio stond in tweede instantie in de Geerstraat, in het centrum van Kampen. Vijftien jaar geleden is zij, op haar zestigste gestopt. Dat was het moment waarop Jan de studio ombouwde tot galerie voor de dingen die hij in zijn atelier, de voormalige kleedkamer, maakt: schilderijen met een geometrisch thema, glas-in-lood, fusion-glaskunst.
Toen het stel allang in Kampen woonde werkte Jan nog altijd in de Venestraat.  Hij vervulde een sleutelrol voor Poly-Ned: hij deed aan acquisitie, bedacht oplossingen voor het probleem van de klant, maakte de offerte, ontwierp de technische constructie daarvoor, begeleidde de fabricage van die constructie lsook de plaatsing en ingebruikname.
En toen hij naar Zwolle forensde bracht hij dikwijls de in Kampen kant-en-klaar gemaakte maaltijden mee voor schoonvader en schoonmoeder Dokter.
Want mevrouw Dokter was allerminst een geoefende huisvrouw. Het koken liet zij aan haar man over, die gelukkig een kantoor aan huis had. En Hanni herinnert zich ook nog zeer goed dat zij als kind werd aangekleed door een kindermeisje toen het gezin nog in de Bloemstraat woonde. Moeder was een luxe-paardje, lijkt Hanni te zeggen. Op een goed moment kreeg zij een eigen autootje en iedere week naar de kapper. Vader was een joviale, leuke  man, die het met iedereen goed kon vinden. Klantgericht in zijn werk, toegewijd aan zijn vrouw en kinderen.  
Hanni was al 18 toen haar vader Venestraat 4 voor 19.000 gulden kocht in 1956. Twee jongere zusjes en oom Dirk, een broer van haar vader, verhuisden mee. Zij was te oud om op straat te spelen en van de buren weet zij uit die tijd alleen nog dat op nummer 2 de familie Van Es woonde, met kinderen en aan de overkant de familie Huizinga. Naast de familie Huizinga woonde een streng gereformeerd gezin die –heel zielig-  de kinderen ’s zondags binnen hielden, omdat het ‘zondag’ was.
Meisjes van achttien hebben wel wat anders aan hun hoofd dan de buren in de gaten te houden. In zoverre ben ik bij Hani dus aan het verkeerde adres. Maar het beeld van haar vader en moeder wordt wel iets duidelijker.

Vóór de periode Venestraat woonde de familie in de Bloemstraat. Vader deed van alles. In verzekeringen, administratie, boekhouding, belastingaangiften én hij was begrafenisondernemer. Hij had geen ‘kachelpijp’, maar een steek, zoals een palfrenier, een zwarte. En een lange zwarte jas met tressen.  In de oorlog was dat ook zijn camouflage-pak. Met deze uitrusting en een paar oude rouwkaarten ostentatief in de hand spoedde hij zich in spertijd waarheen hij maar wilde. Het ontzag voor de dood weerhield Duitse patrouilles ervan hem lastig te vallen. Zie hem gaan.
Eenmaal in de Venestraat gaf hij het begrafenisondrnemerschap eraan en hield zich bij zijn goedbeklante administratiekantoor.
Op het adres van de Docters stond ook ene Kuyntjes, campingbeheerder ingeschreven. Maar dat blijkt toch niet helemaal naar de werkelijkheid. Zeker, Leen Kuyntjes is geen onbekende van de familie. Hij is de schoonzoon die met Josette getrouwd is. Maar hij heeft nooit ingewoond. Zal wel een administratieve reden hebben gehad dat hij daar ingeschreven stond. Na zijn diensttijd zocht Leen een baan. Zijn aanstaande schoonvader bracht hem toen in contact met een rijkaard die her en der vastgoed bezat, onder andere een camping in Luxemburg. En daar is hij toen de beheerder van geworden.
Josette, Leen en twee kinderen zijn geheel geïntegreerd in Luxemburg. Leen heeft er nu een installatiebedrijf. De Dokters van nummer 4 gingen er regelmatig logeren. Jammergenoeg liggen de familiale fotoboeken ook in Luxemburg. Maar wie weet, als ik het aardig vraag, kunnen er nog een paar Venestraat-gerelateerde foto’s gescanned worden.
Er is nog een derde zus maar die is uit beeld.

Wij hebben de heer en mevrouw Dokter nog persoonlijk gekend. Op een dag vonden we een briefje in de bus dat opa Dokter 80 ging worden. Met de suggestie om hem te gaan feliciteren. Onze dochters Eva, buurmeisje Lotte Smit en vriendinnetje Maartje Beeker hebben toen een groot spandoek gemaakt met daarop de bekendmaking van het heuglijke feit en de bijbehorende gelukwens. Onder het zingen van de bekende en een zelfgemaakte gelegenheidsliederen  ging de mini-optocht naar de residentie van de jarige.  Opa Dokter, zoals hij vanaf dat moment ook bij ons heette,  was zeer vereerd, maar voor het overige was men enigszins in verlegenheid omdat er niet op zo’n delegatie feestvierders was gerekend. Er was ‘niks’ in huis.

Maartje, Eva en Lotte. Maar de fotograaf zit hen kennelijk dwars. En nou is de foto ook nog 'bewogen'.

Dat laatste zit niet in mijn ‘overlevering’. Het is dat Hanni me dat nu vertelde, meer dan 25 jaar later.
We zijn een paar maal over en weer bij elkaar op bezoek geweest. We hebben meegeleefd toen opa Dokter zoek werd, en na een kort ziekbed stierf. We hebben wel eens een boodschap gedaan toen het koud was en er een berg sneeuw lag. Ik heb oma Dokter wel eens (twee keer) naar de kapper gebracht toen haar vaste chauffeur er niet was. Je zou kunnen zeggen een heel voorzichtig begin, de eerste schrede op weg naar de participatiemaatschappij.
.

Opa okter is in stilte begraven (of gecremeerd) en oma Dokter heeft nog een paar jaar in de Molenhof gewoond.

vrijdag 21 maart 2014

HEIN en NINI LANGEMEIJER van nummer 21

Zutphen, 10 april 2019 Henri Cornelis Gerard Langemeijer, Hein, is overleden. Hij is 96 jaar geworden. Ik bewaar mooie herinneringen aan deze eertijdse bewoner van de Venestraat.



Driemaal heb ik hem uitvoerig ontmoet. De eerste keer heb ik hieronder beschreven: ik was onder de indruk van deze aardige, gedistingeerde man die zich alle moeite gaf om de belangstelling van zijn gesprekspartner te peilen en diens vragen te beantwoorden. 
De tweede maal was in 1915, toen ik Hein Langemeijer heb opgehaald uit Zutphen om in Zwolle nog eens plekken van zijn jeugd te bekijken: het huis in de Venestraat, het Gymnansium Celeanum, het huis in de Wilhelminastraat, het kantoor van zijn vader, de Hoofd-Ingenieur-Directeur van Rijkswaterstaat ir. F.S., en het stadshart. Ik laat een paar foto's zien van dat bezoek:

Venestraat 21 exterieur

   
Venestraat 21 interieur met Karin van der Zwaagt














Nog eens met de huidige bewoonster Karin 















Emmawijk, kantoor van de H.I.D.van Rijkswaterstaat

































Nog een derde keer heb ik Hein Langemeijer opgezocht. De aanleiding was hoogst merkwaardig. Mevrouw Lya Kaptijn uit Middelburg vond op een boekenmarkt aldaar een baby-peuterboek Ons Kindje dat gemaakt was door Heins moeder. Hoe dat zoveel jaren later in vredesnaam op een boekenmarkt terecht kon komen, zal raadselachtig blijven. Lya is gaan googlen en vond mijn blog met een post over Hein en Nini Langemeijer en vroeg naar de mogelijkheden om het boekje te doen bezorgen bij degene die toch de rechtmatige eigenaar moet zijn en tevens de hoofdpersoon van het werk. In het boek zat ook nog een trouwkaart van Hein en zijn vrouw Bernice.
Enfin, ik heb de verzendkosten overgemaakt en kreeg het boekje toegestuurd om het prompt daarop naar Zutphen te gaan brengen.
Ook daarvan en daaruit  een paar foto's:







Hij ruste in vrede.

 -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De heer ir. H.G.C. Langemeijer woont tegenwoordig in het St. Elisabeth, een modern vormgegeven woonzorgcomplex, prachtig gelegen tegen de oude stadsmuur van het centrum van Zutphen, Geweldigershoek heet het daar en Langemeijer woont op nummer 5. Ik had hem opgebeld met de vraag of hij mij zou willen ontvangen. Toen ik op de afgesproken tijd aanbelde bij het prachtige huis aan de Berkelkade vertelde zijn buren dat hij anderhalf jaar geleden verhuisd was naar het St. Elisabeth. Voor het doel van dit relaas noem ik de heer Langemeijer bij zijn voornaam, Hein.
Hij loopt voorzichtig en wankel met een stok en spreekt moeilijk ten gevolge van een attaque, nu alweer een jaar of zeven geleden. Kerngezond, omschrijft hij zijn conditie. Iedere dag wandelt hij met zijn rollator om in beweging te blijven. Toen het duidelijk werd dat hij om wat verder te kunnen lopen dan van de stoel naar de tafel een hulpmiddel nodig had, heeft Hein welbewust afgezien van een rolstoel of iets elektrisch en gekozen voor de rollator. Hein houdt zijn Magere naamgenoot voorlopig nog buiten de deur.

Zijn motoriek en zijn spraak ontnemen niet het zicht op een aangeboren distinctie.  Zoals hij gekleed gaat, zoals hij graaft in z’n geheugen en formuleert en zoals hij lacht en kijkt. Hij doet z’n uiterste best om mij ter wille te zijn en excuseert zich een paar maal voor wat hem in de loop der jaren is ontglipt. Ik kan me voorstellen dat Hilly Bodewes ooit een beetje verliefd was op deze man in zijn jongelingsjaren.


"Toen we op de hoek woonden van de Veerallee/Wilhelminastraat was het wel fijn dat het Gymnasium Celeanum slechts vijf huizen verder was." Moeiteloos geeft Hein een lijstje namen van leraren van wie hij les gehad heeft. Die hebben hoe dan ook meer indruk gemaakt dan de heer en mevrouw Schaad, Dijkstra, Stas, Klinkert en Bodewes, aan wie hij een veel vagere herinnering bewaart: Jansen, Tolma, Teunis, van der Laan, Van Noppen (kastie op een weiland achter de school!). De oorlog barstte los toen Hein nog op school zat. In 1941 slaagde hij voor zijn eindexamen. Hij is Delft gaan studeren, aanvankelijk voor natuurkundig ingenieur, maar hij studeerde in 1951 af als mijningenieur. Deed hij tien jaar over zijn studie? Hij heeft enkele jaren ondergedoken gezeten in het doodstille, uitgestorven Hardenberg waar werkelijk niks gebeurde, om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Hij kwam met een zekere regelmaat naar huis, naar Zwolle en trof daar eens -in de laatste oorlogsdagen-  zijn ouders in de kelder omdat de wegtrekkende Duitsers de binnentrekkende Canadezen bombardeerden  en daarbij hun mortieren op het station richtten.

Na zijn studie is hij in dienst getreden van een mijnbouw-maatschappij en in Bolivia aan het werk gezet. Ongetrouwd. Maar de omstandigheden maakten hem ziek: het werk op grote hoogte zonder dat hem de tijd was vergund dat zijn lichaam zich daaraan had kunnen aanpassen. Na een half jaar is hij teruggekomen naar Nederland. Jammer dat hij daar toen zo ziek is geworden, want het werk was fascinerend. Terug in Nederland is hij gaan weken bij de B.P.M, de Bataafse Petroleum Maatschappij, in Den Haag, maar zijn ogen gaan glanzen bij de ja-knikkers in Schoonebeek in Zuidoost Drenthe, bij Coevorden, waar hij ook is gaan wonen. De B.P.M. werd later Shell. Vervolgens heeft hij zijn loopbaan voortgezet bij de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie, één van de bedrijven waaruit Akzo ontstond. Hij werkte toen in Hengelo en woonde schitterend buitenaf nabij Losser. Ik vraag naar ‘Boekelo’ en ik krijg een exposé hoe enthousiasme en ondernemingslust in die oude tijden ook wel tot veel fouten en ongelukken had geleid. Boekelo was ook in zijn tijd al geschiedenis. Hij was indertijd min of meer bevriend met de eveneens in Losser woonachtige zeer actieve, scherpzinnige amateur-geoloog W.F. Anderson.
Dan is Hein al getrouwd met mejuffrouw B.M. de Jong, Bernice, en heeft hij twee zoons en een dochter Frank, Marjolein en Maarten.

Wat deed Hein als jochie en nu als grijsaard het liefst? Hij heeft heel veel gereisd. De bergen hebben hem altijd geboeid. De vele fotoboeken getuigen daarvan. Daarbij onderhield Hein een groot netwerk van vrinden. Hij vervulde van jongs af aan bestuursfuncties: zie de foto's van hem en trouwens ook zijn zusje in het bestuur van de Z.G.B., de Zwolse Gymnasiasten Bond. In zijn eerste functie was hij nuntius. Klinkt nogal rooms maar is het Latijnse woord voor bode, boodschapper. In zijn studententijd is hij in Delft ook weer bestuurslid van zoiets en dan heeft hij zitting in de senaat, het bestuur van het studentencorps.
Nu de wereld kleiner is geworden, leest hij nog steeds graag, geen romans, geen dikke boeken maar bij voorkeur beschouwingen, essays. Nee, sport was niks voor hem, al heeft hij wel geroken aan de bergsport.

Hier met zijn vader, het tweede stel van links:



Vader ir. F.S. Langemeijer, Frans voor intimi, was een aardige man, ruimdenkend en goedhartig. Hij is allang dood. Hein was zeer op hem gesteld. Met pretoogjes vertelt Hein hoe zijn lange vader in hun klein bemeten Fiatje stapte. Hein trekt wanhopig met zijn schouders en zou het raadsel liefst vandaag nog opgelost zien als ik vraag waarom zo’n vooraanstaande man die qua salaris ongetwijfeld bij de upper ten behoorde, zo’n klein autootje had aangeschaft. Waarom niet eerst een proefritje, bijvoorbeeld.



En zou dit dan het autootje van Langemeijer zijn? Hoeveel Zwollenaren zouden in die tijd zo'n autootje gehad hebben en parkeren voor het Gerechtsgebouw?

Met sprekende gebaren geeft Hein aan welke aanzienlijk lengteverschil er tussen zijn vader en zijn moeder bestond. Wie weet was zijn moeder verantwoordelijk voor deze aankoop, mogelijk in de gedachte dat de ruime auto met chauffeur (Zieleman) die haar man qualitate qua tot beschikking stond, hem naar het hoofd gestegen was zodanig dat daarop een correctie was gewenst. Het was een Fiat Topolino.
De buren stonden achter de gordijnen te lachen als de heer Langemeijer zich in het autootje plooide. Maar die Jacques Piquet was zelf nog veel langer en zíjn verloofde was een uitgesproken kleintje.  Helemaal geen gezicht, volgens Hein.

Even een intermezzo over die familie Piquet. Hein haalt de familie een paar maal aan en noemt daarbij ook Ten Doesschate. Maar die woonde er niet, dacht ik. Maar ik ben er uit. De weduwe Piquet is mevrouw W.J. Piquet-ten Doesschate. En haar man J.S. Piquet jr., zoon van J.S. Piquet sr die een bekende leraar aan de Rijks HBS was, was de enige firmant van de firma Ten Doesschate, zijn schoonvader dus. Deze Jacques Sully Piquet is één der oprichters van de Burgerwacht in 1914, de commandant van deze waakzame mannenclub, voorzitter van de Doopsgezinde Gemeente én hij is consulair agent van Frankrijk voor de provincie Overijssel. Een zeer actieve man dus en zijn overlijden op 21 september 1927 zal een groot verlies zijn, voor zijn gezin en de Zwolse samenleving. Hij werd slechts 48 jaar. De weduwe Piquet woonde van 1930 - 1935 op nr. 19a, met haar zoons Jacques, Jurrie en een dochter Desirée. Zij verleed in 1959. Die firma ten Doesschate was ontstaan in rond 1910 en hield zich in de Bitterstraat bezig met de in- en export van levertraan, de handel in specerijen en de fabricage van verf. Het bedrijf werd later uitgebreid in de binnenstad, maar nam uiteindelijk de wijk naar Wapenveld. 
Hein spreekt ook met bewondering voor een bevriende relatie van zijn ouders, die voedselcommissaris was, een zekere Warner? Jasper Warner was een bekende Zwollenaar, voorzitter van de Kamer van Koophandel, sportheld, maar stierf in 1942. Had zich in de Eerste Wereldoorlog ook al bezig gehouden met de distributie vanwege de schaarste en de onrust daaromtrent. Was zijn ook succesvolle zoon Jan Warner degene die Hein bedoelt?  De nadruk die Hein legt op het goede vaderlanderschap doet denken alsof er later aan zijn integriteit getwijfeld werd. Dat zijn van die typische problematieken van de jaren na de oorlog waarbij ook vader Langemeijer betrokken zal zijn geweest. 

Hier in de portiek van Venestraat 21 speelt Hein met de hond terwijl Nini toekijkt.
Hein en Nini speelden eigenlijk niet op straat. Maar hij weet nog dat het dienstmeisje zijn fiets die kennelijk in de portiek geparkeerd stond, voor hem op straat zette zodat hij door de buurt fietste, recreatief. Hij zat op de Nutsschool en fietste ook wel naar een een vriendje van school. Hij had geen vriendjes in de straat en zomaar meespelen was er voor de erg verlegen Hein niet bij. Het dichtstbijzijnde vriendje was Hans Burbach in de Van Nagellstraat. Bert Stas, buurjongen was niet zozeer een vriend. Hein doet een achterbuurjongen na uit de Terborchstraat, een jongen Sollewijn Gelpke, die regelmatig de aandacht trok van Bert Stas door uit zijn raam over de binnentuinen te roepen: "Bèrtjú!! Bèrtjú!! Kom je spelen!" Ja, waarom zou een geheugen deze roep maar liefst tachtig jaar hebben vastgehouden?
Nini oftewel Eugenie (1919), was twee-en-een half jaar ouder. Nini heeft ook gymnasium gedaan, maar is in het zicht van de haven gestrand. Zij zakte voor haar herexamen in 1940, en heeft het niet meer overgedaan. Wat zij precies voor de kost heeft gedaan tót haar huwelijk met de Rotterdamse chirurg Vervat, weet Hein niet meer. We kunnen het ook niet meer vragen, nu zij enkele maanden geleden een beroerte heeft
gehad en volgens Hein erg in de war is. Zij woonde in Apeldoorn en wordt nu verpleegd in Driebergen.

Nini en Vervat hebben één dochter gekregen, Henrike Jacomine (1944). Tragisch genoeg is zij op jonge leeftijd bij een auto-ongeluk waarbij zij tegen een boom reed, om het leven gekomen.
Dit is Nini. 
Na de pensionering van haar echtgenoot is Nini met hem in hun zomerhuis in Vierhouten gaan wonen. Hein heeft daar met zijn gezin regelmatig gelogeerd.
Vader Langemeijer was 67 toen hij stierf, in 1953. Hij leed aan angina pectoris en is achter het stuur van de Topolino onwel geworden en ter plekke gestorven, op de schouder van de jonge vrouw van Hein die naast hem zat.
Hein herinnert zich dat zijn vader heel langzaam liep. Vanuit de Wilhelminastraat waarheen de familie verhuisd was vanuit de Venestraat, liepen de heer en mevrouw Langemeijer naar de bioscoop in de Buitensociëteit. Maar Heins moeder gaf zijn vader óf een voorsprong en haalde hem dan in óf ging vast vooruit. Zij liepen nooit samen. Heins moeder heeft haar man maar liefst 31 jaar overleefd en stierf in 1984.
Waar was het kantoor van zijn vader? Volgens Hein aan de overkant van de Willemsvaart, aan de Willemskade en kennelijk verhuisde dat kantoor ook regelmatig want aan het Van Nahuysplein (14) en de Stationsweg (9) zat de H.I.D. van de Rijkswaterstaat Langemeijer ook.


Vader en moeder Langemeijer met de hond, de dochter van Nini, grootmoeder, Nini en daarachter links Hein en naast hem zijn zwager Vervat. 

Toen Hein twee jaar was is de familie vanuit Terneuzen naar Indië gegaan om daar tot 1929 te blijven. Langemeijer deed eerst dienst in Semarang, Java, en later in Balikpapan, Borneo. Tijdens een voor Indië-gangers normaal maandenlang groot verlof brak de crisis uit. Althans dat maak ik ervan. Hein vertelde: "Brak de oorlog uit", maar ik zou niet weten welke oorlog in 1929/1930 verhinderde dat de familie terug naar Indië ging. Feit is dát zij niet zijn teruggegaan. Heins vader kreeg toen de keus tussen een overplaatsing naar Arnhem en Zwolle. Hij schatte zijn kansen op promotie het grootst in bij een keus voor Zwolle, waar hij eind 1930 het huis kocht van collega ir. J.P. Walland die waarschijnlijk in 1918 de eerste bewoner was van Venestraat 21. Walland werd H.I.D. in Zeeland.

In dit blog heb ik al  eerder over Langemeijer geschreven: Zijn verblijf in West-Indië en op Sint Maarten, waar Nini is geboren, heb ik daar beschreven. Ook zijn belangrijke rol bij de vestiging van een H.T.S. in Zwolle: 30-11-2012


Heins inwonende grootmoeder, in slaap gesukkeld in de tuin van Venestraat 21.

  





De tien-jarige Nini tenslotte, verzorgt hier de puzzle-rubriek, Soerabaijasch Handelsblad, 1929