donderdag 15 mei 2014

ROELIE HARTMAN KIJKT TERUG

Mevrouw Roelie Potman-Hartman woont nu in Ede. In haar mémoires overbrugt zij schijnbaar eenvoudig zestig jaar. In 1954 ging schipper Hartman met vrouw en kinderen aan de wal wonen, in de Venestraat.
Hier is Roelie ademloos aan het woord.

Herinneringen aan de Venestraat  vanaf 1954.

Wij, het gezin Hartman, vader, moeder en vijf kinderen, zijn in december 1954 in de Venestraat komen wonen.
Mijn vader was binnenschipper. Ik was het oudste kind en was om onderwijs te genieten in Vreeswijk op het schippersinternaat geweest. Mijn broer die vier jaar jonger was, was daar ook één jaar geweest en mijn zusjes zouden weldra volgen. Geen ideale situatie, en daarom besloten mijn ouders dat het beter zou zijn om met het gezin aan de wal te gaan wonen.
Mijn vader werkte toen eerst bij de Zuiderzeewerken en later bij de Deltawerken. Dit betekende dat hij ’s maandagochtend vroeg vertrok en vrijdagavond weer thuis kwam.
Het was nog niet ideaal, maar wij kinderen konden nu bij onze moeder, die door de week het gezin in haar eentje moest runnen,  thuisblijven en in Zwolle naar school gaan.
Mevrouw Van Munster, een tante van mijn vader, die op nr. 11 woonde bezat niet alleen het pand 11/ 11a, maar 5/5a was ook haar eigendom. Mijn ouders zochten woonruimte en het huis op 5a kwam vrij en met toestemming van de gemeente, konden we dit bovenhuis van haar huren.
De rustige Venestraat met toen in mijn ogen hoofdzakelijk oudere bewoners, zal wel even de wenkbrauwen hebben gefronst toen daar ineens dat gezin met vijf jonge kinderen kwam wonen.
Voor ons was het ook wennen. Op ons schip hadden we weinig speelruimte gehad en nu was daar ineens een huis en een straat, en gelukkig waren er ook kinderen om mee te spelen.

Nu terugkijkend kan ik nog medelijden hebben met de familie Hibbel die onder ons woonde. We deden erg ons best om rustig te zijn, maar vijf levendige kinders boven je hoofd!
Op een zondagavond, mijn ouders waren naar de kerk, speelden wij met een bal (!) die op een gegeven moment van de trap af naar beneden stuiterde. Meneer Hibbel belde aan en riep door brievenbus of het nu eens afgelopen kon zijn met dat kabaal?  Volgens mij was dat wel het heftigste treffen. Wij deelden de buitentrap en als meneer en mevrouw Hibbel laat thuis dachten te komen, dan brandde de buitenlamp. Nu weet ik dat zij dan een avondje gingen bridgen. Wanneer de familie Hibbel hier was komen wonen weet ik niet maar in een doos met ansichtkaarten van mevrouw van Munster die in mijn bezit is, zit een vakantiegroet van hen uit Scheveningen uit het jaar 1934.





Maria





Voor ik over ons zelf vertel, wil ik eerst vertellen over het echtpaar van Munster dat op nr 11 woonde. Meneer van Munster was een oom van mijn vader. Jacobus van Munster was ook binnenschipper geweest. Hij had onder anderen een sleepaak de Maria gehad, die gebouwd was op de werf van van Aller in Hasselt. Later werd dit de werf van Bodewes.



Na een huwelijk van ruim twintig jaar overleed zijn eerste vrouw. Negen jaar later in 1928 trouwde hij met Harmina Johanna Giethoorn (tante Jo). Eerst woonden ze aan de Thorbeckegracht. Later zijn ze in de Venestraat gaan wonen.


Venestraat 11 van achteren


In de 30-er jaren gingen ze al op vakantie naar Duitsland! Of de foto hiernaast in Duitsland is genomen betwijfel ik. Soms gingen ze ook een dagje uit fietsen met buurman Stoter en zijn vrouw. Dit kan dus heel goed de Leemkuule in Hattem zijn!     
                                                                 
Mevrouw van Munster in het midden, links haar man, rechts buurman Stoter

Als Jacobus op zondag 3 december 1944 samen met zijn vrouw na een kerkdienst in de Plantagekerk naar huis loopt, wordt hij op de Sassenpoortenbrug onwel en sterft.
Tante Jo had vóór zij met oom Jacob trouwde een kruidenierswinkel aan de Hoogstraat.
Zij was een wijze, ontwikkelde, zelfstandige vrouw. Zij las de krant met potlood en schaar naast zich, getuige een doos met krantenknipsels van haar die eveneens in mijn bezit is.
Voor ons was zij een goede hulp bij het inburgeren in Zwolle en in de Venestraat. Als je zondags in de kerk naast haar mocht zitten vertelde ze, voordat de dienst begon, wie er om ons heen zaten en wie familie was van wie! Na kerktijd ging ze vaak met ons mee koffiedrinken. Voor de kleintjes nam ze dan altijd het kinderhoekje uit “Trouw” mee. Zelf zouden we die krant pas later gaan lezen. Eerst moesten we de “Zwolse Courant” lezen, zodat we wegwijs werden in het Zwolse.
Hatrtmannetjes in de tuin van de familie Bos, met kleinkinderen Bos
Ze nam mijn moeder mee naar kerkelijke vergaderingen en de vergaderingen van de Anti Revolutionaire Partij. Ze was een trouw luisteraarster van de NCRV-radio, Johan Bodegraven met mastklimmen was favoriet bij haar. Op vrijdag, marktdag, kwam haar hulp Engeltje, Engeltien zei tante Jo, een jonge vrouw uit ’s Heerenbroek. Eerst werd er gepoetst en koffie gedronken en dan gingen ze samen naar de markt.
Zij was een deftige tante met een ouderwets interieur. Boven de schoorsteenmantel hing een kamerhoge spiegel. Waar je ook zat je in haar kamer, je kon je zelf niet ontwijken, tenzij je net als tante Jo zelf met je rug naar de spiegel zat. Als we bij haar op bezoek waren probeerden we ons netjes te gedragen. Op een keer dronk ik koffie bij haar, het was de tijd dat er nog geen melk cups waren, “Lust je wel een velletje op de koffie?” vroeg ze aan mij. En beleefd als ik dacht te zijn antwoordde ik:  “jawel”. Ik had beter eerlijk kunnen zijn, want tante Jo bewaarde de velletjes van de gekookte melk apart en ik werd getrakteerd op een flinke schep vel. Grrrrr!
In 1957 werd zij ziek, ze wist dat ze niet beter kon worden en aanvaardde haar ziekzijn.
Zolang ze nog thuis kon blijven hield ik haar nogal eens gezelschap. Aan die uurtjes met haar doorgebracht denk ik nog vaak terug. Toen ze te ziek werd, ging ze naar mijn oma en tante die op het Assendorperplein woonden en daar werd ze door mijn tante verzorgd.
In januari 1958 overleed zij, vier dagen nadat ons jongste zusje geboren was.

In december 1954 waren wij in de Venestraat gekomen. Het huis was erg donker, alles was nog in bruinen geschilderd. De firma Schutte zorgde voor een metamorfose. Alle deuren, het trappenhuis, alles werd licht geschilderd en behangen. We hadden drie slaapkamers, een kamer-en-suite, keuken en boven de trap nog een klein kamertje, dat we in navolging van tante Jo het kabinetje noemden. Een elegante benaming voor wat meestal een verzamelplaats was van jassen, speelgoed en dergelijke. Veel later is hier een doucheruimte van gemaakt.


mevrouw Hartman

Ik ging naar de David Wijnbeek Mulo en mijn broer en zusjes gingen naar de Groen van Prinstererschool van meester Veurink in de Schoutenstraat, later aan de Zeven Alleetjes.
Mijn vader vertrok ’s maandagsmorgens vroeg, eerst naar Harderwijk en later zelfs helemaal naar Hellevoetsluis. Op zondagavond moesten wij om beurten zijn treinkaartje vast gaan kopen, zodat hij de volgende morgen niet in de rij hoefde te staan. Op vrijdagavond kwam hij weer thuis. ’s Winters als het vroor kon er niet aan de aanleg van de dijken worden gewerkt en was hij soms langere tijd thuis.
De tweede winter dat we aan de wal woonden vroor het lange tijd en lag er veel sneeuw. Mijn vader veegde onze stoep en die van tante Jo en ach ook die van de familie Stoter. Aan de overkant woonden mevrouw Thiebout en de dames Wolff en Guilliams, die stoepen deed hij er dan ook nog maar bij. De dames waren blij en mijn vader kreeg van elk een fijne sigaar.
Al gauw maakten we ook kennis met de familie Bos en dat zou een hechte vriendschap worden.
Meneer en mevrouw Bos leerden ons het majongspel. Met Pasen gingen we naar Groninger gewoonte, de familie Bos waren echte Grönigers, noten schieten. Dat moet voor onze benedenburen ook niet zo leuk zijn geweest.
Walnoten werden op een lange rij gelegd en dan moest je met een ijzeren kogel zoveel mogelijk noten van de rij schieten. En dan de verhalen die meneer Bos kon vertellen!
Het was een man die erg aanwezig was en daarom kan ik goed begrijpen dat mevrouw Bos wel eens zei, als ze rustig brieven aan haar kinderen wilde schrijven, Piet in Amsterdam en Nico in Eindhoven; “Ebo, ga jij maar even een kop koffie drinken bij de familie Hartman.”

Toen mijn vader voor een longoperatie in het R.K ziekenhuis lag, het was mei, kwam meneer Bos hem elke dag een bakje aardbeien en de krant brengen. Vader lag in een aanbouw van het ziekenhuis, en langs het weggetje naar wasserij ”Dellen-Wuyts” kon hij bij het kamerraam komen waarachter mijn vader lag.
Andere bewoners van de Venestraat die ik mij herinner: tegenover ons de kapsalon van
Rie de Wilde, de familie van Es, de familie Dokter, daarnaast kwam later de familie Hoekzema en zo was de overkant van de straat verjongd. Naast ons beneden op nr 7 woonde de familie de Jong. Meneer de Jong was pianostemmer en had een werkplaats in het souterrain waar hij
de heer Hartman
samen met zijn zoon Jaap werkte. Kwam er wel eens een bal tegen het deurtje van het souterrain dan was je nog niet jarig! Meneer de Jong kon dan erg lelijk tegen je doen. Jaap had later een muziekhandel aan de Assendorperstraat.
Mevrouw de Jong vertelde ons dat ze er tegen op had gezien toen ze gehoord had dat wij, een schippersgezin met 5 kinderen, schuin boven haar zouden komen wonen. Ten onrechte zei ze, we werden goede buren! Dat werd mij opnieuw duidelijk toen ik de condoleancebrief die haar zoon Arie na het overlijden van mijn vader in 1979 aan mijn moeder schreef, nu nog weer eens doorlas. Hij schreef: “ Mijn vader liet het misschien niet blijken, maar hij was erg vertrouwd met uw man en u. Hij waardeerde de bezoeken meer dan u kunt vermoeden.”
Roelies kleine zusje op de auto van de familie

Boven de familie Lindeboom op nr 13,  woonde op 13a de familie Hersevoort. Hij was ook een oud schipper en zat samen met mijn vader in het bestuur van de Schippersbond NPCSB.
Op nr 20 kwam de familie de Rie wonen. Zij hadden een zoon Frans, en een dochter. Frans zat denk ik op de machinistenschool en ging daarna naar zee. Van één van zijn reizen bracht hij een sjaal, de rots van Gibraltar, voor me mee. Eigenlijk was de sjaal voor mijn vriendin bedoeld, maar die was tijdens zijn afwezigheid verhuisd naar het verre Groningerland.
Wanneer de vlag op de apostolische Kerk stond, dan was de Apostel op bezoek.
Ik herinner me dat, als wij zomers de balkondeuren open hadden, we genoten van hun zingen.
Eén van mijn zussen herinnert zich hoe ze, met andere kinderen, in het portiek van de kerk met poppen speelde. Ze speelden vader en moedertje en kerkje. Van de verzuiling hadden zij geen weet, want Hervormd, Gereformeerd of Katholiek het maakte niet uit, alle poppen werden gedoopt. Met veel plezier denkt zij terug aan de kinderen waarmee ze op straat speelde en de spelletjes die ze deden; busje trappen(de put in het midden van de straat was de pot), en het krijtspel ik verklaar je de oorlog, en kaatsballen tegen de blinde muur. Er waren meisjes, wie??, die met 4 of 5 ballen konden ballen.
de stoep voor het huis van de familie van Es wordt gerboend
Schuin tegenover ons op de hoek van de Oosterlaan was een kantoor van de VAD waar de chauffeurs pauze konden houden, zo heb ik het in elk geval geïnterpreteerd.
Als de VAD-bussen door onze straat van de garage in de Hertenstraat naar het busstation reden, dan rinkelden de kopjes op de tafel.
Aan de achterkant hadden we het uitzicht op de opslagplaats van Buttinger sanitair., overdag was het er altijd druk met af- en aanvoer van materiaal en ’s avonds was het de vrijplaats van de vele katten uit de buurt.
Op een zomeravond zat ik met mijn jongste zusje op het balkon, ze begon net een beetje te praten en zei, wijzend naar de katten die op het platte dak liepen. “Poes!! Ik vroeg , “Wat zegt het poesje?” En al gauw zaten we met z’n tweetjes te miauwen totdat er beneden ons een deur werd open gegooid, gevolgd door een emmer water. Meneer de Jong trots op zijn dahlia’s dacht: “Die verhipte katten, ik zal ze!” 

Het straatbeeld was nog overzichtelijk, bijna geen auto’s, geen fietsen op de stoep, alleen
‘s morgens en ‘s middags mensen die zich door onze straat van en naar het station spoedden.
Onze fietsen mochten we bij tante Jo in het souterrain zetten en later achter het hekje voor ons huis en in het souterrain bij de familie Hibbel. Dat kwam op een keer wel erg goed uit. De familie Hibbel was uit logeren en na een enorme plensbui stond het hele souterrain blank. Gelukkig hadden wij toen hun sleutel en konden zoveel mogelijk de ravage opruimen.
Later toen mijn ouders in het benedenhuis woonden, heeft er nog een paar keer grondwater in het souterrain gestaan. Na de aanleg van de nieuwe aansluiting van het Zwartewater op de IJssel was dit ongemak verleden tijd.
Roelie
Op zondag gingen we met het hele gezin naar de Zuiderkerk. Daarna thuis of bij vrienden koffiedrinken en dan om één uur de middagmaaltijd waarbij we naar Mr. G.B.J. Hiltermann luisterden, die ons vertelde hoe de toestand in de wereld er voor stond.
Hiltermann en (zondagse) groentesoep, voor mij horen die twee bij elkaar.

De bakker van ’t Spijker, de groenteman Bolleman, de slager Bomhof, allemaal kwamen ze aan huis om hun waren te leveren. Boodschappen deden we bij de dames Boxman en zaterdags kochten we “wat groots voor bij de koffie” bij van der Lippe.
Toen wij, de kinderen, de deur uit waren zijn mijn ouders verhuisd naar de Hertenstraat. Zij kochten het huis van zuster van de Kolk, de verloskundige die mijn moeder had bijgestaan bij geboorte van mij en van mijn broer. Ik vond mevrouw van de Kolk een stoere vrouw in haar groene jagersjas. Ik stond een keer samen met haar bij de dames Boxman in de winkel en zij bestelde een ons, “sterfopdestraatworst” ( cervelaatworst).
Ik denk dat dat haar nog stoerder maakte in mijn ogen.

In ons huis in de Venestraat, dat mijn vader na het overlijden van mevrouw van Munster gekocht had, woonden voortaan studenten. Mijn vader was een strenge huisbaas die toezicht hield op het naleven van de huisregels, die alleen meisjesstudenten huisvestte en het liefst de jongens buiten de deur hield. De tijden veranderden en mijn vader veranderde mee, gelukkig!

Als ik nu met de trein in Zwolle aankom is mijn eerste gang altijd naar de Venestraat en kijk ik omhoog naar het huis met die mooie grote vlaggenstok aan de gevel.

Roelie Potman-Hartman

Gevraagd naar wat er van haar en har zussen terecht is gekomen, schrijft Roelie terug:
"Voor ik trouwde heb ik ruim vier jaar bij apotheek Woutersen, later Hannink, naast de Sassenpoort gewerkt. 
Mijn broer en mijn zussen zijn allemaal de kant van de zorg opgegaan en zijn ook uit Zwolle vertrokken. Ondanks dat ik al bijna 50 jaar in Ede woon voel ik mij nog Zwollenaar (waar ik geboren ben en later van mijn 13e- tot mijn 22e heb gewoond), en vind ik het plezierig om langs de oude vertrouwde plekjes te wandelen.
Wel leuk om te vertellen; één van mijn zussen (zij is ook degene die jouw blog ontdekte) woont in Leeuwarden en is getrouwd met een oud-catechisant van je vader. (P.Riemersma, mijn vader dus, was predikant in Leeuwarden van 1958 - 1964).





dinsdag 6 mei 2014

DE OORLOGSDAGBOEKEN VAN PIET BOS

Zij zijn moeilijk te lezen, de drie agenda's die Piet in 2001 aan het Historisch Centrum Overijssel heeft geschonken.
Grotendeels heeft Piet daarin de krijgsverrichtingen bijgehouden: de nederlagen van Hitler en de overwinningen van de Amerikanen, de Russen, de troepen van het Gemenebest.
Op het HCO zijn er vergrote fotokopieën van gemaakt, maar ook dan is het moeilijk leesbaar.





Piet heeft er een toelichting bij getypt. Het zijn de fascinerende angsten en de daden die getuigen van grote moed die deze documenten tot de meest bijzondere maken die ik tegenkwam zoekend naar de geschiedenis van de Venestraat en haar bewoners.



De aantekeningen in de agenda waren er op berekend, dat ze eventueel in vijandelijke handen zouden kunnen vallen, zodat er niets in stond waardoor wijzelf of anderen in moeilijkheden zouden kunnen komen. Om mezelf in te dekken schreef ik 29-9-1944 dat ik 15 jaar was, in werkelijkheid was ik 17 jaar en had ik me moeten melden. Uit mijn Bijbel had ik ook de bladzijde weggescheurd waarop stond ''van je ouders voor je 17de verjaardag" met de datum erbij.
ln deze aantekeningen staat dus niet:
- waarom vader en ik geen oproepen kregen (onze kaarten waren uit het bevolkingsregister verwijderd door een kennis van vader)
- dat we onderduikers hadden (niet alle tegelijk):
Boy Hempenius (zoon van kennis van ons uit de Westerstraat; bij onraad verstopte Boy zich op de vliering achter een stapel kartonnen dozen )
Herman van dan Berg (broer vriend van mij uit de Kerkstraat)
een man uit Santpoort (ontsnapt bij een transport; is later naar
Santpoort terug gaan lopen; pas na de oorlog vernomen dat hij daar veilig aankwam)
een man uit uit Rotterdam (was ontsnapt uit een trein op weg naar Duitsland; verstopte zich eerst in een Deckungsloch, een gat langs de Oosterlaan, en liep toen de Venestraat in en kwam bij ons terecht; liep later naar Rotterdam terug, maar werd weer opgepakt en op transport gesteld naar Duitsland, is op de Veluwe uit de trein gesprongen en kwam om).
- hoe vader ontsnapte bij huiszoekingen en razzia's (hij verschool zich een keer bij de overbuurman; een andere keer klom hij over de schutting in de tuin en ging naar de achterburen en toen de Duitsers daar ook kwamen ging hij achterom naar het huis ernaast waar ze net waren geweest; wij zagen hem vanuit ons huis gaan, de Duitser in ons huis gelukkig niet)
- hoe vader zich redde toen hij onderweg (om voedsel te halen) aangehouden werd (nam ergens bij de Ganzepannebrug zijn gebit uit de monden zei met een mummelmondje “fünfundfünzig Jahr”, waarop de Duitser zei “viel zu alt” en hem liet gaan (hij was toen 45 à 46 jaar)
- hoe de trein beschoten werd waar vader in zat (ik meen ergens bij Steenwijk; iedereen moest de trein uit en in een greppel naast de spoorbaan gaan liggen totdat de vliegtuigen verdwenen waren)
- dat vader later geld ophaalde voor spoorwegstakers (NSF) (heeft hij na de oorlog nog een wandbord en een gedenkboek voor gekregen)
- dat vader een aanstelling kreeg als “ordepolitie”, hetgeen inhield dat hij met een schildje met het opschrift “Ordepolitie” op de mouw naar het politiebureau in de Lombartstraat moest om op plaatsen waar een bom viel het publiek op een afstandje te houden wegens instortings-gevaar en om diefstal te voorkomen (wanneer hij aangehouden werd waren de Duitsers altijd zeer geïmponeerd door de functie van “Ordnungspolizei”; wat dat precies was wisten zij natuurlijk niet; op grond van deze functie heeft hij nog heel lang zijn fiets mogen behouden)
- dat Jan Stoker de verloofde van ons buurmeisje Geertje Dijkstra die meedeed aan overvallen van distributiekantoren e.d., zich in ons schuurtje verstopte, en dat wij via hem ook geweren in huis hebben gehad (die geweren lagen in het kolenhok in het souterrain; veiligheidshalve wisten de kinderen dat niet; wij hoorden dat pas later) - dat in veel huizen Duitsers zaten o.a. bij ons in de Venestraat op nummer 2  waar een Joodse familie (met zoontjes Max en Leo, van onze leeftijd hadden) gewoond
- dat onze buurjongen  Coen Dijkstra, even oud als ik, werd opgepakt (hij is in een concentratiekamp in Duitsland omgekomen)
- waar wij ons koperwerk (dat ingeleverd had moeten worden) verstopt hadden (in het ‘keldergat’, een ruimte onder de huiskamervloeren, bereikbaar via twee kleine deurtjes in het souterrain)
- hoe wij in angst hebben gezeten toen vader opgepakt werd omdat hij bij het Kerkbrugje voorbijgangers waarschuwde voor een razzia en er een NSB’er voorbij kwam (vader gaf, met de Duitser naast zich, zijn fiets mee met Kippers, zijn huissleutels aan de dames Bonthont op de Vispoortenplas, zodat wij het wisten; omdat we ook huiszoeking vreesden, werden alle papieren verstopt waaruit bleek dat er nog een zoon in de gevaarlijke leeftijd thuis was, hingen om diezelfde reden portretten weg, enz.)
- hoe hij zich ontdeed van zijn belastende papieren tijdens zijn verhoor door de Grüne Polizei (o.a. aanbevelingsbrief van ds Vreugdenhil i.v.m. het geld ophalen voor het N.S.F.; hij wendde plotselinge zeer hoge nood voor en versnipperede alles in de W.C.)
- hoezeer vader zelf in angst zat in de gevangenis in de Menno van Coehoornsingel (voetstappen in de gang – van tijd tot tijd werd er
iemand uitgehaald om gefusilleerd  te worden; hij werd na enkele dagen veroordeeld tot het betalen van een zeer hoge boete, waarop hij flink heeft afgedongen (“arme Mann”); de boete moest merkwaardigerwijs betaald worden aan het Duitse Rode Kruis, in het huis waar eerst de gemeente-ontvanger zat tegenover de Nieuwe Haven Brug; daar kreeg hij een kwitantie voor; bij thuiskomst was hij helemaal schor van de spanning)
- hoe vader zijn valse vrijstellings-‘droogstempel’ in zijn identiteitsbewijs door de Duitsers heeft laten vernieuwen (bij zijn verhoor door de Gestapo / Grüne Polizei vond men het ‘droogstempel’ onduidelijk; dat klopte ook wel, want die was vals; maar hij zei: nou maak hem dan maar duidelijker, en men zette er toen een goede naast.
Ook heb ik niet vermeld wat we min of meer gewoon vonden:
- patentolielichtjes (= koolzaadolie in een glaasje met een drijvertje)
- voedsel uit de gaarkeuken in De Dageraad aan de Molenweg
- melk en meel, opgehaald bij boeren in de omgeving (melk dagelijks van vlak over de Hoge Brug, maar ook wel van de familie Kattewinkel in Harculo)
- allesbrander in plaats van een kachel in de kamer ( poging daarop bietensuiker te maken is mislukt; het duurde lang, gaf alleen maar stank en een vies zwart prutje)
- een dikke boomstam met geleende trekzaag in stukken gezaagd en vervolgens verhakt tot kachelhout (hij werd gebracht op een boerenkar, werd languit in de Venestraat gelegd, is met vereende krachten door het huis heen naar de tuin gebracht (bij het verzagen daar heeft onderduiker Herman van den Berg nog geholpen; het hakken gebeurde toen het heel koud was ook wel in de kamer; i.v.m. wateroverlast is een aantal van deze boomschijven in het souterrain gelegd, zodat je daarop stap voor stap van het keldertrapje bij het trapje naar de straat kon komen)
-. dat er tweemaal afbraakhout te verkrijgen was achter in de Wipstrik (mijn twee jaar jongere broer en ik hebben dat gehaald met de hondekar van Bolleman, de groenteman in de Deventerstraat, nu Van Karnebeek- straat; op de terugweg hebben we ons nog een tijd bij de Herfterweg moeten verschuilen voor een controlepost)
- fietsen zonder banden (een keer verstopt in een leegstaand bed op de zolderverdieping; deze werd gevonden bij een huiszoeking, maar daar kwam men toen niet voor, men zocht mensen)
- algehele verduistering m.b.v. zwarte gordijntjes voor elk raam, zelfs van het toilet (we hebben nog eens een bekeuring gehad omdat er een kiertje licht door kwam; vader heeft het voor laten komen en kreeg, doordat hij het gekritiseerde zwarte trekgordijntje toonde, nog een flinke vermindering van de boete)
- soms emmers met water hier en daar in huis, i.v.m. de brandbommen, vooral de laatste dagen, vlak voor de bevrijding
- plakband tegen de ruiten tegen (grote) glasscherven bij een bom-inslag (brede banen kruislings over de hele ruit; later zijn enkele ruiten uit de ramen aan de straatkant weggehaald en vervangen door triplex, uit voorzorg of omdat ze bij een naburig bombardement stuk waren gegaan, dat weet ik niet meer; pas na de oorlog zijn we er weer ingezet.



donderdag 1 mei 2014

DE VEENESTRAAT IN ZWOLLE ROND DE TWEEDE WERELDOORLOG

DE VEENESTRAAT IN ZWOLLE ROND DE TWEEDE WERELDOORLOG.

door Nico Bos

Wij, de familie Bos, woonde eerst op 7a en van af ongeveer 1938 aan de overkant op nr 16.
Laten we beginnen bij huisnr 1. Dit is het eerste huis van af de Oosterlaan langs het spoor. Op nr 1 woonde de familie Schutte die een schildersverfzaak had. Zij hadden twee zoons Hessel  en Gerard.  Bij Schutte kon je ook carbid krijgen om te gebruiken voor de donderbussen op oudjaarsdag. Hessel was  in Ned. Indie geweest en had zijn wapen nog niet ingeleverd. Op nieuwjaarsdag schoot hij  voor de zaak een paar losse flodders af in de lucht.
Op nr 3 woonde beneden een Joods omaatje. Op de stoep lagen allerlei spulletjes die de Moffen op straat hadden gezet om af te halen. Op nr 5 of daarnaast woonden ook joden mensen, de fam. Jakobs, die ondergedoken waren en die de oorlog overleefden. Als ik het goed heb, dan hadden zij een sportzaak in de stad. 
Ik kan me de huisnr.s niet zo goed herinneren om dat er ook huisnr.s waren met toevoeging van een a. De fam. Hibbel woonde daar ook ergens. In ieder geval  zijn wij kinderen geboren op  nr.7a. Daar hebben wij gewoond op die bovenwoning tot 1938. 
Ook heeft daar in de buurt een pas getrouwde fam. De Vries gewoond. Toen ze hun eerste kindje kregen, de naam weet Meintje, kreeg de familie door onze vader een krentenbrood aangeboden met een lengte van 1 meter.
Verder woonde beneden de fam. De Jong. Vader was pianostemmer. Moeder was een zeer zuivere vrouw. Mijn moeder zei eens ‘ze is nooit klaar met het poetsen”.  Jaap was hun oudste zoon die vele jaren verloofd is geweest. Arie de tweede zoon, was mijn broer Jurrie zijn vriend. Dagelijks kwam hij over de vloer. Een aardige vent. Heeft voor mij eens een  vliegveld gemaakt van karton met vliegtuigen. Een vliegtuig was half opgebrand. Hij is later hoofdonderwijzer geworden. 
Ook woonde daar boven de fam. Hartman. Zij waren van onze kerk, de gereformeerde kerk (Zuiderkerk). Onze vader kwam er veel over de vloer.
Een eindje verder woonde de fam. Stoter ook beneden. Zij hadden geloof ik een hek aan de voorkant. Meneer Stoter had een houten krukje doorgezaagd die ik om mijn nek had hangen en mijn hoofd er niet meer uit kon halen zonder pijn. 
Naast hun langs de Hersteld  Apostolische Gemeente, de fam. Lindeboom. Ook oudere mensen. Hij had een driewielerfiets met een verlengstuk aan het wiel, zodat hij al steppend zijn gat in het zadel kon zetten.
De Apostel Gemeente zat tegenover ons huis nr 16. Dienst was op zondagmorgens en een zangdienst op woensdagavond. Wij, Ebo en ik, luisterden in bed altijd naar hun zingen tot wij in slaap waren gevallen. Op de studeerkamer een verdieping lager keken we uit het raam naar de weggegooide peuken van de mannen. Roken in de kerk mag niet. En wij renden naar buiten om ze op te rapen. Zo maakten we de eerste sigaretten al op 13 jarige leeftijd. Ook werd er catechisatie gegeven in die gemeente. Op de hoek van de” kleine Veenestraat” en de Hertenstraat, waar de fam. Bruins woonde, was ook lid van deze gemeente. Naast de Herst.  Apost. Gem. de koster(?) op de bovenwoning. Verder in de straat een jong gezin waarvan de kleine op de stoep speelde met een touw om de middel en andere eind aan de ijzeren pilaar naast de stenen trap. Direct na de oorlog heeft de Canadese militaire police daar ingekwartierd gezeten. Ze hadden diverse Jeeps in de straat staan.
Een paar huizen verder richting Hertenstraat de katholieke fam. Bodewes. Zij hadden een oudere zoon en twee dochters die heel goed touwtje konden springen.
Toen deze familie verhuisde kwam er ook een katholieke familie in deze woning, de fam. Ronteltrap. Meneer Ronteltrap was leraar in smeden op de ambachtschool.
Naast deze familie was een Meisjes Tehuis. Ik geloof dat het een dependance was van een kindertehuis op de hoek van de Terborgstraat. Deze meisjes kwamen nooit alleen buiten spelen. Dat huis had een vrij lange stenen trap naar boven  naar de voordeur. Tegen de zijgevel een ijzeren brandtrap die eindigde met een luik. Deze had weer toegang tot het dak en een zolderkamerraam. Op de hoek van de Veenestraat en de Hertenstraat had de fam. Van der Lippe een patisserie winkel. Het etalageraam aan de Veenestraat  had aan de onderkant een loodslab op de vensterbank. Wij bogen net zolang tot we er een stuk vanaf braken. Daar knipten we reepjes lood af en gebruikten ze voor onze schietgeweer met een elastiek aan de loop.  Heel gevaarlijk eigenlijk.
Er werd geschoten naar de overkant van de straat tegen een blinde zijmuur van een opslagplaats van verf en andere attributen  De ramen waren van matglas. Er zat ook nog een brede deur in die we met voetballen als goal gebruikten. Boven die deur een plat dak waar de bal vaak terecht kwam. In winter  1942 was er veel  sneeuw gevallen. Met vrachtwagens vol werd de sneeuw van de omliggende straten voor de zijgevel  op straat gedeponeerd.  Zo’n 10 meter lange bult van 2 meter hoog was het ideaal om er iglo’s in uit te hakken.  Die winter hebben we veel geld verdient om stoepen vrij te maken van sneeuw en met een bijl de goten ijsvrij te krijgen. Jaren later kon je nog zien dat we bezig waren geweest in de goot met een bijl. Naast die opslagruimte op nr 20 woonde fam. Klinkert oudere mensen die even als hun overburen (naast Bodewes) een hondje die Hekse heette.  Hekse kwam nooit alleen buiten. Wij konden in onze tuin gemakkelijk dat hondje aan het blaffen maken door zelf te keffen.
Naast ons huis op nr 18 woonden de dames Van der Molen. Ik kan me herinneren  dat je op onze zolder die grensde aan hun zolder duivengekoer kon horen. Er moet een meneer v.d.Molen zijn geweest die in ongeveer 1938 is overleden.

Op 16 woonde wij dan: 7 slaapkamers, voorkamer en een kamer met een serre en hal een meter hoog boven de straat. De keuken en tuin op straatniveau. Met een stenen trap naar beneden kon je van buiten in de kelder komen waar je ruim in kon staan. De fietsen hadden we daar staan. Vanuit de kelder kon je via een houten trap ook in de keuken komen.  In de kelder nog 2 luiken, een voor de gas meter en een om onder de voor en achter kamer te kunnen kruipen. Naast de buitenkelderdeur het kolen hok. Het is een heel apart huis. Niet voor niets in monumentenzorg.

Naast ons op nr 14 woonde de fam. Dijkstra. Friese mensen met dochter en zoon. De zoon is nooit  terug gekomen van de werkkampen in Duitsland. Ik hoor de buurvrouw nog huilen na de oorlog toen Coen daar was overleden. Coen had ooit een vlieger voor me gemaakt op hun zolder. Ze hadden ook een tandem. Ik heb er wel eens achterop gezeten bij de buurman.
In begin van de oorlogsjaren kwam de fam. Sleeuw wonen op nr 12. Ze hadden een dochter Poppie en Frans van mijn leeftijd. Ze waren geboren uit een eerder huwelijk en heten Schalij van achternaam . Ik geloof dat Frans zijn vader uit Deventer kwam en een bioscoop had. Later heeft Frans nog een broertje gekregen. Frans was mijn vriend en kwam er veel thuis.  Meneer Sleeuw verhuurde fruit- en andere gokautomaten en deed het onderhoud  in de kelder. Het gedeelte onder de woonkamer had hij uitgegraven en beton op de vloer gestort.
Onder ons huis hadden wij ons club huis gemaakt, die we de mollenkuil noemden en de club de Mollenclub. Ik had er een 8 volt lampje vanuit de kamer in gebouwd. Aan muren een schoolbord en andere voorwerpen. Frans die voorzitter was en de meest pientere, zo vertelde mijn moeder, “wij moeten een inventarislijst maken voor alles wat hier staat en beschrijven”. Ik vond dat maar een moeilijk woord inventaris.  Bij de opening  draaiden we plaatjes van ome Bob op een van te voren op te draaien grammofoon. Hannes loopt op klompen, onder moeders paraplu en nog een paar kinderliedjes. We hadden 6 kleine plaatjes ter grote van de latere 45 toerenplaatjes. De grammofoon, met naalden, zat in een grijze koffer waar van je het deksel dicht kon klikken.  De opening werd gevierd met limonade.
De riolering in de Veenestraat  was niet zo best. Regelmatig liepen de kelders onder water bij hoosbuien. De fam . Sleeuw werd het te vochtig en verhuisde naar de van Karnebeekstraat. We hebben met vader Sleeuw aan de piano daar kerstliederen gezongen. Ik vond dat vreemd ,want ze waren niks. Met de bombardement op de Bollebieste(wijk) stond mevrouw Sleeuw doodsangsten uit, te wachten bij de kelderdeur, het hele huis trilde aan de van Karnebeekstraat.  Op de bevrijdingsdag, 14 april 1945, zie ik vader Sleeuw nog met enige sloffen sigaretten sjouwen die hij bij de Canadese soldaten had binnen gehaald uit Schelle, die daar toen stonden met hun gevechtauto’s.  Na de oorlog verhuisden zij naar de Oosterlaan, het huis naast Harm Otten.
Poppy Sleeuw (Schalij)  zong in een band, waarvan het drumstel werd bespeeld door vader Sleeuw.
Op nr 10 woonde de fam. Pas met een stel dochters. Meneer Pas was overleden en we mochten niet veel lawaai maken in de straat. De twee jongste meisjes (Agnes en ….?) konden heel goed touwtje springen samen met de meisjes Bodewes van de overkant. Dat doen de kinderen van tegenwoordig niet na.
Even verder  woonden de dames Guilliams (mejuffrouw Guilliams woonde samen met de dames Wolff; PR), erge lieve oude dametjes.
Mevrouw Thiebout had een hele grote 8 op de muur staan.

Op het einde van de oorlog stonden we te  kijken, verscholen achter hekwerk, naar het opblazen van de treinstellen door de Duitsers in een portiek van het hoekhuis Oosterlaan en de Veenestraat.Met een enorme knal vlogen stukken ijzer door de lucht, een deel door het dak van mevrouw Thiebout, een ander deel op een meter voor de voeten van mijn vader die ons weg wilde halen van die gevaarlijke plaats. Het kromme  rokende stuk ijzer van twee meter lang zag ik nog liggen bij ongeveer Arie de Jong voor de deur.  Een uitbrander van Pa was wel op zijn plaats.
Nou ik het toch over die plaats heb waar we op onze buik lagen te kijken boven de stenen trap achter het traliewerk, nog eventjes dit: Waar we lagen zijn twee voordeuren. Tegen de rechtse familie moesten we zeggen dat we haar man hadden gezien in een militaire vrachtauto komende uit Duitsland. De familie kon hem ophalen vanaf de Grote Markt in de stad. Dat zeggen deden we natuurlijk graag. In allerijl spoeden ze zich van de trap af naar de stad.

Dan komen we bij nr 1 (bedoelt Nico niet nr. 2 het huis van de fam. Broekman?; PR)  van de Veenestraat. De bewoners waren Joodse mensen met kinderen. Al spoedig werden zij uit het huis gezet door de Duitsers. Waar ze naar toe gingen, een open vraag. In elk geval namen Duitse officieren het  huis in bezit. Ze waren nogal rumoerig af en toe. Ook van die moffen meiden zag je vaak langs komen. Naast dat huis was een gangetje dat toegang bood naar de tuinen van die op de Oosterlaan. Dit gangetje was de terugloopplaats als we het spelletje speelden D'r is een rover in het bos-bos-bos.
Weer náást dat gangetje was de achtertuin van de fam. Hollander, op de hoek van de Oosterlaan. Zij hadden twee dochters waarvan de oudste later is omgekomen  met het treinongeluk bij Harmelen. De jongste Antie was toch de beste vriendin  van de straatvan onze zus Meintje.

In die oorlogstijd heeft onze straat veel bezoek gehad van mensen en kinderen uit het westen. Mijn vader ontmoette een jochie met een kinderwagen die aardappels moest halen. Hij was komen lopen van Rotterdam. Zijn kinderwagen was snel gevuld door de buurt langs te gaan. Drie weken later was hij er weer. Als er in een huis kamers 'over' waren  kreeg je inkwartiering van een Duitser. Zo kregen wij een Duitser, geen soldaat, die werkte bij het spoor. Het was een goeie kerel die niks van Hitler moest hebben met zijn Krieg. Ik mocht  hem wel, want hij bracht wel eens chocolade mee.Op een gegeven moment had mijn moeder een nieuw dienstmeisje aangenomen. Het was echt een deerne met lippenstift en nagellak. Het rook er altijd lekker in die kamer van haar naast onze slaapkamer op zolder. Vader en moeder kwamen er achter dat ze verkering had met een Duitse soldaat. Toen vader er wat van zei kwam prompt de soldaat verhaal halen. In de serre werd gauw het portret van de koningin weg gehaald, want dat was verboden. Het dienstmeisje heeft niet lang gediend.
Toen de oorlog afgelopen was staken we de vlag uit waarvan de dikke zware vlaggenstok bevestigt was aan een balk van uit die kamer op zolder. Een keer is hij bij een harde wind uit het zolderdakraam gevallen. Gelukkig geen ongelukken.                    

Er is natuurlijk veel meer gebeurd in de Veenestraat, ik maak er maar een eind aan. Het is jammer dat ik op de samenkomst niet aanwezig kan zijn daar wij met vakantie zijn in Italie, anders was ik graag gekomen.
Groeten, Nico Bos Groelslaan 4 5583GB Waalre.

maandag 14 april 2014

Toen mevrouw M.W. Brink-Massier nog MARGRIET MASSIER was



In 1953 werd Margriet geboren op de hoek van de Venestraat en Hertenstraat, postaal Hertenstraat 36.
Haar vader was kelner en haar moeder las. “Wij dachten dat het beroep van mijn moeder het lezen van boeken was.”
Om een en ander in carrière-perspectief te plaatsen, na de R.H.B.S. (aan de Bagijnesingel) studeerde Margriet Nederlandse Taal- en Letterkunde. Zij heeft daadwerkelijk Nederlands gedoceerd, maar hoelang weet ik niet. Als statenlid, fractievoorzitter (PvdA) gedeputeerde van Drenthe was zij een poos actief geweest in het binnenlands bestuur. Nu ontwerpt zij hoeden.  www.hoedenontwerp.nl
Voorwaar een afwisselende ontwikkeling.

zonder hoed

Getrouwd met succesvolle zakenman Wim Brink. Woont na de nodige omzwervingen weer in haar geboortestad, met uitzicht op Peperbus én Sassenpoort.
Hanneke van der Linden en Ineke Frolich vragen naar haar kleutertijd en haar herinnering als jong schoolmeisje.

Nee, Venestraat-gerelateerde foto’s zijn er jammer genoeg niet. Misschien eentje, in een album bij haar zusje, van een rijtje vriendinnetjes. Margriet belooft navraag te doen.
Tot haar negende heeft zij hier op de hoek van ‘grote’en ‘kleine’ Venestraat gewoond, waar de Hertenstraat onze straat dwarst.

Margriets huis is het hoekhuis, rechts van de regenpijp
Het lijkt nu een klein huisje, met een benauwd plaatsje in plaats van een tuin, maar Margriet heeft dat helemaal niet zo ervaren.De drie kinderen hadden genoeg ruimte en “we speelden altijd buiten. Je kon alles buiten doen en je liep ook overal naar toe."
Margriet werd niet alleen heel vrij gelaten door haar moeder (en vader), maar het hele stel liep ook zonder ouderlijke begeleiding naar school, de Parkschool, achter Gijtenbeek langs, oversteken en dan door de tuin van de Buitensociëteit. Dat ‘mocht’ van Frans Frans, de zoon van de directeur.
Haar routebeschrijving wordt een paar maal onderbroken. Eerst voor een requiem voor Hotel Gijtenbeek  en daarna weeklachten over nietsontziende projectontwikkelaars die één van de mooiste bosschages van Zwolle neermaaiden om daarvoor in de plaats ook nog eens een apert bancair gedrocht neer te zetten, voor de ogen van bezoekers aan wat ooit een prachtig stationsplein was. Weemoed over de kiosk en het terras, waar Margriet zich een kraag als die van Elisabeth Bas droomde.
Avontuurlijke speelterreinen waren er genoeg in de buurt. Meneer Waardenburg vond het goed dat zij in de hal van Grolsch speelden als de deuren openstonden. Of op het terrein van het busstation. De Zeven Alleetjes, de Oosterlaan. Maar beslist niet de Tuinstraat. Daar werd gevloekt en gescholden, slonzige vrouwen hingen over de onderdeuren, en je kon er gemakkelijk en dronkaard tegenkomen: no go area.
Maar goed, ruimte genoeg hier in de ene of de andere Venestraat. Margriet had geen besef van een deftige witte boorden straat énerzijds en een werkmansachtige blauwe kielen straat ánderzijds. Als je dat door je ouders niet wordt ingeprent, doen dit soort verschillen er niet toe. Auto’s waren er niet veel. Had de vader van Hans Kamphuis als eerste een auto in de Hertenstraat? Daar was wel de garage van Bijl, op de hoek met de Derk Buismanstraat. En Volmer, met zijn schildersbedrijf, had die geen auto? Hoe dan ook, die auto’s zaten niet echt in de weg. En van de VAD-bussen herinnert Margriet  zich ook eigenlijk niks. Auto’s zijn nu eenmaal ook niet dingen die ze interessant vindt.
De hinkelpot op straat en het ‘hol’ van de kerk van het Apostolisch Genootschap, achter welke deur zij een geheimzinnig genootschap bevroedde, staan haar veel levendiger voor de geest. Er was altijd iets te beleven. Het was een leuke buurt. De oranje spelen op Koninginnedag op het schoolplein van de Zeven Aleetjes, waarbij je tonnetjes kon rollen, die van Grolsch waren geleend, met een gele band.

En anders met de bus naar Molencate of per fiets naar het Engelse Werk. De echte uitjes.
Een vage herinnering aan de overburen: Van der Lippe met zijn chocola en koekjes. Die is er op een goed moment mee opgehouden, in 1956 of 1957. Overigens was Norp toen nog een soort konditorei, met een miraculeuze machine waar ijs uit kwam! De kinderen Massier keken meer uit naar het snoepje dat beter binnen bereik lag: het snoepje van de week als De Gruyter de boodschappen kwam brengen. En de dames Boxman waren er altijd voor als er iets vergeten was. Haar oudere broer drukte in die winkel eens een naar hij dacht lekker snoepje achterover en toen hij het in z’n mond gestopt had en erop gebeten, probeerde hij de chemische massa uit te spugen, maar er kwam een grote wolk schuimende shampoo te voorschijn, druipend over z’n kin op de gekoesterde vloer van de dames Boxman. Die ontstaken in grote boosheid.
Drenth in de kleine Venestraat had een sigarenwinkeltje, met in het raam een Lexington-reclame met een licht. De voorkamer was de winkel en als de winkelbel ging kwam meneer of mevrouw tevoorschijn door de schuifdeuren uit de achterkamer.
Van vriendinnen herinnert Margriet zich er niet eens zoveel al moet het een troep zijn geweest: Trude Jordan, want die had rolschaatsen én een groot aquarium, en Geerlien Meijer, uit een groot gezin.
Niet te ontgaan was het ‘kinderhuis’ in de Venestraat. Je kon de kinderen in hun bedjes zien liggen, in het souterrain door de kelderramen aan de straatkant. Misschien pestten de spelende kinderen die nog lang niet naar bed hoefden, deze kinderhuiskinderen wel een beetje, allang blij dat zij daar niet lagen.
Moeder Massier vond het regelrecht zielig dat die kinderen ver van huis en haard werden groot gebracht door van die vrouwen in grote wit gesteven schorten. Op zaterdag vroeg zij dan wel kinderen naar binnen om een pannenkoek te komen eten: dan zagen die kinderen ook eens hoe het er in een gewoon gezin aan toeging.
Op maandag huurde moeder een wasmachine en haastte zich zodat de buurvrouw de gehuurde wasmachine ook nog kon gebruiken. Was dat de weduwe Lok, met de kinderen die zulke zwarte haren en donkere ogen hadden? Bitterling die klandestien vuurwerk verkocht en verderop woonde, was het niet. Ook Van Rossum niet, die een schildersbedrijfje had, en zoon Keesje. Vinke; zegt die naam iets. Huug van de garage Bokkerse-Simons ging ook naar dezelfde school.
Als Margriet niet op straat speelde, las zij ook boeken, van de leesbibliotheek van Ludeking in de Assendorperstraat of een boek dat zij voor haar verjaardag had mogen uitzoeken bij boekhandel Giethoorn, op de Oude Vischmarkt. Nee, Waanders niet, want zwaar katholiek.
Lezen dus of , zeker zo’n goed alternatief: balletles van Maria Hedwig ten Berge in de Mandjesstraat. Margriets ogen glanzen bij de herinnering aan de generale repetitie en dan de uitvoering, met de hele familie in de zaal.
Het zal een druk bestaan voor een klein meisje geweest zijn, want ook de Zwolse Gymnastiek Vereniging telde Margriet onder haar leden, en de ‘kunstclub’ voor pottenbakken en schilderen.


Maar het meest doet zij mij toch denken aan een levenslange balletdanseres. Al was het maar vanwege de beweeglijke, vrolijke, formulering van de essenties van haar kinderbestaan, vol belofte..

zaterdag 12 april 2014

JASPER en MAX: een eer om in de Venestraat te wonen

Jasper Plender was 8 toen hij met zijn ouders Sjaak, Karen en Max, 6, uit de Hortensiastraat verhuisde naar de Venestraat. Het was 2006, maar misschien ook wel 2005.
Het eerste wat opviel was dat het van de buitenkant een mooi oud huis is, in een smalle straat. Het verschil met de Hortensiastraat was vooral dat het huis daar wel een heel stuk kleiner was en dat het daar druk en hardrijdend  autoverkeer is, gevaarlijk voor kinderen om over te steken.
Max en Jasper waren ook verbaasd hoe de smaak van de vorige bewoners zo kon verschillen van wat zij zelf mooi en modern vinden. Waarom hadden die vorige bewoners tapijt gelegd over de vloeren, zelfs in de hal en in de gang waar toch echt een mooie stenen terrazzo-vloer ligt. Nou ja, zo kwam die tamelijk onbeschadigd tevoorschijn.  Zelfde voor de houten platen waarmee de deurpanelen waren weggewerkt. Het ‘beertjes-behang’ in de kinderkamers boven staat hen ook nog haarscherp voor de geest. 
Tja, smaken verschillen en stijlen zijn schatplichtig aan de tijdgeest. Dus is de familie stevig gaan klussen om het hele huis te transformeren naar de eigen ideeën. Dat heeft wel een poosje geduurd, want dat ging nog wel even door toen zij hier al woonden.

Nog een verschil. In de Hortensiastraat woonden vooral gezinnen en de meeste hadden kinderen. Speelkameraadjes voor in de speeltuin, de kinderboerderij of het Weezenlandenpark waren er genoeg. Direct uit school -basisschool Mozaiek- gingen ze bij vriendjes spelen of die kwamen bij hen.
Niet dat het heel erg is dat die niet in de Venestraat wonen, want op de fiets is iedereen in Zwolle makkelijk bereikbaar.  Dat was trouwens toen de broers nog kleintjes waren. Kon je misschien toch beter daar wonen, in een straat die geschikt is voor startende gezinnetjes. Bovendien –en dat is toch een groot voordeel van de Venestraat- dit is een hele centrale plek. Overal dichtbij: station, de binnenstad, school, je kan het (desnoods) lopen.
O ja, op het terrein van de kringloop kon je ook prima voetballen en zo. Maar goed, dat kan nu niet meer.

Dit is wel zeker: Jasper en Max hebben de beslissing van hun ouders om te verkassen naar dit mooie, grote huis geen moment betreurd.
De Venestraat is namelijk ook wel een beetje vreemde straat met aan de ene kant studenten en kamerbewoners, dan een stuk of tien gezinnen en aan de overkant van de Hertenstraat ook weer gezinnen maar dan met meer kleine kinderen, is hun inschatting.
De voorlopige conclusie is dat het hier eigenlijk best rustig is, niet dood-stil en zeker niet saai.

Jaspeer Warhol

Is er iets veranderd in de tijd dat jullie hier nu wonen?, willen Ineke en Hanneke, de intervieuwers, weten.
Niet schokkend, maar toen zij hier kwamen wonen was er nog een creche als buur, De Til. Daar zaten best veel kinderen op. Eenmaal in de tuin was het wel een gekrijs. Niet dat zij daar nou heel veel last van hadden, want om een uur of zes waren al die kinderen weer verdwenen en in de weekends was de creche dicht..
Die ukken kropen een tamelijk hoge houten trap op en keken dan de tuin van de buren in. Dat vond de familie Plender min of meer, een beetje maar heus niet erg maar wel vervelend. Toen hebben de Plenders  boompjes gepland, tegen de inkijk.Maar nu staat dat pand dus al jaren leeg en is men er nu aan het verbouwen. Maar de boompjes komen vast weer van pas, want de nieuwe eigen aren willen er vast ook een waranda maken.


Jasper (1998) zit op de HAVO en Jasper (2000)  doet het gymnasium. Aan de Veerallee, het Carolus Clusius College, CCC. Max moet nog eens nadenken wat hij na afloop wil gaan doen, voor Jasper staat wel vast dat hij iets met design wil gaan doen. De appel valt niet ver van de boom: Karen, moeder van de boys, is binnenhuisarchitecte en een bewezen talent als het om vormgeving gaat.
Wie iets wil zien waar Jaspers belangstelling naar uitgaat, vgl. www.iampeer.com. Je kunt zelf ook een beeld uploaden aldaar, maar Jasper wil zelf nog wel even toetsen of dat past in zijn filosofie vóór het ook echt zichtbaar wordt op de site. Hij wil 'creatief verbinden'.
Ineke gaat het eens uitproberen, kondigt zij aan. Andere bezigheden? Gitaarles en volleybal. Alles bij elkaar best een volle week.



Max heeft meer huiswerk en doet aan basketbal. Ja, ook wedstrijden bij Z.A.C.
De verbeterpunten volgens Jasper en Max. Zij zijn het erover eens dat hét grote nadeel van al die kamerbewoning het slappe onderhoud is. Er zou veel meer uit de Venestraat te halen zijn, als ook de eigenaren aan de kopse kant van de straat hun best deden om de straat aantrekkelijk te maken.
Jasper zou wel wat meer ´kunst´of in elk geval ´mooie dingen´in de straat willen. Misschien wel in plaats van de kinderspeeltoestellen. Het is te snappen dat je die niet zomaar weg kunt halen, want dan staan er voortdurend vervelende auto´s, maar het is een idee om er of iets moois groens of een ander mooi ding neer zou kunnen zetten.




En als we het toch over vormgeving hebben, wat dachten we van een mooie muurschildering in plaats van die vandalistische graffiti. Jasper doet de dringende aanbeveling om er niet iets abstracts van te maken, want dat is veel eerder weer beklad, maar iets waarvan je ziet wat het is. Hanneke en Ineke kunnen gelukkig meedelen dat zoiets er aankomt! Jasper wil wel in de jury.
Ook het straatmeubilair kan wel een face/lift gebruiken: de prullenbakken die er trouwens te weinig zijn en een verantwoord metalen hekje om de bomen en boomspiegels om de baasjes af te leren hier te poepen via hun honden. De fietsenrekken zijn ook absoluut uit de tijd. Dat kan mooier, beter, efficiënter!
Jasper en Max hebben weliswaar geen onoverkomelijk hinder van (sommige) studenten, maar noteren wel dat van tijd tot tijd er niemand wat van zegt als zij in de tuin naar elkaar schreeuwen. Iets minder studenten zodat zij niet de meerderheid hebben en grenzen stellen, zal de sfeer nog verder verbeteren.



De Venestraat is best actief. Vorig jaar amen koken, de straatbarbecue en nu het 100-jaar feest. Leuk!
Daarom ook zou je er trots op moeten zijn dat je hier woont, want het is een eer in zo'n mooie, leuke straat te wonen.






donderdag 10 april 2014

ANITA VAN DALEN en GIJS DE KONING GANS




DRIE HARTEN

is toch een betere titel dan 
'Denksportcentrum is Kaartenhuis'

Hanneke van der Linden en Ineke Frolich hebben een maandje geleden, 5 maart om precies te zijn, Anita van Dalen en Gijs de Koning Gans gevraagd naar hun worteling in de Venestraat.

Anita kwam in 1998 uit Zuid-Afrika en kreeg de gelegenheid om de voormalige 'bedrijfswoning' te huren van het voormalige kerkgebouw van het Apostolische genootschap, Venestraat 17.
In 1993 was het gebouw door dit genootschap verkocht aan een nieuwe eigenaar, een bridge-fanaat, die er een denksportcentrum van maakte. Hij zocht een beheerder die het voor dit doel zou willen exploiteren. Dat werd Erik Stoffer. Toen die verhuisde kwam de woning leeg. En zo is Anita in onze straat komen wonen.
Gijs trok bij haar in, allebei verwoed bridgers.
In het voorjaar van 2000 wilde Erik stoppen met het beheer en toen lag de vraag bij Anita voor de hand: blijf ik in 'de verzekeringen' of maak ik de overstap en ga ik het denksportcentrum beheren. Zij hoefde daar niet lang over na te denken. Die verzekeringen boeiden haar al langer niet (meer). Het kwam natuurlijk wel goed uit dat die achtergrond haar niet kopschuw maakte voor het papierwerk dat aan de exploitatie van een centrum als dit nu eenmaal vastzit.

Gijs en Anita  door Hanneke en Ineke


Tot 2012 woonden Anita en Gijs samen naast 'hun' Denksportcentrum. Gijs is toen vertrokken omdat zijn relatie met Anita eindigde, daarmee niet hun vriendschap en ook niet Gijs' betrokkenheid bij het Denksportcentrum. Fred de Hoed trok bij Anita in.
Anita, Gijs en Fred zijn alle gecertificeerde docenten in de bridgesport en geven de cursussen aan leergierige bridgers.

geplukt van de website van het DCZ

Wie er -als overburen- zo naar kijkt, ziet dat Anita, Fred en Gijs een centrale rol spelen in de levendige activiteiten die door en in het Denksportentrum worden gehouden.
Fred en Gijs spelen ook nog graag een partijtje schaak. Anita kent de regels van het spel, maar daarmee houdt het op: "Schaken is een mannensport." Niet dat vrouwen het niet zouden kunnen, maar in de praktijk zie je bij het schaken vrijwel uitsluitend mannen en bij het bridgen doen de vrouwen juist volop mee.
Anita vertelt dat het juist de laatste jaren crescendo gaat met zowel de bridge als de schaak. Naast de vaste avonden zijn er regelmatige wedstrijden, toernooien en cursussen vanwege de landelijke bond, de plaatselijke vereniging of het district. Veel weekenden zit het centrum nu vol met bridgeparen die soms van heinde en ver komen. Ook de schaakactiviteiten bloeien.
Soms wordt de zaal gehuurd voor een vergadering . Groen Links komt hier wel eens de leden raadplegen en ook de Spoorwegen hebben soms de zaal nodig. De nabijheid van het station is immers een enorme pré.

Behalve dat het historisch, sfeervol gebouw is, gunstig gelegen voor interlocale activiteiten, is er ook een nadeel en dat is 'het parkeren'. Daar klagen met name de Zwollenaren over. De straffe restricties die uiteraard ten gunste van de bewoners-vergunninghouders zijn getroffen, houden misschien zelfs wel enkele bridgeliefhebbers uit de stad bij het denksportcentrum vandaan.
Maar anderzijds komt er ook een grote schare op de fiets en achter het denksportcentrum kun je dan ook prima je fiets kwijt.

geplukt van website van DCZ

Het is een mooie bestemming voor dit bijna monumentale bouwwerk. (Aan de monumentale status wordt nog gewerkt.) De akoestische gevoeligheid van de smalle, hoge straat maken het immers onmogelijk om de zaal voor feesten en partijen te gebruiken. De Venestraat is tenslotte een woonstraat. In feite zijn alle activiteiten in het Denksportcentrum dan ook besloten van aard. De bar is niet toegankelijk voor (toevallige) passanten.
En dat is ook precies waarom Anita hier met zoveel plezier woont. Zij waardeert de gezelligheid,  de reuring en de sfeer die de studenten, de kinderen en de sociale buurtgenoten meebrengen. De Terborchstraat is toch wel een stuk stijver en geslotener.

van de website DSZ niet heel scherp maar dit is de enige waar Erik Stoffer op staat (met Fred)

Gijs sluit zich daarbij. Heeft hier altijd met evenveel plezier gewoond: fijne sfeer in een historische straat met een eigen authenticiteit, dichtbij het station én dichtbij het stadscentrum en ook weer heel rustig. 
Hij heeft er nooit van hoeven leven. Hij geeft wiskunde in Groningen. Ook Fred heeft een eigen bedrijfje. Anita is door de bank genomen full time bezig met het Denksportcentrum. Overvolle weekenden wisselen zich af met rustiger perioden. 
Grappig ook wel dat als de Groningers in de landelijke bekerwedstrijden 'thuis' spelen, dat zij dat dan doen hier in Zwolle. En dat heeft weer te maken met de bereikbaarheid vanuit het zuiden en het westen. 

Vinden jullie dat er wat veranderd is in de straat , de laatste tien, vijftien jaar. Niet wezenlijk, vinden beiden. Over het parkeren hebben we het al gehad. Leuk dat 23 en 25 straks weer bewoond worden. Opvallend is verder dat in het tuingebied tussen Terborchstraat en Venestraat mooie grote bomen zijn gesneuveld. Bomen hebben het moeilijk. Die groene ruimte had wel iets sjieks.  
Intussen is het onerling contaxct tussen de bewoners duidelijk geïntensiveerd. Vooral de eerste, de enige echte walking dinner naar nota bene acht adressen heeft heel veel goed gedaan. Eindelijk kwamen Gijs en Anita eens binnen aan de overkant waar ze jaren alleen maar naar konden kijken.
De volgende keer zouden we het weer zó moeten doen, al was het koken in de Enk natuurlijk ook leuk.
Of ze nog verbeterpunten hebben. Nou, het is nogal donker in de straat. Misschien dat we het daar nog eens over kunnen hebben, naast de dingen die al prima aangepakt worden: de fietsen, de bomen, de boomspiegels, en de alternatieven tegen de graffiti op en tegen de muren aan de kop van de straat.





WALKING DINNER 2009








                                           
Foto's van het Denksportcentrum staan in twee eerdere 'posts': APOSTOLISCH GENOOTSCHAP GENOOTSCHAP en FOTO'S VENESTRAAT resp. 17-07-`13 en 18-07-13

maandag 7 april 2014

EBO EN MEINTJE BOS


EBO EN MEINTJE BOS

"Frans Schalij van nummer 12 was een een clevere en welbespraakte knaap. Hij had een paar klassen overgeslagen op school. Het was dan ook logisch dat hij de voorzitter was van ons club “De Mollen”. Ons clubhol was onder het huis. In het zand dat daar lag."


Vader en moeder met Ebo en Meintje, in het midden Jan, Nico en Jur


Nog steeds is het zo bij de even huizen in de Venestraat dat als je de hardstenentrap op ging, je voor de voordeur staat. En als je daarnaast de gemetselde trap afgaat, sta je voor de deur naar het souterrain, dat dienst deed als bijkeuken, washok en fietsenstalling. Maar je kon van daar ook in de kruipruimte onder de huiskamer komen. Daar lag een berg bouwzand en daar kon je prima een clubhol maken. Voor De Mollen.
Eigenlijk was oudere broer Nico bevriend met Frans, maar de tweeling was dus volop aanwezig. Nico was een gelijkmatig type en Frans vond de springerige tweeling wel zo leuk. Bovendien was Nico meer in technische zaken geinteresseerd en Frans was meer de jonge intellectueel met een romantische levensbeschouwing. En zodoende sloot hij beter aan bij de tweelingen Ebo en Meintje hoewel die wel drie jaar jonger waren.

Kristallen luchter uit de voorkamer van het ouderlijk huis 
De familie Bos heeft heel lang op nummer 16 in de Venestraat gewoond. (Overigens heeft de familie een half jaar op nummer 7a gewoond, tót de eigenaar van 16, de joodse meneer Samson?, hen uitnodigde te verhuizen naar nummer 16. Omdat ze zo'n keurige indruk hadden gemaakt.) Later heeft de fam. Bos het huis alsnog gekocht.
Er zijn fantastische foto's overgeleverd: in de tuin en op straat voor het huis, allemaal nr. 16. Jammer genoeg niet van het interieur. Dus gevraagd hoe het er van binnen uitzag. Het zag er een beetje antiek uit, misschien wel een tikje museaal. Anders dan bij anderen. En dat was omdat vader Bos een voorkeur had voor grote schilderijen, kandelaren en kristallen kroonluchters. Dat soort dingen.
Meintje heet al vele jaren Gietema-Bos en woont in Zwartsluis. Ebo woont tegenwoordig in Vollenhove en dat is op fietsafstand. Een echte tweeling. Zij vullen elkaar aan en zijn het eens.
Hij, de heer Bos, was een kwaliteitsbewuste man, met gevoel voor humor. Hoofdvertegenwoordiger in kledingstoffen voor de gebroeders Zwartsenberg, in Stadskanaal. Hij reisde met stalen. Engelse stoffen. Per trein bezocht hij zijn gegoede klanten én kleermakers. Als hij vertrok -hij had een spoorabonnement- bracht mevrouw hem naar het station, met de valies achter op de fiets.  Mevrouw Bos kwam uit Sappermeer, had een goede opleiding genoten aan een kostschool, was de klusjesvrouw in huis.  
De familie Bos was gereformeerd en kerkelijk zeer meelevend. vader Bos was dan ook ouderling. Op zondag werd er niet op straat gespeeld en werd er gezongen bij het (trap)harmonium en werden er verder spelletjes gedaan aan een speciale spelletjes tafel.


Nico staand en Ebo en Meintje, 1937












Van vader Bos is eigenlijk niet zoveel meer te vertellen. Eén anekdote slechts over voor die tijd gewaagde grap. Verder was het een opgewekte, keurige man die zijn verantwoordelijkheden kende en niet gebukt ging onder de plichten jegens gezin, zijn werk en zijn kerk. En dan toch deze grap. Daarvoor moet je weten dat de familie Bos en de familie Dijkstra twee kippenhokken-onder-één-dak hadden. Bos is toen over het kippenhok de tuin van de Dijkstra's ingeklommen. Hij zal wel geweten hebben dat die niet thuis waren. Hij heeft toen een roos uit eigen tuin in het kruis gestoken van de hier aan de waslijn wapperende, ruimbemeten onderbroek van mevrouw Dijkstra. Die vond dat onverdraaglijk. Als mevrouw Dijkstra tijd van leven had gehad, veronderstellen Ebo en Meintje, zou haar verontwaardiging tot op de dag van vandaag onverminderd zijn aangehouden.









Maar de relatie met de buren was en bleef heel goed. Want de enige brief die althans ik onder ogen kreeg van de ene buur aan de andere was van de heer en mevrouw Bos aan de familie Dijkstra, een condoleance brief eigenlijk toen duidelijk was dat Coen gestorven was in Neuengamme.


(Twee pagina's hiertussen sla ik over)


Kennelijk is er wel een gedeelde kennissenkring en jarenlange nabuurschap, maar Bos schrijft wel nog steeds 'U'.

Meintje is ooit door mevrouw Burbach van de overkant op straat aangeschoten met het verzoek een figurantenrol te komen spelen in een toneelstuk waaraan zij zelf ook meedeed. En Meintje hééft ook inderdaad meegespeeld. Zij herinnert zich het niet als een triomf of een doorbraak, want de opvoering was in het openlucht theater in het Engelse Werk en het regende zeer verschrikkelijk. Dauw over de velden, heette het stuk.
De papegaai van mevrouw Klinkert, die precies mevrouw Bos nadeed als die het dienst,meisje riep of haar man: "Alie!". "Ebo!" En het rare accent van de Duitse mevrouw Klinkert, toch al een onaardig mens.
Het oude stel Lindeboom, mevrouw altijd in diepzwart, "omdat zij zo christelijk was".
En hoe je een bal van het dak van de Apostolische Kerk haalt, of via het Kinderhuis of via het huis van de bevriende familie van Gaalen. Met één van de beide zoons speelde Ebo wel.
Jan Beekman, van het hoekje met de Oosterlaan, die later veearts werd.
O ja! De Jong de pianostemmer. "Daar lazen we de krant mee". Met twee zoons. Eén was fout in de oorlog, Jaap zat bij de NSB. En Arie die wel okay was, onderwijzer.
De Willigenburgs, die heel vaak gingen tennissen.
De oude mevrouw Van Munster en de familie van der Waart met hun dochter Ans, een speelkameraadje van Meintje.
De Duitsers die zo dol waren op de marsepein in de winkel van Van der Lippe.
De kibbelende vriendinnen Elly van der Lippe en Els Hibbel, die samen wel uit wandelen gingen met de tweeling Ebo en Meintje.
Bij Elly van der Lippe achterop de fiets om naar de Canadezen te gaan kijken. Elly, ouder, keek al naar jongens en was onder de indruk van die knappe jongens. Meintje had meer belangstelling voor de koekjes en de chocolade. Elly rookte een Canadese sigaret, Players..
Ebo spreekt nog met enthousiasme over de Nortons en de jeeps, de geur van benzine en het geluid van de motoren.
De Canadzen die in de straat waren ingekwartierd..
Elly had bovendien op 14 april de bevrijding aangekondigd. De familie Bos zat al een paar dagen in de kelder vanwege de vijandelijkheden en het voortdurende luchtalarm, tot Elly van der Lippe riep: "Meintje, Meintje, we zijn bevrijd."
De vlaggetjes die in de Venestraat van de ene kant naar de andere werden opgehangen vanwege de bevrijding.
Ravotten in de tuinen van de Terborchstraat. Hutten bouwen daar want het was er een wildernis.
De trouwerij van de dochter van de familie Van der Pol van nr. 27a.

Versnipperde herinneringen aan buren, aan gebeurtenissen. Waarom het ene wel bovenkomt en het andere niet? Als de namen vallen van de verschillende bewoners, veren ze allebei op. Ebo en Meintje waren beide onder de indruk van het plotselinge overlijden van meneer Pas. Uit piëteit mochten ze niet buitenspelen.Mevrouw Pas, dan weduwe, ging staatsloten verkopen. Ronteltap van de Ambachtschool. Langemeijer naar wie de ir. F.S. Langemeijerschool is genoemd. Kijk, dat weet Gerrit Gietema, de man van Meintje, want die heeft zelf met succes op die school gezeten. Mevrouw Guilliams, die samen met de dames Wolff woonde. Mevrouw Guilliams stamde af van Hugenoten (?!) Volgens Ebo was het niet "de gezusters Wolff". Ja, of er was één van de twee al overleden. Want één van de twee dames was 'in hun tijd' mevrouw Guilliams, en die was ook de sterkst aanwezige. Ebo en Meintje gingen wel bij de dames op bezoek, bijvoorbeeld om druiven te brengen. En als er ziekte was, ging mevrouw Bos soep brengen. Ouwerwetse verhalen eigenlijk, maar niet minder beeldend.Of een bloemetje. Of een toetje. Als er iets bijzonders was bij iemand. Mevrouw Bos dus. Een lieverd, bevestigen Ebo en Meintje.

En dan verspringt het beeld, dit keer naar de familie Hugen, nr. 10. Meintje weet ineens dat mevrouw Hugen in de Luttekestraat een winkel in foundation had, waar haar moeder wel kocht. En dat deze familie een kind verloor. Meintje was door mevrouw Hugen binnen gevraagd om naar haar dochtertje Thea te komen kijken, in haar kistje, als een pop. Bijzonder, intiem moment.

Bevrijdingsoptocht met links een dochter Van der Moolen, Nico Bos in het midden en een onbekend meisje

Er is nu toch een verschil tussen Ebo en Meintje. Meintje zal gevoeliger zijn geweest als kleuter voor het drama, want nu komt zij steeds als eerste met haar herinnering aan deze dramatische gebeurtenissen.
Zij heeft ook staan kijken hoe op nummer 2 haar (joodse) speelkameraadje Marcus (Broekman) werd meegenomen door de Duitsers, om nooit meer terug te komen.
Ook is een verzetsman van huis opgehaald in de Hertenstraat. Sietzema kan het niet geweest zijn, maar wie dan wel.
De oorlog komt regelmatig terug. Vanuit het dakraam keken de broertjes Bos hoe de vliegtuigen het station aanvielen. En waar de brisantbommen waren gevallen: in de Oosterstraat en in de Elbertstraat. Maar toch nooit in de Venestraat zelf.
Angst. Op z'n minst grote bezorgdheid toen vader ineens opgepakt werd vanwege een wel buitengewoon valse Apostel. Op een zondag namelijk vond er een razzia plaats, die door de Bossen ternauwernood ontlopen was. Toen even later de Het Apostolisch genootschap naar buiten kwam, waarschuwde vader Bos een hem bekende jongeman voor de razzia. Niet wetende dat die man een wolf in schaapskleren was, NSB'er was. Die pakte hem ter plekke op en Bos belandde in het Huis van Bewaring, waar hij zich met veel moeite uitgekletst heeft.
Nota bene Piet, de oudste broer, inmiddels overleden, heeft een dagboek bijgehouden van het oorlogsgebeuren in Zwolle. Waar zou dat gebleven zijn. Ergens in een archief.
Overigens was er ook wel een soort voordeel van de oorlog. De mensen waren meer thuis en daardoor was het ook wel intiemer, voor je gevoel. Bovendien kon je geweldig spelen op straat, want zeker toen en ook nog een poos na de oorlog waren er geen of vrijwel geen auto's.

Vader en moeder Bos stimuleerden hun kinderen bij hun studie sterk. Er was zelfs iemand op kamers op zolder om inkomsten te hebben voor het studeren van zoon Piet aan de Vrije Universiteit. Hij is als chemicus zelfs gepromoveerd. Tweede zoon Jur heeft het lyceum bezocht.
Een tweede speerpunt in het educatieve programma waarmee de kinderen Bos opgetuigd werden, was de muziek. Minstens één jaar gingen zij op muziekles. De tweeling heeft er het meeste baat bij gehad. Meintje is een geschoolde sopraan, straks te beluisteren in het Caeciliakoor in de Dominanenkerk bij de uitvoering van de Mattheus Passion. Zij had van haar 16de tot haar 62 zangles.
Ebo is verdienstelijk jazz-pianist, die in contact stond met Misha Mengelberg. Hem ooit zijn muziek toestuurde en later via via begreep dat Misha zijn muziek had kunnen waarderen. In Zwolle had je de Jazz Federatie, die voor de jazz zorgde in Urbana en de Buitensociëteit.
Vader Bos zong ´s ochtends vroeg met luider stemmen psalmen in de keuken.
Het harmonium werd later een piano. En één van de oudere jongens speelde citer.
"Het was altijd heel gezellig bij ons thuis". En de ouders gingen veelvuldig op visite en dan hadden de kinderen het rijk alleen, om naar muziek te luisteren.