zondag 1 december 2013

MET GERRIT SALET DOOR DE BUURT

Rondgang door de buurt met GERRIT SALET

Eigenlijk zeg ik ´meneer´ tegen de kaarsrechte gestalte van de 83-jarige schilderspatroon Salet. Nu woont hij in de Vrouwenlaan maar hij is opgegroeid, is getrouwd en heeft gewerkt vanuit onze buurt. De punt tussen de Van Karnebeekstraat (door Salet meestal bij z’n oude naam genoemd: de Deventersstraat), de Hertenstraat en de Tuinstraat is hem beter bekend dan zijn eigen broekzak.
Van Karnebeekstraat 90 (naast het ‘kasteel van Jordens’ dat de hele punt besloeg en in 1937 afgebroken is)  en Hertenstraat 6, het huis van zijn jeugd en de plaats van zijn werk en zijn gezin. Het eerste ouderlijke huis Van Karnebeekstraat 76 bestaat niet meer, is nu een perkje met wat parkeerplaatsen, op de hoek met de Tuinstraat.




Salet heeft 38 jaar gewoond aan de Hertenstraat, nr. 6, precies naast wat ooit het geheel ommuurde fabrieksterrein van Klinkert was, met de hoge schoorsteen, een soort plein met verschillende loodsen en hallen. Aan de (over)kant van de Hertenstraat stond dus een manshoge muur met een paar poorten daarin. Een klein restje van die muur tot op kniehoogte was nog te zien toen de Kringloopwinkel daar gevestigd was.
Als kwajongens hebben Gerrit en vriendje Roelie Land, van de drogisterij uit de Van Karnebeekstraat eens een ‘recept’ uitgeprobeerd uit één van die drogistenboeken van pa Land. In een conservenblikje hadden ze in de schaduw van de muur van Klinkert een mengsel van zwavel en suiker aangestoken. Het effect was overweldigend: een grote rookmassa ontwikkelde zich uit dat kleine blikje en vulde eerst de Oosterstraat en daarna de Oosterlaan en het station. De politie en de Duitsers kwamen kijken wat er aan de hand was. Maar toen hadden Gerrit en Roelie zich al voorbij de hoge spoorbrug in veiligheid gebracht.
Ook al een actie die uit de hand liep dateert uit de tijd dat Van Berkum met zijn vatenfabriek zich net na de oorlog op het terrein van Klinkert gevestigd had. (Klinkert had op last van de geallieerden al zijn bedrijfsactiviteiten moeten beeindigen vanwege collaboratie met de Duitsers.) Gerrit en zijn maten brachten een torenhoge stapel lege vaten aan het rollen  door een lier in beweging te zetten. Volgens Gerrit is toen zelfs een één van die kleine huisjes achter de Tuinstraat in elkaar gedrukt.
Het personeel van Van Berkum had trouwens een lawaaiige manier om de vaten schoon te maken. In z’n vat werd een ketting gedaan en een schoonmaakspulletje en dan rolden ze zo’n vat door de straten. Later werden ze op een draaiende machine gezet.

Enfin, Salet weet nog dat de schoorsteen van Klinkert na de oorlog afgebroken is. Hij is daar nota bene als tien-jarige nog ingeklommen via de klimijzers die erin gemetseld waren. Toen hij enthousiast naar zijn vader zwaaide, bleef zijn vader kalm: “He, kom eens naar beneden: je moet even een boodschap voor me doen.” Nietsvermoedend kwam Gerrit terug op aarde, altijd bereid voor een boodschap. Maar de wijze waarop zijn vader hem hardhandig inpeperde dat hij dit soort avonturen uit z’n hoofd moest laten, herinnert hij zich nog pijnlijk.
Na Klinkert kwam er de cliché-fabriek van De Bruyn en de vatenfabriek Van Berkum, de VAD-garage, de Kringloop en nu Anna Heerkens dus.
Salet vertelt dat toen die cliché-fabriek van eerst de Overijsselsche Cliché Industrie (OCI) en later De Bruyn BV daar was gevestigd, de bomen bij hem thuis in de tuin van ellende doodgingen. Toen hij 15 jaar geleden zijn huis verkocht moest hij nota bene zijn eigen tuin saneren door de grond zes meter diep te laten afgraven en afvoeren. Des te vreemder was het te moeten zien na hoe nog veel meer verontreiniging het terrein van Klinkert/De Bruyn/Van Berkum/VAD zogenaamd gesaneerd werd. Niks grond afgraven, een paar buizen in de grond met doorspoeling met chemicaliën en dan was dan dat. Maar we dwalen af.



Salets vader had een schildersbedrijf, zo rolde Gerrit erin en maakte Salet tot een grote naam in de schilderswereld en zijn zoon is alweer een poosje bezig de reputatie van de Salets waar te maken en het werkterrein van het bedrijf te vergroten. Wij spreken in zo’n verband al bijna van een dynastie.
En om de zaak nog wat meer cachet te geven, de Salets komen uit Beijeren. Oorspronkelijk betekende het dan ook alpenwoning, hoewel de voorouderen woonde in grotten. Gerrit heeft het uitgezocht en er is een connectie met Jacoba van Beieren, in wier spoor het voorgeslacht naar de Zuidelijke Nederlanden kwam. Aanvankelijk woonden ze in de buurt van Dinant ook nog in grotten. Zij schipperden met hout en stenen, vertelt Gerrit, en nog steeds zijn er onder de Salets varende schippers. Het moderne chalet zal wel van dezelfde stam komen, maar ook salon en zaal. Wie dus denkt dat Salet alleen maar gelukkig is met een kwast in zijn hand, moet bedenken dat hij heel wat tijd met veel plezier gestoken heeft  ‘in het spoor terug’, dat hem in archieven achter Parijs bracht.
Gerrit is nog steeds de eigenaar van de grote hal die van de Venestraat doorloopt naar de Derk Buismanstraat en waar huurder AFAC tegenwoordig de fietsen bergt die op en rond het station op een ongewenste plaats gestald stonden. Jaren geleden, in de jaren 70,  heeft Salet deze kapitale magazijnruimte gekocht van een man uit de Van Nagellstraat die een handelsmaatschappij had een de hal gebruikte om grote rollen plastic op te slaan, maar het aan zijn hart kreeg, en moest stoppen. Salet had ruimte nodig om steigermateriaal, schaftwagens en de de werktuigen op te slaan van zijn almaar uitbreidende bedrijf. Vandaar. Maar na verloop van tijd ontstond er een probleem met het parkeren in de Venestraat en de Buismanstraat en toen is het bedrijf verkast naar de Marslanden, maar Salet is eigenaar gebleven en verhuurt het dus nog steeds. Bert Busbroek bijvoorbeeld heeft er een Skoda-garage in gehad. Maar ook 'de gevangenis' sloeg er meubilair op. Wekelijks ging kreeg er wel een gevangene de kolder in de kop en vierde dat bot op stoel, tafel en bed in z’n cel. Ministerie van Justitie moest wel een voorraadje van dit soort meubels aanhouden. 
Hij is het eens met iedereen die vindt dat zijn eigendom er op dit moment haveloos bijstaat vanwege de graffiti. Het is al driemaal op zijn kosten schoongemaakt, maar je blijft bezig.  Een coating waarna nieuwe graffiti er eenvoudig af te vegen is, bestaat niet, al zal verwijderen misschien wel gemakkelijker gaan.  Zelf een opdracht geven tot een artistiek verantwoorde schildering is misschien een oplossing.


  Een tekening waarin de relatie van het pand met de historie van de Venestraat tot uitdrukking komt, is heel wel te overwegen. Wie ideeën heeft, Salet hoort ze graag.


Zo zijn we in de Venestraat aangekomen, op het terrein van de Koninklijke Stoomfabriek voor de Bereiding van Lakken en Vernissen van Klinkert en Co. Ja, er zitten twee kanten aan het verhaal van Klinkert in oorlogstijd.  Dr. J. Klinkert die in de Venestraat op nummer 20 woonde, was absoluut een vakman, een goede chemicus, met patenten op zijn naam. Of het nou door zijn Duits georiënteerde vrouw kwam of door commerciële overwegingen, hij papte aan met de Duitsers en er kwamen Duitse officieren bij hem over de vloer. Maar een nare man was het verder niet. Salet vertelt hoe Klinkert ook de Duitsers besodemieterde.  In de Centrale Werkplaatsen van de Spoorwegen, waar nu Wärtsila zit,  werden op een goed moment legeronderdelen klaar gemaakt  voor het Afrikakorps. Dat wil zeggen dat er legervoertuigen in zandkleurige camouflage werden geschilderd met verf van Klinkert. Daarvoor overvroeg Klinkert de Duitse autoriteiten gigantisch voor wat betreft de toelevering van grondstoffen.

Op die manier kon Klinkert ook verf maken die hij voor normale prijzen aan de Zwolse schilders leverde. Later hebben die schilders wel eens gezegd: zonder Klinkert hadden we in de oorlog armoed gehad.



Dat er een rechte lijn loopt van de Venestraat naar El Alamein! 
De vader van Gerrit had overigens zelf de uitnodiging afgewezen om te komen schilderen in de centrale Werkplaatsen.  Niet dat hij nooit voor de Duitsers gewerkt heeft. Op een goed moment werd hij bij een razzia opgepakt. Het was eind 1944. Hij moest gaan graven aan de versterking van de IJssellinie.  Maar hem werd het alternatief geboden om Duitse kantoren te komen behangen. In deze periode namelijk waren verschillende Duitse instanties hem in het westen van het land gaan knijpen en hadden hun hebben en houden opgepakt en nu hier neergestreken, achter de IJssellinie. En die nieuwe kantoren moesten uiteraard ook netjes worden ingericht.
Vader Salet overwoog dat hij de vaderlandse zaak meer zou schaden als hij ging graven aan de IJssellinie dan met een nieuw behangetje. Dus zijn keus had hij snel gemaakt.  
Gerrit is in de oorlog wel in de fabriek van Klinkert geweest, want die had gebrek aan nieuwe verfbussen. Gerrit ging daarom lege verfblikken verzamelen, maakte ze schoon en ging die voor een soort statiegeld bij Klinkert inleveren. In de oorlog was aan van alles gebrek en zo werd stopverf geleverd in lege munitiekistjes.

De contacten met de Duitsers waren ook niet in alle opzichten bedreigend. Zo was de buurman van de Salets de Ortscommandant die in het hoekhuis woonde aan de Van Karnebeekstraat / Hertenstraat.
Die had zijn intrek genomen in het huis van de ondergedoken Joodse familie van der Sluis. Hij werd bewaakt en in zijn schuur stonden de britsen waar die wachtsoldaten moesten slapen. Iedere dag liep de commandant door de Hertenstraat met achter zich twee van die soldaten, naar de Ortskommandatur, zijn kantoor op de hoek van de Zeven Alleetjes en de Van Roijensingel. 
Op een avond waarschuwde deze Ortscommandant van over de heg in de tuin de vader van Salet dat Nico, oudere broer van Gerrit, en Werner, even oude zoon van de groenteboer aan de overkant  -allebei in de gevaarlijke leeftijd voor de Arbeitseinsatz-  die avond moesten verdwijnen, want er kwam een razzia. Loyaliteit van buurtgenoten onder elkaar, waar zelfs een Duitse machthebber zich niet aan onttrekt. Helemaal wederzijds was het niet. Gerrit en zijn maten hadden allang in de gaten dat er in de beduimelde éénkamerwoninkjes die langs het binnenpad van de Hertenstraat naar de Van Karnebeekstraat stonden (allang gesloopt) een voedselopslag was. Er stond weliswaar bewaking voor de deur, maar aan de achterkant (sluipend over het tonnenpad dat door de ‘keutelarieje’ gebruikt werd om de poeptonnetjes te verwisselen) drukten Gerrit cs een ruitje in van zo’n opslaghuisje en stalen boter en suiker en wat zij maar te pakken kregen. ‘Organiseren’, heette dat. Vader Salet kreeg één of twee dagen later het verzoek om een nieuw ruitje te komen zetten.

Een ander voorbeeld van deze vorm van ’georganiseerde’ sabotage, waren de schepelzakjes die Gerrit en zijn kameraden droegen. Daar kon een kwart mud steenkool in. Het beste moment om op jacht te gaan was als de loudspeaker van het station omgeroepen had dat ‘sein Lodewijk op onveilig’ stond. Alles wat ‘spoor’ was, maakte dan dat-ie wegkwam en rende de weilanden richting Schelle in. In de weilanden waren mansgaten waar je dekking kon zoeken. Dan kwamen geallieerde jagers en deden met hun boordmitrailleurs een aanval op de stoomlocomotieven  en probeerden de stoomketel lek te schieten. Zo’n aanval gebeurde regelmatig. Het alarm op het station ging altijd net ietsje eerder dan in de stad. Dan werd het station aangevallen door Spitfires. Die hadden ook wel kleine bommetjes bij zich maar die waren toch anders dan die grote bommen van de bommenwerpers. Er is eens een bommetje ontploft in de voortuintjes van de Oosterlaan tussen Venestraat en Derk Buismanstraat, maar richtte geen noemenswaardige schade aan.

Neemt niet weg dat de directe omgeving van het station wel speciale gevaren meebracht.

In de oorlog werkte Gerrit regelmatig bij tuinder Sluiter aan de Assendorperlure. Er was geen school en op die manier bracht Gerrit groente en melk mee naar huis, en voor zijn vader belangrijk: Gerrit was bezig.
Een mooi verhaal is de truc met de spitskool van Sluiter. Een vorm van uitgekookt boerenbedrog. De Duitsers hielden goed in de gaten waar wat op het land stond. En ze legden beslag op de spitskoolplanten van Sluiter toen die nog in de groei waren. Gerrit kreeg opdracht van Sluiter om de planten dagelijks met een flinke schuit gier tot wasdom te brengen. Die planten zetten me toch een groeispurt in, lacht Gerrit zoveel jaren later.  De familie heeft zelf  één zo’n reuzespitskool uitgeprobeerd, maar die stonk de pan uit! Maar de Duitsers hebben ze meegenomen, en per kilo betaald. Hen werd meer kool gestoofd dan waar ze ooit op hadden gerekend. Alle waar naar zijn prijs, uiteraard.

We komen regelmatig terug op de oorlog. Vooral omdat er zoveel verhalen in omloop zijn. Bijvoorbeeld dat winkelier Van der L. na de oorlog een enorm bedrag aan de belasting moest betalen vanwege oorlogswinst en zwarte handel en dat hij tegen de lamp liep toen hij in verband met het tientje van Lieftink z’n geld naar de bank ging brengen. Waar of niet waar? Heeft de ouwe Schutte voor straf in de mijnen moeten werken vanwege collaboratie? Waar of niet waar? Hoe dan ook de Schuttes waren beslist geen nare mensen, maar ze werkten vermoedelijk ‘actief’ voor de Duitsers. Gerrit was bevriend met Gerard Schutte. Ze gingen samen naar de Parkschool, School 1 heette die toen nog. Gerard is jong overleden. Met Hessel is Gerrit naar de schildersopleiding gegaan in de Ambachtsschool. Gerrit heeft er zelf later ook nog les gegeven. Zelfs een jaartje  in het dagonderwijs, maar dat vond hij helemaal niks, verschrikkelijk. Die jonge jongens zijn geduchte pestkoppen. Hij heeft z’n carrière vervolgd in het volwassenenonderwijs, aan schilders-gezellen die al veel serieuzer waren en in elk geval veel beter gemotiveerd.
Karel Appel heeft nog eens een demonstratie gegeven in de Ambachtsschool. Met veel bravoer. Hij had zichzelf geïntroduceerd als autodidact en toen ‘flink met tubes verf gespoten’.  
Schutte heeft na de oorlog zijn schildersbedrijf voortgezet en de vraag is hoe de verhoudingen waren tussen de schilders. Gerrit vertelt dat er op zeker moment maar liefst 106 schildersbedrijven waren. En de relaties? Iets van concurrentie en collegialiteit tegelijk. Je had elkaar toch ook weer geregeld nodig en echte broodnijd was er niet. Nu zijn er in Zwolle 14 schildersbedrijven.

Is het moeilijk om veel oorlogsverhalen te verifiëren, zeker wel waar is de protestactie van Eef Bakker, behanger-stoffeerder uit de Tuinstraat. De hele Tuinstraat hing vol met reclame voor de Nederlandse Unie. Kleveringa en Borneman die daar woonden, waren niet van "die besten". Als statement daartegen haalde Eef een pot menie en maakte z’n hele huis oranje. Hij heeft ervoor in het Oranjehotel, de Scheveningse gevangenis, gezeten. Maar is vrijgekomen. Als vrijgezel in de kost ergens bij de Diezerpoorterbrug heeft hij eens een voetzoeker gegooid tussen een peloton Duitse soldaten dat net over de brug marcheerde. Het hele peloton zocht dadelijk dekking en wierp zich plat op het brugdek. Tamelijk grappig, maar Bakker heeft het moeten bezuren. Hij is ernstig mishandeld en opgesloten. Ook dat heeft hij overleefd.

In praktisch alle huizen van de Venestraat, in elk geval aan de even kant heeft Gerrit wel gewerkt. Al in de tijd dat hij bij zijn vader in dienst was als leerling-schilder. Hij herinnert zich in het bijzonder de weduwe Thiebout-Wispelwey. Misschien vooral vanwege de duizenden lantaarnpalen die hij heeft geschilderd voor de ijzergieterij en machinefabriek van de Wispelweys ‘De Nijverheid’.
Op dat rijtje woonde ’s winters een familie Van Nes van Meerkerk die hier niet ingeschreven stonden, want ’s zomers bewoonden zij landgoed Soeslo. Er werd lichte schande van gesproken dat deze mensen twee huizen gebruikten toen er grote woningnood was en dat het huis in de Venestraat de hele zomer leegstond.

Of godsdienst een rol speelde. Jazeker. Voor de gereformeerden nog meer dan voor de roomsen waren er duidelijke scheidslijnen. Bij Scholtens van de suikerwarenfabriek op de hoek van de Tuinstraat en de Venestraat (mosterdfabriek) mocht je niet in de portiek komen op zondag. Je moet bedenken dat zeker de jongens toen de hele dag op straat speelden en door de hele buurt zwierven. Vader en moeder Zunnebeld van de dierenwinkel waarschuwden hun kinderen dat ongelovige jongetjes als Gerrit Salet vooral niet meegingen naar de vroege mis,  waar zij wel naar toe moesten in de vakanties, iedere dag.
Poelman had ook veel kinderen, ook zwaar katholiek en Bodewes van de scheepsbouw uit de Venestraat. En niet te vergeten de familie Röben die een textielfabriek had in de Oosterlaan (jammergenoeg afgebroken, nu Bartimeüs) en een grote winkel in de Diezerstraat, met een filiaal in Amersfoort. Daar schilderden wij heel veel voor, want de oude Röben zei: “Ik wil geen Roomse schilder, want dan ga je door de kerk.” Roomse schilders zijn waarschijnlijk roddelkonten.
Gereformeerden en Katholieken gingen ook allemaal naar andere scholen. Een dochter van Van der Lippe zat bij ons op school en die liep wel eens mee. Maar mijn moeder had ook zo haar voorkeuren. Die vond de Tunstraat toch wel een mindere straat en zij had liever niet dat we daar kwamen.
Voor de klandizie kochten wij overal in de hele buurt: bij Van der Lippe, bij de kruidenier Kuttering (later Kettering), bij de dames kruidenières Boxman en dan natuurlijk vooral ook in de Van Karnebeekstraat.

De buurt zag er anders uit. Aan de ene kant van de Hertenstraat de fabriek van Klinkert achter die grote muur en met die hoge schoorsteen en schuin aan de overkant op de hoek met de Venestraat het kantoor en de magazijnen dat nu appartementsgewijs bewoond wordt. Was natuurlijk altijd wat te beleven. De Hertenstraat was aan de kant van de hoge spoorbrug een klein straatje. Is pas later gereconstrueerd. Dat hoge huis met die enorme tuin van rechter Jordens nam heel veel ruimte. En dan die sloot. Als je goed oplet en met een kaart erbij zie je hoe die heeft gelopen. Langs het Groenewegje (Hertenstraat) tot de Zeven Alleetjes, dan achter de huizen aan de Van Nagellstraat, onder de Stationsweg door, Roopoort, Eekhoutpark (was een landgoed) en bij de Emmawijk in de gracht onder de singel door.

Bij de tandartsen naast Wientjes zie je het talud nog heel goed. Salets vader heeft nog een stuk gedenpte sloot moeten kopen. De familie woonde toen nog in de Van Karnebeekstraat en hun tuin liep helemaal naar de Hertenstraat. En daar was in 1957 nog een eenzaam stukje gemeentegrond van na het dempen van de sloot. Belangrijke plek was ook het lompenpakhuis van Dennenboom in de Van Karnebeekstraat tegenover de touwbaan. Denneboom deed ook in oud papier, vodden, oud ijzer en zat waar nu het parkeerterrein van het zoekenhuis zit, naast de koffieshop. Kwam Gerrit ook regelmatig om een centje te verdienen aan de lege emballage van het schilderwerk. Die haalde de lege blikken door een pers en dan spoten de restjes verf meters hoog.

Wat veel mensen niet weten is dat er een soort hofjes waren met kleine éénkamerwoninkjes en een bedstee in de binnenterreinen achter de Van Karnebeekstraat. Die dateerden nog uit de tijd dat hier de groentetuinen waren van de mensen in de binnenstad en er voor arbeiders en dienstpersoneel rijtjes kleine huisjes neergezet waren. Er is nog een steegje tegenover het Oudemannehuis voorbij waar vroeger Kooiman, de wagenmaker zat en waar nu een soort instituut is, iets terug van de rooilijn. Aan dat steegje woonde de oude De Jong die daar zijn glashandel ooit is begonnen. De Pruimershuisjes waren ook wel een voorbeeld van dat soort woninkjes. Waar nu het Alfa-kantoor staat, in de voormalige Groen van Prinstererschool aan de Zeven Alleetjes, stonden die huisjes van armoedige weldadigheid. Met twee poepdozen in de tuin voor het hele rijtje.

Met al die werkplaatsen en fabriekjes van Scholtens, Palm, het confectieatelier aan de Tuinstraat, nu sportschool, en daartegenover UitdenBoogaard voor fietsonderdelen, later een grootgrutter en vervolgens Ferwerda met z’n auto-onderdelen, Klinkert natuurlijk en textielfabriek Bodewes, later Röben was er heel wat beweging in deze buurt. Veel bedrijviger dan nu. Veel meer beweeglijke kinderen, maar ook aan- en afvoer, leveranciers en klanten, personeel. Nu zie je vooral mensen die gehaast de straat doorlopen van station naar een kantoor en op de fiets naar Zwolle-Zuid. Toen had de buurt meer genoeg aan zichzelf.
In die Groen van Prinstererschool zat later ook de LOM-school van meneer van As. Daar had Gerrit grote bewondering voor: hoe die met die kinderen omging en eruit haalde wat erin zat. Later is die school verhuisd naar de Jacob Catsstraat, de Koningin Emmaschool.

(...)

Dan had je in de Venestraat natuurlijk ook het Koningin Emma Meisjeshuis. Moesten wij van onze moeder ook uit de buurt blijven. "Die meisjes werden opgevoed tot lesbiënnes." En mijn moeder hoorde eens van een kennis die daar werkte dat “het slechtste gezin is beter dan zo’n huis”, omdat die meisjes elkaar daar wel wisten te vinden, elkaar  opstookten. Die leidsters deden heus wel hun best, maar het idee allemaal van dat soort meisjes bij elkaar te zetten! Met de jongens ging het anders. Daar werd een betrekking voor gezocht als leerjongen, met kost en inwoning. Die kregen een ander soort opvoeding. Gerrit kent zelf  twee mannen die getrouwd zijn geweest met een meisje uit het meisjeshuis, maar die meisjes zijn toch weer ‘teruggevallen’ en ze zijn ervan gescheiden.

Achter de Venestraat in het binnenterrein met de Ter Borchstraat was een groot magazijn van loodgietersonderdelen, van de Vihamij. Het smalspoor dat daar nog steeds aan de Oosterlaan te zien is, is uit die tijd. Salet heeft overwogen dat terrein van zijn tante tekopen, maar dat was al met al toch niet handig. Dat terrein was van een tante van Salet, mevrouw Grit-Salet, die op nummer 3 woonde en waar ook zijn opa bij inwoonde. Tante was getrouwd –komt weer een oorlogsverhaal-  met ene Grit dus, maar daar vóór met Halfwerk. En Gerrit Halfwerk was haar zoon, neef van Gerrit Salet, zeer actief in de ondergrondse, maakte zijn pakkans kleiner door vooral niet thuis te slapen, maar bijvoorbeeld in de vuilniswagens van de spoorwegen die aan de overkant van de Oosterlaan stonden of in de loodsen achter de Apostolische Kerk. Zo was er daar bij tante een geweer in huis, van Gerrit. Toen dat eens urgent was heeft opa het geweer op zijn rug onder zijn pandjesjas verborgen en liep ermee als met een bochel naar de Van Karnebeekstraat en smokkelde zo het geweer achter z’n hoge rug mee. Verborg het geweer in de bosjes in de tuin van Salet en dronk een kop koffie zonder het doel van zijn missie te vertellen. ’s Avonds heeft Gerrit Halfwerk het geweer weer uit de bosjes gevist.

links Jan Bekaan, rechts Gerrit Halfwerk 


In de groep van Gerrit Halfwerk zat ook Jan Bekaan. Bekaan was een Rijksduitser en was perfect tweetalig.  Zijn ouders hadden een bonthandel en perepareerden opgezette dieren aan de Van Karnebeekstraat, maar Jan was opgeroepen om telefonist te zijn in een kazerne in Wezep.  Gerrit Halfwerk en hij transporteerden wapens. Werden ze aangehouden dan waren de officiële papieren van Jan Bekaan voldoende om niet gefouilleerd en opgepakt te worden.
Op de dag van de bevrijding gebeurde er nog iets heel vervelends. Jan Bekaan, immers Duitser, werd in de kraag gevat door een (andere) verzetsgroep. De groep van Halfwerk heeft hem moeten ontzetten, waarbij beide groepen slaags raakten op de Sassenpoorterbrug.   
Gerrit Halfwerk is als chauffeur met oud/burgemeester Van Karnebeek naar Zuid/Afrika gegaan en daar vermoedelijk gebleven.

Gerrit herinnert zich Dolle Dinsdag, de oorlog leek snel voorbij. Zijn vader stond voor hem en hief een waarschuwende vinger: “Àlles wat je nu thuisbrengt, is afkomstig van diefstal. Als ik het merk breng ik je persoonlijk naar de Lombardsteeg”. (lees: politiebureau.)
Diezelfde dag stopte er een trein op het station met richting Duitsland vluchtende N.S.B’ers. Met vrouwen en kinderen. Een aantal van die vrouwen en kinderen stapt uit, maar dan zet de trein zich weer in beweging. Panisch schreeuwend rennen de uitgestapte vrouwen en kionderen achter de trein aan, tot (leed)vermaak van de toekijkende Zwollenaren.
Maar de oorlog ging nog even door. Een aangeschoten Engels vliegtuig op retour laat precies boven Zwolle een hele last bommetjes vallen, die achter het lompenpakhuis van Dennenboom aan de Van Karnebeekstraat neerkomt. Gerrit en nog wat jongens werden van de straat geplukt en moesten die die projectielen in de stadsgracht gooien bij de Sassenpoorterbrug.
Gerrit herinnert zich ook de ontploffing van de munitieschepen in het Zwarte Water nog heel goed. Zijn vader heeft ontiegelijk veel glas moeten zetten, omdat vooral in de binnenstad veel ruiten watren gesprongen.  

Na de oorlog verbleven er een paar maanden lang Canadese militairen in de Venestraat. Eerder interviewde ik Jan Beekman en die vertelde dat die Canadezen naast de kerk woonden en de kerk als opslag gebruikten en belast waren met het regulieren van de voedselvoorzierning. Nu bevestigt Gerrit Salet hun aanwezigheid, maar hij dacht dat zij ín der kerk woonden. Hoe dan ook er stonden er regelmatig jeeps voor de deur "en daar speelden we dan in".
Terugkijkend op de oorlog zegt Gerrit dat in zijn familie geen honger was, maar dat zij wel “gek gegeten” hebben. In plaats van slaolie gebruikte zijn moeder het van het schildersbedrijf goed bekende lijnzaadolie. Om dat de zuiveren werd het op temperatuur gebracht en werd er een kapje brood in gedaan dat de vuiligheid opnam.
Toen de Duitsers op de vlucht waren en de stad verlaten hadden, hebben zij nog een hevige beschieting uitgevoerd vanaf de Veluwe op alle hoge punten: de kerktorens onder andere die in de Assendorperstraat werd geraakt, maar ook de schoorsteen van Klinkert. Bij Weezenberg aan de Van Karnebeekstraat is nog een granaat naar binnen gevlogen.
Na de oorlog is de Ortscommandant nog eens op bezoek geweest bij zijn vader.


Stolpersteine.
Gerrit vindt het een goed en mooi idee. Hij herinnert zich een schrijnend beeld. Hoe Alfred Weihl, doodziek, van huis gehaald werd om gedeporteerd te worden. De ziekenbroeders van Bremer, die een ambulance had op het Assendorperplein en een doodkistenfabriek aan de Van Ittersumstraat,  legden hem op bevel van de Duitsers op een brancard en namen hem mee. Het was 31 december 1942. Salet heeft dat beeld nog haarscherp voor ogen. Hij zou een Stolperstein voor Alfred Weihl willen adopteren, maar voor hem en zijn echtgenote Grethe is zijn reeds Stolpersteine gelegd in de wijk Marxloh, in Duisburg.

Gerrit heeft nog veel meer verhalen over een levenlang op de grens tussen Assendorp en Stationswijk. Nog eentje dan. Bij Gerrits vader werkte ook een oud-marineman. Die leek sprekend op Fernandel = Don Camillo. Gerrit en hij waren aan weerszijden van een ijzeren hek op het stationsplein aan het schilderen toen er een cameraploeg bezig was om een promotiefilmpje te maken van of voor Zwolle. Tegelijk stapt er een stoet Fransen uit de trein , die de look-a-like van Fernandel ziende én de cameraploeg, zeker weet dat zij op de filmset zijn beland voor een heuse Don Camillo-film. Deze schildersmaat weet natuurlijk best op wie hij zo sprekend lijkt en hij beantwoordt de verwachtingen door een overtuigende imitatie met gebaartjes, gekke bekken en gebaartjes. Het werd een oploop van jewelste en de politie heeft de orde moeten herstellen.
Overigens heeft deze jongen Diepenheim, wiens vader een schoenmakerij had in de Van der Laenstraat, van 1936 tot 1946 bij de marine gediend en in de oorlog heel veel heeft 'meegemaakt'. Hij voer onder andere op het luchtdoelartillerieschip de HM Heemskerk onder bevelvoerder La Rive die later directeur van Schiphol werd. Om zijn verhaal compleet te maken en te laten zien hoe het kan verkeren, vertelt Gerrit dat Diepenheim een onverzoenlijke hekel had aan alles wat naar Duits rook, maar viel voor een door een Duitse soldaat-echtgenoot in de steek gelaten vrouw, rijksduitse, met twee kinderen. Hij is met deze vrouw, dochter van de Rijksduitsers Reigersbach, getrouwd en heeft twee Duitse kinderen opgevoed.




      

      

woensdag 20 november 2013

KONINGIN EMMA MEISJESHUIS


De Nederlands Hervormde Vereeniging Kinderzorg dateert van 1907 en was in het statige pand op de hoek van de Ter Borchstraat en de Hertenstraat het Juliana Kinderhuis begonnen. Dat is waar meer dan 100 jaar later de Zwolse welzijnorganisatie Trias nu De Uitwijk runt en krisisopvang biedt aan normaal begaafde jongeren tussen de 12 en 16.
Nog vóór de oorlog begon Kinderzorg in de Venestraat, nummer 25a, een dependance: het Koningin Emma Meisjeshuis , een ‘tehuis voor werken meisjes’. 
 Dat althans blijkt uit een bericht van 10 oktober 1940 in de Zwolsche Courant waarin door een Comité van Aanbeveling van tien notabelen wordt opgeroepen geld te geven. Meisjes die buiten hun schuld hun ouderlijk huis moeten missen worden hier verzorgd en opgevoed, uiteraard tot ‘godvruchtige’ vrouwen.
Eerder al, in de Zwolsche Courant van 12 mei 1940,  werd aan de jeugdzorg warme aandacht besteed en daarbij werd ook duidelijk wat de functie is van het meisjeshuis in de Veenestraat: "Hier worden de meisjes opgevangen die vanwege de op de Noord-Veluwe veel voorkomende  onzedelijkheid der ouders uit huis geplaatst worden."
Ds. J.J.P. Valeton was de drijvende kracht achter de Vereniging Kinderzorg Zwolle, een Nederlands Hervormde Voogdijvereniging die nog steeds bestaat en actief is, zij het niet in de Venestraat.

De oude naam is verwijd tot  Protestants Christelijke Vereniging voor Jeugd- en Kinderzorg maar na nog een fusie is dat nu de Stichting Kinderperspectiuef  die nog altijd in datzelfde deftige huis in de Ter Borchstraat zetelt.
“Kinderzorg 1939.  Cijfers die tot nadenken stemmen. De secretaris-directeur, ds. J. J. P. Valeton[i] presenteert het jaarverslag uit. In dezen tijd, zoo ving hij aan, waarin duizenden en duizenden kinderen uit hun woningen verdreven worden is de vraag gewettigd of er nog wel belangstelling bestaat voor een in verhouding kleine arbeid als de verzorging van het verwaarloosde kind. Zes en zestig kinderen kreeg de vereeniging dit jaar te verzorgen. Bij het einde van 1939 waren 472 voogdijkinderen aan de zorgen van de Vereeniging toevertrouwd.
Uit het arrondissement Zwolle kwamen 29 kinderen uit zestien gezinnen, waarvan 8 uit de stad Zwolle zelf.  Bij de meeste van deze gevallen was onzedelijkheid der ouders aanleiding voor de ontzetting uit de ouderlijke macht. Ds. Valeton wees in het bijzonder op de omstandigheid, dat de Noordelijke Veluwerand het grootste aantal leverde. Die gevallen waren alle een gevolg van onzedelijkheid.
Van de vele voorbeelden, waarmede de heer Valeton het verslag op scherpe wijze toelichtte, noemen we dat van de moeder, jong weduwe geworden, die met plezier afstand deed van al haar zeer jonge kinderen, waarvoor ze toch al niet meer zorgde, omdat ze nog wat aan haar leven wilde hebben.
De vraag dringt zich op, of een dergelijke vrouw niet gestraft kan worden. Of ze zoo maar haar kinderen aan de gemeenschap kan overlaten en of het eigenlijk niet beter was, dat zij ze hield!
Ook achtte spreker het noodzakelijk, dat de vonnissen uit de ouderlijke macht betreffend, in het openbaar worden uitgesproken. De ouders zeggen thans, dat ze vrijwillig afstand van de kinderen deden en zy onttrekken zich op die wyze aan de schande, die als straf gunstig kan werken. Het toezicht werd in 1939 weer uitgeoefend door freule Mackay. Tenslotte besprak ds. Valeton de gestichtsverpleging.  Zij geschiedde in het Kinderhuis en het Meisjeshuis. In het Juliana Kinderhuis waren in totaal 158 kinderen. Er vertrokken 107 kinderen, zoodat er aan 't einde van 't jaar 51 waren. Het Kinderhuis is ingericht voor 56 kinderen en het is dus geregeld zeer vol geweest.  Ook het Meisjeshuis Koningin Emma was geregeld vol. In het meisjeskamp hebben 25 meisjes zeer genoten in het voorbije jaar.”
Maar de dependance vermenigvuldigt zich. Eerst wordt het pand benedenpand, nr. 25, en later ook nummer 23 toegevoegd en aan zijn woonbestemming onttrokken. 
Het complex heeft in de loop der jaren verschillende functies gehad, maar wel steeds in de sfeer van jeugdhulpverlening en kinderopvang. In de moderne tijd is het een Kamer Trainings Centrum geweest op de bovenste verdiepingen en kinderdagverblijf De Til op de onderste verdiepingen.

Uit de geschiedenis van de vereniging leest men hoe in 1951  de accommodaties van de vereniging in Ter Borchstraat en Venestraat een duidelijke modernisering ondergaan. De courant besteedt er enthousiaste aandacht aan:
24 januari 1951. Mijlpaal voor Kinderzorg. Julianahuis werd ‘opengegooid’. Ruimte, licht, contact met de buitenwereld.
“Op deze wijze hebben we getracht de sfeer van het inrichtingsleven wat te breken en de kinderen in aanraking te brengen met het leven ‘daarbuiten’ “.
Dit laatste zinnetje vonden we in het jaarverslag over 1948 en het volgde op een opsomming van een serie uitjes, filmavondjes, muziekmiddagen e.d. voor de kinderen georganiseerd. Het typeert uitstekend de leidende gedachte, welke het bestuur van de vereniging en de directeur, de heer G.C. van Mourik, bezielt bij hun mooie werk. Men wil de kinderen in contact brengen met de maatschappij, hen niet langer opsluiten in een donker huis met ramen, die tralies hebben en een kale tuin die beheerst wordt door hoge muren.Geen matglas meer. (...) Gisteren, toen de kindermaatschappij op volle toeren draaide zijn we een uur lang door het vergrote en vernieuwde gebouw gewandeld. In de moderne badkamer met de frisse douchecelletjes betrapten we twee kleine peuters, die om het hardst bezig waren zich schoon te boenen, in de keuken wezen de meisjes die er bezig waren ons trots het geweldige, nieuwe fornuis dat het koken tot een lust maakt en op de bovenverdieping  -die merkwaardige verdieping die vorig maar zó is opgevijzeld zodat de kap geruime tijd niet op het huis maar op biertonnetjes steunde-  op die verdieping ontdekten we dat de grotere meisjes van het Julianahuis niet meer op een zaal slapen doch ieder een eigen kamertje hebben met een vaste wastafel.
Achter in de tuin staat de dependance van het huis, een ruim pand aan de Venestraat, waar de jongens en de werkende meisjes huizen. Ook deze woningen, die pas in gebruik zijn genomen, zijn helemaal opgeknapt en hebben niets meer van een “gesticht”, maar alles van een huiselijk onderkomen. De reacties van de kinderen op deze veranderingen zijn merkwaardig goed. Waar er vroeger nog wel eens strubbelingen waren en waar het nog wel eens wilde voorkomen dat een van de bewoonsters wegliep, daar gaat nu alles zoals men maar wensen kan. In het Julianahuis zijn 62 kinderen. In “De Til” aan de Venestraat zijn 15 jongens en tenslotte vinden 13 werkende meisjes plaats in de  dependance aan de Venestraat.


Een merkwaardige episode betreft het verzoek van de afdeling voor Bijzondere Jeugdzorg van het Departement van Justitie om N.S.B.-kinderen te willen overnemen. Dat waren de kinderen van geïnterneerde ouders. Gelukkig is daar door het departement zelf een stokje voor gestoken. Nadien is er niets meer over deze kinderen vernomen. De overblijvende 'gevallen' zijn als ‘normale voogdijgevallen’ aanvaard.

Dan gaat het snel met de jeugdhulp-verlening en in 1976 vindt de lang gewenste reorganisatie plaats. De vereniging (stichting) heeft in de Aa-landen drie nieuwe groepswoonhuizen tot stand gebracht voor een gezinsvervangende opvoeding. De bewoners van het Emmahuis gaan als groep in zo’n huis wonen en twee groepen uit het Julianahuis in de twee andere huizen. Het Julianahuis wordt herdoopt in De Uitwijk en wordt noodopvang in crisissituaties en doorgangshuis, terwijl Venestraat 25a nu een ‘jongerenpension’ oftewel ‘kamertrainings-centrum’ wordt, met beneden het kinderdagverblijf De Til.
Voor een globaal beeld zijn we op 31 december 1976 in De Uitwijk 15 kinderen, in de groepswoonhuizen 35, in het jongerenpension 12, en in De Til 29 waarvan 12 voor halve dagen.


Met een grote sprong naar de moderne tijd, vanaf 1993 tot 2005 is behalve wat kantoor-ruimte het kinderdagverblijf de enige, beeldbepalende gebruiker van het complex. De stichting Stad en Welzijn heeft dan het kinderdagverblijf De Til onder haar hoede gekregen. Deze stichting verleende in de loop der tijd in de Venestraat ook gastvrijheid aan een reeks organisaties voor sociale dienstverlening.
In 2005 volgt de verkoop van de gehele accommodatie aan een speculatieve projectontwikkelaar, AXEON, en verhuist De Til naar Zwolle Zuid.


Vanaf dat moment, in 2005, staan de panden leeg, ten prooi aan verloedering, en zijn zij de inzet van een verbeten strijd tussen eigenaar, gemeente en buurtbewoners, waarmee zich op een goed moment ook een B.V. komt mengen die een soort beschermd wonen voor studenten met een autisme beperking wil onderbrengen in de panden. STUMASS staat voor STUdenten Met een stoornis in het Autisme Spectrum.


Uiteindelijk wint AXEON het rechtsgeding in 2013 en mag zij STUMASS de gelegenheid geven studenten-met-autisme te huisvesten bij wijze van meergezinsbewoning.  STUMASS heeft dan geen belangstelling meer en AXEON verkoopt de panden aan particulieren die er toch weer huizen voor gezinsbewoning van maken, precies zoals de gemeente en de buurtbewoners hadden gewild.    
De bewoners van de Venestraat leefden in vrede met het kinderdagverblijf dat immers 's avonds en in de weekends was gesloten. Ergernis ontstond er toen de ouders van de creche-kinderen de gewoonte ontwikkelden om hun kinderen per auto te komen halen en brengen. Daar was in feite helemaal geen gelegenheid voor en leidde regelmatig tot gevaarlijke situaties en crashes. Zo verontschuldigde één der ouders zich schriftelijk voor het aanrijden van een geparkeerde auto voor de haast waarmee zij haar kind naar de crash had gebracht. 

De Til heeft de Venestraat verlaten in zit nu in Zwolle-Zuid in de burgemeester van Walsumstraat.    





[i] Deze ds (dominee)  J.J.P. Valeton is 19-07-1941 op 57-jarige leeftijd overleden. In 1913 was hij secretaris geworden van de vereniging Kinderzorg. Hij ‘stond’ toen in Weerselo en nam in 1916 een beroep aan naar Giethoorn. Daar vroeg hij vervroegd emeritaat aan om zich in Zwolle, aan de Oosterlaan, te kunnen vestigen als secretaris-directeur van Kinderzorg. Een maatschappelijk zeer actieve man die ook het initiatief voor het Koningin Emma Meisjeshuis genomen had.

vrijdag 15 november 2013

MARCO ROS DOODGESCHOTEN




Marco zes jaar jonger

Dit gebeurde in de kamer naast de mijne, Venestraat 12a. Twee vriendelijke jongens met allebei eenzelfde  zwarte scooter, herinner ik me. Het moet een consternatie zijn geweest in de straat. En toch hoorde ik eerst de volgende dag op mijn werk wat radio Oost had bericht. Hoewel direct buurman had ik die nacht niets gemerkt. Als het geen vriendelijke buurjongens waren geweest was het geen vraag geweest, maar bij mij bleef hangen: als er “een schot valt”  –niet gericht maar per ongeluk– is vier jaar cel dan niet veel?
Zo was de Venestraat in 1994 een plaats delict.



Toen bleek dat Marco Ros  reeds bekend was bij justitie en politie. Hij was verdachte geweest in een een gruwelijke moordzaak, waarover de Telegraaf berichtte:




Vreemde zaken in de Venestraat

Het jaar weet ik niet meer maar het moet vier of vijf jaar eerder zijn geweest dat het alleszins duidelijk was dat er zich op nummer 19 een verdachte ontwiikkeling voordeed waarbij er nogal dubieuze auto’s kwamen en gingen. De jonge slungelige kamerbewoner werd op een middag gearresteerd en is veroordeeld voor oplichting. Eén crimineel feit dat hem ten laste werd gelegd, herinner ik me: hij had kilometertellers teruggedraaid. Hij liet zijn verdrietige vriendinnetje van 17 of 18 jaar achter. Haar zwangerschap begon net zichtbaar te worden. Toen haar ouders haar ophaalden droeg zij zelf een doos met jonge katjes.

Het gaat er geenszins om een uitputtende lijst samen te stellen van vergelijkbare narigheid. Niet dat ik nu zoveel achter m’n kiezen houd. De aangehaalde twee nogal publieke zaken laten zien dat het niet allemaal huiselijke stellen, onberispelijke families en vrolijke studenten zijn die deze straat bewonen, maar dat net als in ieder andere straat er ook meer of minder opvallend mensen tussen wonen die grenzen overschrijden.

donderdag 7 november 2013

BROEKMAN EN HIBBEL, leden van de Zwolsche Biljartclub

Aanvulling  op mijn eerdere bericht over de BRIDGE-DRIVE om de BROEKMAN-HIBBEL BOKAAL

De BRIDGE-DRIVE voor de sponsoring van twee, naar wij hopen, Stolpersteine in het Zwolse Denksport Centrum in de Venestraat gaat door: de datum is zondag 9  maart 2014.
Door enige bewoners van de Venestraat zal deelname eens te meer aantrekkelijk gemaakt worden door de presentatie van hapjes uit eigen keuken.
De inschrijving is nog niet geopend maar is over enige tijd mogelijk op de website van het Denksportcentrum, via de tab 'toernooien'.
http://www.denksportcentrumzwolle.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=60&Itemid=53


Ik ben blij dat ik de heren Broekman en Hibbel een gezicht kan geven. Jammer dat dit nog niet gelukt is voor de dames.
De heren Broekman en Hibbel blijken niet alleen samen te bridgen maar ook lid te zijn van dezelfde biljartclub: De Zwolsche Biljartclub. Oud-voorzitter Roel Wichers beschreef de 100-jarige geschiedenis van deze roemruchte club met de Buitensociëteit als thuisbasis: 1910 - 2010.

Op twee verschillende groepsfoto's heb ik de heren Broekman en Hibbel ontdekt.


 Dit is de eerste foto, uit 1935. De heer Broekman zit, tweede van rechts. Hij lijkt ouder maar is op deze foto 45 jaar. Hij is lid geworden in 1916.

Uitgelicht:


Deze foto is uit 1950. Broekman is dood. Hibbel zit op ongeveer dezelfde plaats als Broekman op bovenstaande: zittend tweede van links. Hij is in 1945 lid geworden.

Uitgelicht:



Van deze club waren nog drie andere Venestraters lid:

H. Esmeijer van 8 (1924)
W. Brok van 11a (1944)
A.G. Wijsmuller van 19a (1970)

Wat mij overigens is opgevallen in dit boekje is dat met geen woord gerept wordt over het wrede lot van Broekman en mogelijk andere Joodse leden. Van alle vergaderingen uit deze periode wordt tot in detail verslag gedaan; niets over Broekman. Zou men inderdaad geen moment stil gestaan hebben bij het einde van Broekmans lidmaatschap?
Van 19 september 1941 mocht Broekman de Buitensociëteit niet meer betreden om te biljarten. Vanaf 1 november 1941 verviel Broekmans lidmaatschap omdat Joden niet langer lid mochten zijn van verenigingen waar ook niet-Joden lid van zijn.
Het zijn niet de eersten de besten die lid zijn van deze club. Het wemelt er van directeuren, eigenaar, 'houders', chefs, hoofden, fabrikanten en zo meer. Van deze upper ten zou men toch een duidelijk woord willen kunnen verwachten. We zijn 70 jaar later. En toch geen woord.
Hoe gingen ze in clubverband om met N.S.B.'ers en andere Joden-haters in hun gelederen? Wat was er zo onverstandig op twee bladzijden opgeschreven dat die uit het jaarverslag moesten worden gescheurd (pagina 47)?
Kortom, lichtelijk onbevredigend.

Wil Cornelissen laat in een artikel in het Zwols Historisch Tijdschrift zien dat de Hibbels aan de goede kant stonden. Zoon Hibbel zit namelijk op de Rijks HBS waar de leraar Duits, een zekere De Jong, zich profileert als lid van de N.S.B. Het subtiele tegengeluid van deze jonge Hibbel bestaat uit het ostentatief dragen van een rood-wit-blauwe kippenring. Vader Hibbel ontvangt daarop een brief van de directeur van de Rijks H.B.S. waarin hem wordt meegedeeld dat er maatregelen tegen zijn zoon en diens dracht van de kippenringetjes in nationale kleuren zijn genomen "omdat dit als een demonstratie zou kunnen worden opgevat".


donderdag 31 oktober 2013

Fa VAN DELDEN en ZONEN

We hebben het nog eens over Venestraat 27 a (waar Venestraat 27 ontbreekt).
Na Banketbakker Maison van der Lippe heeft de heer J.B.M. van Delden in het pand zijn groothandel in toiletartikelen en parfumerieën gevestigd. De handelsnaam is dan de Fa J.B.M. van Delden en Zonen. Later wordt het Johannes B.M. van Delden en Zonen.Van de 'oude' van Delden, J.B.M. dus, is mij nu niets bekend, behalve dat hij in 1894 is geboren en dat zijn eerste bedrijf, samen met zwager Van Eijden, op een mislukking is uitgelopen. Hij is toen failliet gegaan. Dat bedrijf was overigens ook in de Venestraat gevestigd en wel op nummer 13. Op 13a woonde dan de zwager van Eijden met zijn gezin.
Enfin, de nieuwe firma J.B.M. van Delden en Zonen staat van 1959 tot 1996 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven, maar de vader sterft en de zoon, de heer Franciscus J. van Delden, geboren 1926, zet de zaak voort. De oudste zoon is Aloysius W. van Delden, geboren 1922. Hij woont in de Beatrixlaan en is 'firmant grossierderij'.
Heeft hij een zoon Ronald en heeft die in de Venestraat op nr. 27a gewoond? Marga Deiman herinnert zich namelijk in de klas gezeten te hebben met ene Ronald van Delden van nr. 27a.


Deze foto is gemaakt door Philip of Sonfa Feberwee in 1998 toen zij het huis gekocht hadden van de heer van Delden en inventariseerden in welke mate sprake was van achterstallig onderhoud.

Ondanks dat sommigen hem een een tikje een zonderling vonden, was de heer F.J. van Delden in de jaren tachtig een alom gekende en gerespecteerde verschijning. Onveranderlijk gekleed in donker grijs tot zwart kostuum en dito overjas en in een vitale pas liep hij dagelijks om zes uur de Venestraat door voor het diner in de stationsrestauratie.
Zijn Mercedes Benz stationcar, in dezelfde kleur, verkeerde in dezelfde onberispelijke staat en werd door de heer Van Delden met zorg gekoesterd. Hij maakte er zijn dagelijkse ritten mee naar klanten in de omgeving.
Groette hij nu werkelijk door zijn hoed af te nemen of bedenk ik dat er al te clichématig nu gewoonweg bij. Zo'n man was het namelijk wel.

Philip, als het om 'opknappen' dan wel restauratie gaat voor geen gat te vangen, heeft er samen met Sonja een jaar overgedaan om de woning weer in pronte staat te brengen. Weliswaar niet full time in de weer met deze klus, maar wel in praktisch elk vrij uur.
Zo vergaat het kennelijk een huis als dat wordt bewoond door een sobere, alleenstaande man die niet hecht aan modernisering.
Het mooie van de foto's die Sonja en Philip toen gemaakt hebben, dat zij een mooi beeld geven van een inrichting eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Aan centrale verwarming hebben vader en zoon Van Delden, om een algemene moderne verworvenheid te noemen, geen behoefte gehad.



Door het raam is het appartementengebouw aan de overkant te zijn, de voormalige verffabriek en lakstokerij van Klinkert en Co.


In elke kamer hangt een schilderij, staan bloemen of een plant (af te stoffen dan wel water te geven) en ligt een anti-makasser over de rugleuning van de stoelen. 






Hier valt de auto op de schoorsteen op, ongetwijfeld een Mercedes Benz, zij het in een afwijkende kleur.




Een kwetsbare foto is deze. Hij maakt treffend duidelijk wat belangrijk is en wat niet. De vraag is of dit de slaapkamer was van de heer des huizes of een logeerkamer. Denkelijk de laatste. Op de wastafel verwacht men van een grossier in toiletartikelen toch meer dan een stukje zeep. 



In zijn kantoor zoekt men na het voorgaande niet verrassend tevergeefs een personal computer. Een feit is overigens dat Van Delden op het moment van de foto al een jaar of misschien zelfs al langer is gestopt.


Maar dan ineens, tamelijk onverwacht keert de heer van Delden zich in 2007 tegen dit kunstwerk, althans de plaatsing daarvan. Met deze argumenten:




Kunstwerk Hanzeplein
Zienswijze van F.J. van Delden en T.B. Ottink 

Samenvatting van de zienswijze:

Het te plaatsen kunstwerk zal overlast veroorzaken zowel voor de in de directe nabijheid gelegen woningen als voor de nabij gelegen groenstrook langs het water en de aanliggende parkeerplaats.
De hoogte van het kunstwerk is tijdens de behandeling van deze zaak toegenomen van 5 tot 6,5 meter. Graag een verklaring hiervoor.
Er is niet gereageerd op het verzoek van adressanten om in hun woningen te komen kijken teneinde de situatie vanuit het perspectief van de bewoners te beschouwen. Nogmaals het verzoek om de situatie ter plaatse te komen beoordelen.
 Ons bezwaar doet een beroep op het inlevingsvermogen in onze woonsituatie en de menselijke kant van de zaak.

In de krant staat het korter: de bewoners zijn bang voor lawaai van de waterstraal en voor beschadiging van de lak van hun auto's. Eerlijk gezegd past dat wel bij Van Delden, een bijzondere man. 


wordt vervolgd met Feberwee






BRIDGEN OM DE BROEKMAN-HIBBEL BOKAAL

Ik loop een beetje op de zaken vooruit. Dat komt omdat ik het zo een mooi idee vind. En omdat het toeval hier de fraaie regie heeft genomen.
Het comité VENESTRAAT 100 JAAR is druk doende een feestelijk programma te bedenken voor de viering op zaterdag 24 mei 2014. Zodra dat program vaste vormen heeft aangenomen zal ik dat hier zeker presenteren. De datum ligt hierbij dus vast.

In het kader daarvan is al in een vroeg stadium het initiatief genomen om aan de zwartste bladzij van de geschiedenis van de Venestraat aandacht te geven: de deportatie van de Joodse mede-bewoners en hun dood in de gaskamer. Net toen wij contact zochten met één van de historici van de Joodse geschiedenis in Zwolle, Jaap Hagendoorn, om te peilen wat de Joodse gemeenschap zou vinden van het leggen van zgn. Stolpersteine in de Venestraat voor de slachtoffers van de Holocaust, bleek er een stichting in oprichting te zijn die zich ten doel stelt voor alle door de Nazi's vermoorde Joodse mede-burgers een Stolperstein te leggen: de Stichting Zwolse Stolpersteine.
Wij sluiten ons graag bij de stichting aan en hebben op ons genomen voor de 14 Stolpersteine in de venestraat sponsors te verzamelen. Inmiddels zijn we op de helft. We doen een beroep op bewoners, oud-bewoners en huis-eigenaren en alwie een binding heeft met de straat en haar bewoners.

Hier een beeld uit onze 'zusterstraat', de Venestraat in Kampen:


Voor een korte uitleg citeer ik uit de Wikipedia:
Stolpersteine

Stolpersteine is een project van de Duitse kunstenaar Günter Demnig (1947, Berlijn). Hij brengt gedenktekens aan op het trottoir voor de huizen van mensen die door de nazi's verdreven, gedeporteerd, vermoord of tot zelfmoord gedreven zijn. Deze Stolpersteine (lett. 'struikelstenen') herinneren onder andere aan Joden, Sinti en Roma, politieke gevangenen, homosexuelen, Jehova's getuigen en 'euthenasie'- slachtoffers.
De kunstenaar noemt ze Stolpersteine omdat je erover struikelt met je hoofd en je hart, en je moet buigen om de tekst te kunnen lezen.
Op de stenen zijn, in een messing plaatje, de naam, geboortedatum, deportatiedatum en plaats en datum van overlijden gestanst. De kleine stenen (10 x 10 cm) werden lange tijd alle door de kunstenaar zelf gemaakt en geplaatst. Genoodzaakt door de stormachtige ontwikkeling van het project laat hij zich tegenwoordig door een bevriende kunstenaar ondersteunen. Incidenteel worden de stenen geplaatst door gemeentelijke stratenmakers.
Het project Stolpersteine loopt sinds het jaar 1994. Tot juli 2013 waren er al 40.000 Stolpersteine geplaatst.

Fred en Anita die het Denksportcentrum runnen en zelf in de Venestraat wonen, kwamen op de gedachte om een bridgedrive te organiseren waarvan de opbrengst voor het Stolpersteine project bestemd zou zijn.
Daar voeg ik graag nog een min of meer dringend argument aan toe. Zie deze krantenknipsels.

Dit is de uitslag van 1 april 1940. In de laatst zin wordt het resultaat van het koppel Broekman en Hibbel genoemd, elkaars overburen in de Venestraat.




De bridge-drive van 10 maart 1941, hier om de hoek in het ellendig gesloopte doch befaamde Hotel Gijtenbeek. Zowel de heren Broekman en Hibbel als de dames Broekman en Hibbel zijn in hun groep het beste paar.
 


Hieronder de laatste uitslag waarin melding gemaakt wordt van het meespelen van mannen en vrouwen uit Joodse families. Zowel in het vrouwen- als het mannen-toernooi spelen Hibbel en Broekman samen, en met succes. De vrouwen gaan er met de beker vandoor, de mannen winnen zilver.
De heer Broekman wordt in Mauthausen vermoord. Mevrouw Broekman wordt vergast in Sobibor, samen met haar zoontjes en haar tante en zoveel anderen.

Een bridge-drive is dus een prachtig initiatief. Een memorial op zichzelf.

PS. In de laatste bridge-drive van Z.A.C. in 1942 staat in de uitslag dat de heer en mevrouw Hibbel samenspeelden. Subtieler en treuriger kan een bericht nauwelijks zijn.

dinsdag 29 oktober 2013

Johann Heinrich HAGENBEEK, arts

J.H. Hagenbeek heeft niet zo lang gewoond in de Venestraat, op nummer 14, nog geen vol jaar. Eigenlijk weet ik te weinig van hem om een bericht over hem te kunnen maken. Geen foto, altijd jammer.



Ik weet dat hij tamelijk jong stierf, in 1968 was hij pas 63 jaar.

Hagenbeek was afkomstig uit Vlaardingen en studeerde in Leiden.

Samen met zijn vrouw Jeukelina Ubbens (1911-1978), getrouwd in Bierum, kreeg hij twee kinderen, Hans (1934) en Anna (1936). Anna is hier in Zwolle geboren.

Hij verhuisde al gauw naar het kapitale pand aan de Eekwal. In de faits divers zij nog vermeld dat je in de jaren dertig kennelijk niet je auto goed kon afsluiten? Toen Hagenbeek z’n auto even onbeheerd voor de deur liet staan, ‘s avonds in het donker, is de auto gestolen. Maar toen werden die dingen nog teruggevonden.

Al met al was hij veertien jaar huisarts in Zwolle en hij is hier ook begraven.




Via Rotterdam (twee jaar bedrijfsarts) en Doorn (weer huisarts) gaat hij naar Den Haag waar hij zijn carrière bekroont als geneeskundig inspecteur voor kinderhygiëne, een baantje in de luwte zou ik denken. Misschien kampte hij reeds met een zwakke gezondheid.
Hij begon zijn loopbaan in Staphorst, in 1931 en daarover heeft hij zijn proefschrift geschreven. En dat moet een interessante dissertatie zijn.
Het Moederschap in Overijssel, luidt de titel van de dissertatie waarop Johann Heinrich in 1936 in Amsterdam promoveert, uitgegeven bij Tulp; de handelseditie kostte 2 gulden negentig cents.

In onderstaand In Memoriam wordt hij geprezen voor zijn niet aflatende ijver om de E.H.B.O. breed ingang te doen vinden






Dit is het bericht waaraan ik dat ontleen:

Oud-huisarts duikt in medisch Staphorst
18-12-2012 10:03 | Eelco Kuiken

Oud-huisarts duikt in medisch Staphorst -  


STAPHORST – Oud-huisarts in Staphorst Age van Dalfsen schreef in het ledenblad van de Staphorster historische vereniging over de geschiedenis van huisartsen in het Overijsselse dorp vanaf 1800. Foto Eelco Kuiken
Hij moest er heel wat uren voor in de archieven doorbrengen, bellen, mailen en verloren gewaande familieverhalen reconstrueren. In het themanummer ”Van heelmeester tot huisarts” van de Staphorster historische vereniging bracht oud-huisarts in Staphorst Age van Dalfsen alle huisartsen en heelmeesters die vanaf 1800 in Staphorst woonden en werkten in beeld.

Al wroetend in de archieven kwam Van Dalfsen (72), die nu in Zwolle woont, „bijzondere zaken” tegen. Zo bleek dat zijn oude dokterspraktijk begin vorige eeuw op illegale wijze tot stand was gekomen. „De toenmalige dokter Jan ten Raa verkocht zijn nering aan een opvolger, maar ging vervolgens vrolijk door. Het zorgde voor veel commotie en juridische toestanden. Er waren wel geruchten dat er wat aan de hand was geweest met mijn oude praktijk. Ik besloot het uit te zoeken. Het gerucht over deze diefstal was eigenlijk de aanleiding voor mijn onderzoek.”

Van Dalfsen is geïnteresseerd in de geschiedenis, zeker als het zijn vak betreft. Hij maakte de stamboom van heelmeesters en dokters van 1800 tot heden compleet. Ook keek hij naar de oude panden waar de dokters in werkten. Zelf heeft hij in de stamboom een prominente plek. Van 1968 tot 1996 was hij arts in Staphorst. Alle artsen staan met een begin- en een eindjaar vermeld. „Het bijzondere aan het onderzoek is dat je erachter komt hoeveel er is gebeurd tussen twee schijnbaar onbeduidende jaartallen. Daar gaan hele mensenlevens achter schuil.”

In 1971 maakte hij de beruchte polio-epidemie in Staphorst mee. Vijf kinderen stierven. Van Dalfsen stoorde zich enorm aan de afrekencultuur in de media. „Ik vond de mensen niet minder omdat ze besloten zich niet te laten vaccineren. Er waren heel veel mensen in Nederland die niet gevaccineerd waren. In Amsterdam waren het er destijds veel meer dan in Staphorst. Het had met geloof te maken, maar soms ook met slordigheid. In de hoofdstad was de bevolkingssamenstelling zeer divers. Het virus greep daardoor niet om zich heen. In Staphorst kon dat door de homogene bevolkingssamenstelling wel.”

Goede gezondheidszorg was er amper in het Staphorst van begin vorige eeuw. Huisarts Koetsier schreef over deze gemeente in 1925 een schokkend artikel in Tijdschrift voor Geneeskunde. Van Dalfsen kwam het in de archieven tegen. Het verhaal ging over een dysenterie-epidemie in Staphorst in de jaren twintig. Dertig doden vielen er toen. Koetsier had het over „kampongachtige toestanden.” Ook de voorloper van het huidige NRC Handelsblad pikte het verhaal op. „Wat ik wonderlijk vond, was dat de toenmalige gemeenteraad van Staphorst veel moeite stak in het aanpakken van deze krant, in plaats van werk te maken van de onhygiënische toestanden waar de arts over schreef”, zegt Van Dalfsen.

In de jaren dertig schreef huisarts Hagenbeek een proefschrift over de verloskunde in de gesloten Staphorster gemeenschap. In de archieven kwam Van Dalfsen verbijsterende cijfers tegen. De zuigelingensterfte in Staphorst bedroeg bijna 10 procent. Het gemiddelde in Nederland was toen 5,3 procent.

Zwollenaar Age van Dalfsen had het naar eigen zeggen reuze naar zijn zin in Staphorst. „Ik heb mij altijd verbaasd over het strenge geloof. Dat past volgens mij niet bij deze opgewekte mensen. Hun kijk op het leven past naar mijn idee niet bij hetgeen van de kansel komt. Er lijkt een contrast te zijn. Dat intrigeert me.”
s