dinsdag 5 juni 2018

Waar bleef N.J.H. GAAY FORTMAN

Waarom hij? Welnu, hij is het mysterieuze verdwenen familielid dat de stamhouder had moeten zijn van mijn moeders familie, De Gaay Fortman. Dat zou voor mij nog niet eens een doorslaggevende reden hoeven zijn om te proberen meer over deze man te weten te komen, ware het niet dat hij van geboorte een Zwollenaar was en zijn vader indertijd een (in zekere kringen) bekende Zwollenaar. Dat de zoon een diametraal tegenovergestelde carrière aan die van de vader volgde, maakte het al interessanter.

In dit informatieve werk krijgt dr. Jacobus Cornelis Hendrik de Gaay Fortman een levensbeschrijving. Hieronder laat ik daarvan een scan zien. Een foto ontbreekt, maar als hij in 1823 als loteling wordt ingelijfd in de krijgsmacht wordt zijn uiterlijk als volgt gekarakteriseerd Gezicht: ovaal Voorhoofd: plat Ogen: blauw Neus: gewoon Mond: gewoon Kin: rond Wenkbrauwen: l.bruin Haar: l.bruin Lengte: 1.651 mtr. 1 el, 6 palm, 5 duim, 1 streep. Hij is dan trouwens student theologie. Niet vreemd als men bedenkt dat zijn vader predikant was. Maar waarschijnlijk zet hij die studie na ommekomst van de veldtocht niet voort, en switcht hij naar de klassieke talen. Hij promoveert als classicus en wordt leraar Grieks en Latijn.

Zijn vrouw en hij krijgen drie kinderen. Het eerste kind wordt vier jaar en sterft: Nicolaas Jan Hermanus: 1835 - 1839. Het tweede kind wordt ongeveer een jaar later geboren, 14 januari 1841 en krijgt vrijwel dezelfde naam: Nikolaas Jan Herman.
Welke school hij bezoekt is onbekend. Wij weten slechts dat hij in december 1852 Zwolle verlaat, op z'n elfde, en wordt ingeschreven in Vollenhove. Is hij een onhandelbaar kind en wordt hij uit huis geplaatst? Zijn vader is ziek en wellicht niet bij machte hem adequaat op ter voeden? Hij zal in juli 1854 sterven; dan keert Nicolaas terug uit Vollenhove. Maar voor hoelang? Raadselachtig.




Zijn vader moet zich tijdens zijn lessen in het Grieks een voorstelling van het oude Troje hebben gemaakt terwijl hij zijn leerlingen uit Homerus liet vertalen over Ajax en Patroclos.
Ik ga het nu eerst over deze vader hebben.



Dan hierna de biografie van J.C.H.: 



overtreffen. Ook over het onderwijs van De Gaay Fortman, formuleerde de inspecteur niets dan lof. Jacobus' aanpak van het Latijn, het Grieks en de wiskunde liet niets te wensen over. 
De Gaay Fortman was lid (en enige tijd voorzitter)  van de Maatschappij tot Nut van het 't Algemeen en hield lezingen op nutsavonden. In december 1845 hield hij een lezing over de oorsprong en de geschiedenis van het Sinterklaasfeest en een 'declamatorium' over de 'nadering van het Kerstfeest'.
Samen met G.H. van Senden en anderen behoorde hij tot een commissie die geld inzamelde voor de oprichting van een beeld van de beroemde Laurens Janszoon Coster in Haarlem. Politiek behoorde Jacobus rond '1848' tot de radicale liberalen, hij was buitenlid van de Amsterdamse liberale Amstelsociëteit. Vaak zal Jacobus  de bijeenkomsten niet bezocht hebben want hij werd ernstig ziek.  
Preceptor De Gaay Fortman stierf 'na een smartelijk doch geduldig lijden van bijna vier Jaren op 28 september 1851 in zijn woning in de Luttekestraat. De weduwe Anna Elisabeth de Vri betreurde de dood van haar 'waarde Echtgenoot' en 'Wel Edelen, Zeer Geleerden' man, Zijn dood dompelde haar en haar twee jeugdige kinderen in 'bitterer droefheid'. 

Tot zover de tekst uit het getoonde boek, die grotendeels ontleend is aan een zekere Reinsma, in 'Het Onderwijs' 1845.

Vergelijkbaar is een hoofdstuk over JCH uit een scriptie door G.J. van der Horst getiteld

De geest van de vooruitgang. Liberalen in Zwolle 1848-1853


Dr. J.C.H. de Gaay Fortman werd op 25 december 1804 te Leiden geboren. Aangezien zijn in 1821 overleden vader, die predikant was, niets nagelaten had, werd De Gaay Fortman met hulp van vrienden opgevoed. Hij bezocht de Latijnse school in zijn geboorteplaats, waarna hij ging studeren aan de Hogeschool aldaar. Nadat hij in 1835 gepromoveerd was, werd hij aangesteld als praeceptor aan de Latijnse school te Zwolle.
In zijn nieuwe woonplaats was hij actief binnen de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen,
daarnaast leverde hij verschillende bijdragen aan het Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek van Sloet tot Oldhuis. In 1845 was hij betrokken bij de oprichting van het blad Overijssel, waar hij hoofdredacteur van werd. Tot 1850 was De Gaay Fortman lid van de Amstelsociëteit.
In een brief aan Thorbecke karakteriseerde J.D. van Ketwich Verschuur de De Gaay Fortman als “het eerlijkste, standvastigste en bekwaamste element van de te Zwolle gevoerde strijd voor de ware staatkundige beginselen.” Volgens Verschuur bezat Fortman veel kennis van Indische zaken en waren de artikelen in Overijssel over dat onderwerp van zijn hand. Op de eerste Kiezersvergadering te Zwolle op 28 oktober 1848 werd de leiding van die vergadering aan Fortman opgedragen.
Tot 1850 bleef De Gaay Fortman een belangrijke plaats innemen in de Zwolse politiek. In dat jaar maakte een slopende ziekte een eind aan zijn krachten. Op 28 september 1851 overleed hij. In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant werd hij herdacht met de volgende woorden: “Vurig beminnaar van zijn Vaderland, heeft hij door zijne werkzaamheid in uitgebreiden kring, meer bijgedragen tot de ontwikkeling van onzen politieken toestand, dan velen gereed zijn te erkennen, of de meesten weten.”
JCH had grote belangstelling voor de politiek en was een overtuigd liberaal,  Thorbeckiaan. Hij was zeker niet polemisch ingesteld en uit dien hoofde viel hem dan in een vergadering de rol van voorzitter toe. In Zwolle speelde zich overigens een dubbele politieke strijd af. Binnen de kring der liberalen waartoe J.C.H. behoorde, ging het tussen de conservatieven en de vrijzinnigen. Maar daarbuiten, op stedelijk niveau woedde de strijd tussen de aanhangers van Groen van Prinsterer en de Thobeckianen.
Hierboven aangehaalde scriptie geeft deze politieke schermutselingen inzichtelijk weer.








Er is nog meer over hem te vertellen, bijvoorbeeld dat hij met attestatie overkomt uit Den Haag, zoals blijkt uit het lidmatenboek van de N.H.-kerk als dooplid. Dat wil zeggen dat hij geen toegang heeft tot het Heilig Avondmaal omdat hij geen 'belijdend lid' is van deze kerk; gevoegd bij de wetenschap dat hij zijn studie theologie afgebroken heeft, geeft dat te denken. 
Tussendoor komt de vraag op waar de familie nu precies woonde, hier in Zwolle. Toen zijn nazaat prof. dr. W.F. de Gaay Fortman, mijn moeders broer en dus mijn oom, als minister van Binnenlandse Zaken  het hernieuwde stadhuis kwam openen, dook er een ambtenaar in het archief om die vraag te beantwoorden. Had WF daar zelf om gevraagd of was het een spontane actie van die Zwolse archivaris? Diens tekstje is bewaard: 




de weg uit Kampen naar de Zwolse kamperpoort heet vlak voor de stad de Hoogstraat;
het noordelijke parallelle straatje is volgens mij het Achterom.
De volgende tekst verklaart wellicht meer. Bijgaande foto van het Historisch Centrum Overijssel is een beeld van het in de tekst genoemde Achterom.  

1863 - "VERHUISD A. CREMER, Pianomaker en Stemmer, naar den Tuin, genaamd BUITENLUST, vroeger toebehoorende aan den Wel Eerw. Heer Ds. POSTMA, later bewoond geweest door den Heer GROLL, gelegen in het Achterom, even buiten de Kamperpoort." 








In zijn hierboven aangehaalde biografie staat dat Jacobus de Gaay Fortman sterft in zijn woning aan de Luttekestraat. Het zou het huis kunnen zijn op de hoek met de Blijmarkt. Daar had zijn schoonzusje Hendika Margaretha de Vri (1801-1864) een boekwinkel had, onder de naam en overgenomen van haar moeder 'Wed. J. de Vri' en ik heb kunnen terugvinden in het bevolkingsregister dat zijn dochter daar in elk geval met haar tante heeft gewoond tot zij in 1861 naar Amersfoort vertrok om te trouwen met dr. I.G. van der Eijken (of Eyken), de eerste inspecteur der gymnasiën. (Geen van hun zes kinderen heeft nageslacht voortgebracht.) 


De Luttekestraat is één van de belangrijkste winkelstraten in het hart van Zwolle. Op het dak van het huis op de Y-sprong staat nog altijd het beeld van Mercurius. Als mijn veronderstelling klopt woonde Jacobus de GF in een huis achter de rug van de fotograaf. Op de volgende foto is een glimp te zien.

rechts is het hoekhuis Luttekestraat / Blijmarkt

Terug naar de zoon, naar Nicolaas die overigens volgens zijn geboorteacte Nikolaas met k heette. Zou deze N.J.H. aan de Luttekestraat geboren zijn of toch In de Tuin Buiten de Kamperpoort? Zijn geboorteacte geeft geen uitsluitsel.


De zoon, Nicolaas, is vertrokken naar Amerika. Zijn levenstekenen komen uit de staat Oregan maar vooral de staat Washington aan de Noord-Westkust; de staat grenst aan het Canadese British Columbia. Dat vertel ik erbij, omdat zijn Indiaanse vrouw afkomstig was uit BC.
Enfin, Nicolaas was daar in Ferry County, 'surveyor'. Ik krijg de indruk dat het een officieel ambt is waarvoor je gekozen moe(s)t worden. In die tijd, halverwege de negentiende eeuw, was het werk van deze landmeesters zeer belangrijk voor het aanleggen van wegen en spoorwegen, de waterbeheersing, de mijnbouw en het beslechten van controversiële landclaims.
Ik heb er een boek over gelezen van David D. Clarke 1864 - 1920, Narratives of a surveyor and engineer in de Pacific Northwest, 1995.
Ik kwam op dat boek nadat ik had ontdekt dat de editor Jerry C. Olson uit de regionale geschiedenis van de surveyors 'onze' Nicolaas Fortman kende. Niocolaas had Gaay uit zijn naam weggelaten of geschrapt en ging dus in Port Townsend, Chimacum en Republic door het leven als Nicolaas of beter nog N.J.H.  Fortman.



Jerry Olson zette mij op het spoor van de History of Stevens Ferry Okanogan and Chelan Counties State, 1904. Ik heb een facsimile uitgave (print-on-demand), voor me liggen. 
Dat omvangrijke boek bevat op pagina 477 een biografische schets van N.J.H. Fortman.

Nicholas J.H. (N.J.H.) Fortman

N. J. H.  FORTMAN, a civil engineer of considerable experience throughout the
northwest who has shown himself very capable in his profession, is now surveyor of
Ferry county. He also does mining engineering. 

He was born in New York, on January 14, 1838. His parents, J. C. H. and A. E. (Devely) Fortman, were natives of Holland, who came to America and located in New York state, where they remained the rest of their lives. 

The father was professor of languages and they were the parents of three children, Nathaniel, deceased, N. J. H., and Anna Kuyper. 
Our subject was educated in the state of New York, and when sixteen entered the naval college. 
After his graduation from this institution, he went to sea for practical experience, and followed this for a number of years, visiting nearly every part of the globe. In 1856, he was shipwrecked on the south coast of the Island of Java. During the last two years he served at sea, he was an officer. 

In 1859, Mr. Fortman came to California and took up mining, and one year later we find him on Puget Sound.
There being very little work in civil engineering, he turned his attention to farming, which occupied him until 1873. For six years after, he was very active in pursuing the higher intricacies of civil engineering, fitting himself for every kind of work.

For a number of years, he was surveyor at Port Townsend, and later entered the employ of the Puget Sound Iron Company as their leading agent and engineer. In due course of time, Mr. Fortman took up real estate business and dealt in land during the boom days at Port Townsend. 
He came to where Republic now stands, but before the town was started,and here he has remained since. He has done a great deal of excellent work throughout the county and the adjoining country. 
In political matters, Mr. Fortman is a Democrat,and his party named him for surveyor, and he won the day against Thomas M. Hammond.
In former years, Mr. Fortman has been quite active in political matters and has served' in
many official positions. 
Fraternally, he is connected with the Red Men.

In een soort beroepengids staat Fortman als civil engineer:



Jerry Olson voegt nog een en ander toe:

 ... he farmed, surveyed, and dealt in real estate, serving as County Surveyor 1862-63. Nicholas married an Indian bride before 1874 and sired a son, but there is no record of them after 1880. He formed a partnership with Thomas Hammond in surveying and engineering by 1888, and when times were tough after 1893, they surveyed Contracts on the Penninsula.
They surveyed three Contracts from 1895-97, all between Port Townsend and the Pacific Ocean.
Contract 462 was next to both the Makah and Ozette Reservations and was not inspected in the field. A township at the South end of Ozette Lake in Contract 470 was surveyed, but another at Hurricane Ridge was not because it was too mountainous.
Contract 489 for two townships around the Hoh Reservation was surveyed and inspected. Corrections in the field were required, and the Contract was not approved until 1900.
By 1899 he had relocated to Ferry County, and in 1902 defeated Thomas Hammond, his long time partner, for Ferry County Surveyor.
This may have been to keep the office in the firm. He was last noted in Republic in 1910.



Voor de geschiedenis met archeologische industrieel erfgoedfoto's van de plant van Puget Sound Iron Company zie http://cdn.loc.gov/master/pnp/habshaer/wa/wa0100/wa0184/data/wa0184data.pdf


'Bull wheel of the open iron mine on Texada Island' (British Columbia) van the Puget Sound Iron Co. 

In de laatste toevoeging van Olson komt zijn Indiaanse vrouw voor, ongenoemd. Terwijl zij toch een naam heeft Susan Harris en hun zoon is James. James Fortman? James Harris? 

Hier de huwelijksacte:



Hier uit 1880, Chimacum




Nog een census-registratie:



In de Census-registratie van 1890 blijken NJH en Susan niet meer samen te zijn, althans niet samen geregistreerd te staan.

Ik vond trouwens ook dat NJH Fortman huwelijken voltrok 'at his office', in een lijstje van gemengde huwelijken.
Een pagina uit het register:



N.J.H. Fortman komt ook voor in de Voter Registrations. Olsen vermeldde reeds dat Fortman een actief partijlid was voor de Democrats. 

Port Townsend
Voter Registrations for 1886-1892, 1894-1897 and 1899 were abstracted by JCGS Volunteers from the Precinct Registration Books in Port Townsend City Hall.  Not all precincts were found and some years are more complete that others. Records contain name, age, occupation, birthplace, residency or naturalization; some include address, date of arrival in Port Townsend and/or date of registration.  Many include original signatures.







Enkele plaatjes van de plaats waar N.J.H. Fortman woonde, werkte, leefde






Er zijn verschillende stukken, acten, die inzicht geven in alle mogelijke transacties in land. Zoals er ook een lijstje is van gedingen die dóór of tégen N J H worden aangespannen over verschillen van inzicht cq interpretatie van landtransacties.

Er rijst het beeld van een zeer actieve man die verschillende beroepen en diverse functies uitoefende.
Waar hij begraven is is onbekend. Zijn sterfdatum moet in elk geval na 1910 liggen.

De laatst bekende woonplaats was dus Republic, Washington. Een paar beelden. De eerste is uit 1910. Wie weet staat N J H tussen de mensen langs de straat.








Hendricks' commercial register of the United States. ... 20th edition 1911 geeft op pagina 422 in de categorie engineers N J H Fortman in het stadje Republic in de staat Washington.


Er kwam tenslotte nog een activiteit van NJH aan de orde dat overigens een onzeker einde heeft: waren zijn (ex-?)vrouw Susan en zijn zoon James zijn erfgenamen toen hij met zijn dood zijn grondbezit naliet? In Seattle en Ferry County is zeker aandacht voor de genealogie. Ook de door mij gestelde vraag zou daar best aan de orde kunnen komen. Maar dan moeten we erheen!







PS Nicolas H.J. was lid van de Red Men. Men raadplege Wikipedia voor de ontstaansgeschiedenis van deze vrijmetselaars-achtige organisatie die zijn oorsprong heeft in de Sons of Liberty die zich manifesteerden bij de Boston Tea Party.
Hier is een foto van the Red Men voor hun residentie in Port Townsend waar Nicholas toen woonde en zijn bedrijf had (Fortman & Hammond, civil engineers, Taylor bet Washington and Water, Port Townsend, Washington)











vrijdag 27 april 2018

Stolpersteine voor de families Neustädter en Rosenthal


Adolf Neustädter

ADOLF NEUSTÄDTER werd geboren in Wolfskehlen,in de deelstaat Hessen, op 6 juni 1868. Wat zijn vader Meijer Neustädter daar voor de kost deed, is niet bekend. Wanneer Adolf Wolfskehlen verliet en waarheen is evenmin bekend.

Van zijn familie is het treurige feit bekend dat zijn beide zusters Karoline en Pauline Neustädter op 9 juni 1942 zichzelf het leven hebben benomen. Na lang in Würzburg gewoond te hebben, wilden zij mogelijk als zovelen via Keulen naar Nederland vluchten. In het Keulse Gedenkbuch Die jüdische Opfer des Nationalsozialismus aus Köln wordt hun Freitod gemeld. Over zijn broer, Siegmund,  komen we nog uitgebreid te spreken.


Het naslaan van de aanbevelenswaardige website www.alemannia-judaica.de levert voor Wolfskehlen de namen van de zusters Hanna en Kätchen Neustädter op als de enige Joodse inwoners met die familienaam in 1924. Zij hebben een Hausierhandel en zijn dus marskramers. Er wonen dan nog slechts 13 Joden in Wolfskehlen. De dan nog functionerende synagoge dient ook de Joodse inwoners van het nabijgelegen Godelau. Of er een familierelatie is met Hanna en Kätchen, je zou bijna hopen van wel, maar zeker is het niet. 

Synagoge in Wolfskehlen
Als hij al 37 is trouwt Adolf met de elf jaar jongere SOPHIE EPSTEIN Epstein uit Eichstetten, in de deelstaat Baden-Württemberg. Heinrich Epstein is Gemeindevorsteher in 1924 en ook nog in 1933 als Eichstetten nog 91 Joodse inwoners heeft. Hij is een (achter?)neef van Sophie.

Sophie Neustädter-Epstein

Heinrich Epstein heeft met zijn broer Siegfried een papierfabriek en twee andere Epsteins hebben eveneens bedrijven in dit dorp.
Geen idee of en in hoeverre Sophie contact onderhield met de familie in Eichstetten.

De familie Epstein in Eischstetten telt verschillende slachtoffers van de nazistische rassenwaan: David (1894), Siegfried (1885), Simon (1879), Simon (1888), Viktor (1859),  Sofie (1895), Hedwig Hanauer-Epstein (1894), Julie Levy-Epstein (1877), Berta Mayer-Epstein (1892) en ook Sophie Neustädter-Epstein staat vermeld. Sophie komt uit een gezin van zeven kinderen, maar van de hierboven genoemde Epsteins is er geen een zus of broer uit het gezin van Sophie 


monument op Joodse begraafplaats Eichstetten

Adolf en Sophie hebben lange tijd in Hamborn, nu een wijk van Duisburg gewoond. In 1908 kwamen zij hierheen vanuit Frankfurt. In de winkelstraat Im Birkenkamp 2 runden zij een winkel in huishoudelijke artikelen. Deze locatie was een klasse minder dan de voorname winkelstraat Weseler Strasse waar broer Siegmund Neustädter zijn winkel had.
Intussen was Adolf actief in de Joodse gemeente. Jarenlang maakte hij deel uit van het bestuur en vooral de zorg voor en het toezicht op de Joodse begraafplaats was aan hem toevertrouwd.

Adolfs broer Siegmund had ook een zaak in huishoudelijke artikelen. Hij woonde in Hamborn al vanaf 1898. Hij had zijn Haushaltswarengeschäft aan de Weseler Strasze nr. 102 en woonde op nr. 87. Ook hij heeft deel uitgemaakt van het bestuur van de Joodse gemeente in Hamborn (van 1926 - 1929) of begrijp ik het verkeerd en maakte hij deel uit van het burgerlijke gemeentebestuur.
Hij was één der eerste slachtoffers van Hitlers' partijgenoten tegen de Joodse economie. Toen hij in november 1933 zijn etalageramen wilde ontdoen van de daarop gekalkte boycot-oproepen tegen Joodse winkels, is hij doodgeschopt door de Hitler Jugend. Door getuigen werden de daders aangegeven, maar het rechtsbestel in Duitsland was toen al zover heen dat de daders niet zijn opgepakt laat staan bestraft.

Neustädters in telefoonboek Hamborn


Zijn vrouw Selma Neustädter-Rothschild heeft de zaak voortgezet tot die eind 1936 gedwongen moest worden opgegeven. Zij was de plaatsvervanger en vertegenwoordiger van de rabbi in de stedelijke koepel van Joodse welzijnsinstellingen. Na de Arisierung van de winkel is zij uit Hamborn vertrokken naar Frankfurt en op 5 december van datzelfde jaar gestorven.

Uit de brochure van de Duisburgse stichting Stolpersteine:
Weseler Straße 87 Siegmund Neustädter November 1933: Die Nationalsozialisten waren noch kein ganzes Jahr an der Macht. Bis zur Reichspogromnacht sollte es noch fünf Jahre dauern, bis zur systematischen Judenvernichtung noch länger. Und doch deutete schon manches auf das heraufziehende Unheil hin. Es geschah auf der Weseler Straße 87 in Marxloh. Siegmund Neustädter, 63- jähriger Inhaber eines Haushaltwarengeschäfts, aktives Mitglied der jüdischen Synagogengemeinde in Hamborn, fiel einem antisemitischen Gewaltverbrechen zum Opfer. Gedenkstein für Siegmund Neustädter Über das, was geschah, setzte damals die Duisburger Polizei in einem Schreiben die Staatspolizeistelle Düsseldorf wie folgt in Kenntnis: „Am 11. November 1933, gegen 20.30 Uhr, wurden durch eine etwa 10- köpfige Klebekolonne der Hitlerjugend im Stadtteil Hamborn 27 Wahlpropagandaplakate an Häusern und Zäunen angeklebt. Bei dem Kaufmann Neustädter hatte man bereits die Schaufensterscheiben sowie den Privateingang mit Wahlplakaten verklebt. Als der Eigentümer und dessen Frau später damit beschäftigt waren, den Privateingang von Klebstoff und Handzetteln zu säubern, wurde Neustädter von den inzwischen zurückgekehrten Hitlerjungen angegriffen und von einem Beteiligten mit beschuhtem Fuß in den Unterleib getreten. Neustädter und seine Frau flüchteten in ihre Wohnung, während sich die Hitlerjungen in Richtung Marxloh entfernten. Kurz danach stellten sich bei Neustädter durch den erhaltenen Fußtritt starke Schmerzen im Unterleib ein. Ein herbeigerufener Arzt ordnete die sofortige Überführung ins Krankenhaus an, wo Neustädter sofort einer Operation unterzogen wurde. Der Operateur stellte zwei Darmrisse und eine beginnende Bauchfellentzündung fest. An den Folgen der Verletzungen ist Neustädter am 14.11.33 gegen 12 Uhr im Krankenhaus gestorben.“ 
Kein Täter wurde je zur Rechenschaft gezogen.


Stolperstein voor Siegmund Neustädter in Hamborn






In maart 1939 zijn Adolf en Sophie vertrokken uit Hamborn en naar Nederland gevlucht. In Rotterdam hebben zij nog even onderdak gekregen in de Quarantainestraat, maar in juni konden zij hun intrek nemen in de Hortensiastraat 61. Hun dochter Trude, officieel Johanna Gertrude Neustädter, geboren in 1906 in Frankfurt, komt mee. Zij was winkelbediende in München en heeft nog een paar jaar in Hannover gewoond, maar als de omstandigheden verslechteren komt zij naar Hamborn en gaat zij mee naar Nederland. Maar zij ziet alsnog kans te emigreren naar de USA, waar haar broer Kurt Neustädter  (geboren in Hamborn in 1910) dan al een poosje is. Hij was al jong het huis uit om een winkel te beginnen in Düsseldorf en later Bonn. Hij emigreert in mei 1936 en vestigt zich aanvankelijk in Portland, Oregon en verhuist later naar Eugene en blijft daar tot zijn dood wonen waar hij succes heeft in zaken (Kaufmann Brothers, een zaak in damesmode).
Hij trouwt met Senta Josefine Spiegel (1912 - 2000) die twee jaar na hem als zijn fiancee  naar de VS was gekomen.
Hij heeft ook geprobeerd zijn ouders naar de USA te halen en die hebben daartoe ook verzoeken ingediend en een gesprek gevoerd met de consul-generaal van de USA, maar het was al te laat (november 1940). 








  
Adolf wordt door de Zwolse politie gearresteerd en op 19 november 1942 overgebracht naar Westerbork. Op 30 november 1942 wordt hij op transport gezet naar Auschwitz, samen met Sophie en bij aankomst worden zij vermoord in de gaskamer: 2 december 1942 is hun vermoedelijk dag des doods.
Hortensiastraat 61 Zwolle, het laatste adres van Adolf en Sophie 
Adolf en Sophie werden herinnerd in de Zwolse synagoge. Dat zij voortleven in hun kleinzoons Roger Nicolas, 8 april 1943, en Gary Kurt (1948 - 1978) konden zij niet weten. In hoeverre hun geslacht wordt voortgezet met achterkleinkinderen, weet ik niet. 

Hierna kom ik nog even terug op Roger N..

exterieur Zwolse synagoge

interieur Zwolse synagoge


HEDWIG ROSENTHAL- NEUSTÄDTER is een nichtje van Adolf en Sophie Neustädter-Epstein. Zij is de dochter van Adolfs broer Siegmund en diens vrouw Selma wier lot hierboven is beschreven.
Hedwig is in 1903 in Hamborn geboren. Zij had twee broers. De oudste is Karl Neustädter (1901) die in 1960 in Chicago overleed. 

Haar jongere broer Ernst Neustädter (1907) is eveneens aan de Holocaust ontkomen. Aanvankelijk winkelbediende in Düsseldorf en in Hindenburg (Oberschlesien) is hij in 1937 naar de USA geëmigreerd. Hij woonde in de staat Illinois. Werd in 1944 genaturaliseerd. Dat hij twee zonen had, David en Walter, is van hem het spaarzame wat we weten.

Ook van Hedwig is maar weinig bekend, terwijl zij toch acht jaar in Zwolle heeft gewoond. Geen foto. Behalve dat zij trouwde in Hamborn op 14 april 1925 met ERICH MAX  ROSENTHAL (geboren in Oberhausen-Sterkrade in 1895). 

Maar gelukkig zijn er van hun zoon KARL ROSENTHAL twee foto's bewaard . Op de onderstaande foto is Karl de middelste jongen (foto van Joods Monument) 

Karl Rosenthal is de middelste jongen
Karl Rosenthal

Uitsnede van een klassefoto? Karl is in elk geval iets jonger dan op de eerdere foto.

Erich  had halverwege de jaren '20 de zaak overgenomen van zijn vader Carl Rosenthal aan de Marktstrasze 1 in Sterkrade, Oberhausen. In Sterkrade runden Erich en Hedwig de zaak die eerder van Hedwigs vader Carl Rosenthal was: Kaufhaus Hirschland.  Als ik het goed begrijp was Kaufhaus Hirschland een soort keten van franchisenemers waarvan het moederbedrijf in Mannheim stond. Hirschland deed in 'Manufakturwaren, Kurz-, Weisz- und Wollwaren sowie Damen-Konfektion'. Zo'n winkel waaraan je als klant -zo las ik ergens- een levenslange voorliefde voor degelijke doch gedistingeerde kleding overhoudt. De naam Hirschland kan er anderzijds ook op wijze dat het een winkel was van Erichs grootmoeder Rosenthal-Hirschland en dat zijn vader die winkel indertijd van zijn schoonfamilie had overgenomen. Het kan ook allebei tegelijk waar zijn
Dan vertrekt hij naar Oldenburg. Of hij daar al voor eigen rekening een zaak had, is mij onbekend. 
In 1932  komt hij naar Hamborn en gaat wonen op de Weseler Strasze 87, waar zijn schoonvader Siegmund zijn winkel had, in huishoudelijke artikelen.
Hedwig, dochter van Siegmund, had hij al eerder leren kennen. Hij is met haar getrouwd toen hij nog in Sterkrade woonde. 
.
Enfin, de Rosenthals kwamen naar Zwolle toen de winkel in Hamborn  teloorging na de anti-Joodse boycot in 1933 en zij gingen wonen in de Begoniastraat op nr. 2. In oktober voegde Erichs moeder FRIEDA ROSENTHAL-STERN zich bij hen. Frieda is op 29 mei 1937 in Zwolle overleden en het lijkt erop dat zij niet begraven is op de Joodse begraafplaats aan de Kuyerhuislaan, maar bij haar man in Hamborn, Duitsland. 

Amper in Zwolle begon de energieke Ernst nog in 1933 in een pand aan de Nieuwe Markt 11a een tapisseriefabriek. Ik volg de samenvatting van de bij het Historisch centrum Overijssel bewaarde Kamer-van-Koophandel dossiers. Het bedrijf verhuisde in maart 1937 naar de Korte Kamperstraat 10 / Jufferenwal 7. In het kader van de Duitse maatregelen om Joodse ondernemers uit het economisch leven te stoten, werd Erich in 1942 domweg weggestuurd en werd er een beheerder aangesteld. In datzelfde jaar werd het bedrijf verplaatst naar Deventer en ging daar verder onder de naam Fabriek van Damehandwerken "De Adelaar". 

Begoniastraat 2, Zwolle
Zoals gezegd was Carl Rosenthal de uitbater van Kaufhaus Hirschland in Sterkrade-Oberhausen. Over hem en zijn gezin gaat het even in een bijzonder boek Annas Spuren, waarin Sigrid Falkenstein de gang nagaat van haar nichtje Anna ("met een beperking") die slachtoffer wordt van het 'euthanasie' project van de Nazi's. 

boek waarin familie Rosenthal genoemd wordt
Terzijde: het lijkt me een enormiteit dat Anna's lot niet vermeld wordt in een/het andere boek over Oberhausen Jahre des Terrors, van Erik Emig, z.j. waarin  de slachtoffers van het Nazi-regiem bij name worden genoemd: de mensen van het verzet, de Joodse slachtoffers en de vervolgden vanwege hun religie of wereldbeschouwing zoals de Vrijmetselaars en dus geen categorie voor geesteszieken en mensen met een mentale beperking. Deze Sigrid Falkenstein en haar nichtje Anna zijn geen familie maar kruisen in het genoemde boek het pad van de Rosenthals.
  
Niet alleen was Anna's moeder een poosje stagiaire bij Carl Rosenthal maar wordt zelf bij hen in huis genomen: "Als deine Mutter (= Anna's moeder ) Anfang des letzten Jahrhunderts Lehrmädchen im Kaufhaus Hirschland war, lebte sie einige Jahre im Haus der jüdische Eigentümerfamilie Rosenthal und von daher kannte sie zweifellos deren Kinder Erich und Otto. Du teilst mit den beiden nicht nur den Geburtsort Sterkrade - viele Jahrzehnte später finde ich die Namen von Otto und Erich im Gedenkbuch für Opfer der Verfolgung der Juden unter der nationalsozialistischen Gewaltherrschaft. Beide wurden 1942 nach Auschwitz deportiert und dort ein Jahr später im Namen derselben Ideologie vergast wie du. Und noch ein weitere unheilvolle Verbindung existiert zwischen euch. Dein Mörder, der "Euthanasie'"-Artz Hortst Schumann, war ab 1942 als Lagerarzt in Auschwitz an medizinistischen Experimenten und an der Selektion von Häftlingen beteiligt. Er konnte dort auch Otto un Erich begegnet sein."


Volgens het Herinneringsboek Joods Zwolle 1940-1945 is Hedwig Rsenthal-Neustadter vermoord in Auschwitz op 5 november 1942. Erich en zijn zoon Karl Rosenthal zijn vermoord op 31 maart 1943. 

Overigens had Erich een zus Else Jahn-Rosenthal (Sterkrade, 1896) die getrouwd is geweest met Rudolf Jahn. Zij kreeg met hem twee kinderen Annemarie Jahn (geboren in 1920 in Berlijn) en Herbert Jahn (geboren in Berlijn, in 1924). Else heeft de oorlog zeker overleefd en verbleef tijdens de oorlog in Letland. Zij is in 1945 naar de USA geëmigreerd, naar Los Angeles, California. Waar haar vader Rudolf Jahn tezelfdertijd was, waarvan haar moeder was gescheiden, is onbekend.  

Annemarie Jahn heeft de Holocaust ook ontlopen. Van haar zijn twee Nederlandse adressen bekend: Westerhoutpark 14, Haarlem, het Instituut van het Duitse vluchtelingenechtpaar Pollatz, en Vondellaan 9 in Aerdenhout, hoofdbewoner Mooy. Als dienstmeisje van mevrouw Mooy heeft ook zij, officieel geregistreerd als half-jood, het einde van de oorlog gehaald.

Herbert (Albert) Jahn, neef van Erich Rosenthal
Over het Instituut Pollatz is wel het een en ander bekend. De niet-joodse heer en mevrouw Pollatz,  uit Duitsland, dreven aan het Westerhoutpark in de jaren '30 en '40 een kostschool voor kindervluchtelingen uit Nazi-Duitsland. Meer over deze Quakers-familie die zelf voor Hitler uit Dresden was gevlucht is te vinden op deze website  https://onh.nl/verhaal/instituut-pollatz-in-haarlem. Er is een boek verschenen over dit instituut en er is een monument onthuld.

de kostschool voor Joods-Duitse kinderen van vluchtelingen
Annemarie en haar broer Herbert zijn in oktober 1934 naar deze kostschool gekomen. Lang hebben zij daar gewoond en hebben daar rijkgeschakeerd onderwijs, een sterk humanistische opvoeding en een brede culturele vorming genoten. Zij behoorden tot de laatsten die na de winter van 1941-1942 nog bij de Pollax-familie verbleven. Herbert was toen 17 en ging bij een baas werken om het vak van  schrijfmachinereparateur te leren. Hij kreeg in 1942 een oproep als rekruut voor het Duitse leger maar werd afgekeurd omdat hij de Ariërverklaring niet had getekend. Aan de keuring hield hij een Wehrpass over waarmee hij bij een aanhouding als een gewone Duitser werd gezien. Aldus bovenstaand boek (pagina 77). In dat boek wordt met een passende bewondering verteld over de kalme onbevreesde daadkracht van het echtpaar om in 1942 en 1943 joodse baby's en peuters op te vangen en te verbergen, soms afkomstig uit de creche aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, soms 'aangeleverd' door het Amsterdamse of Utrechtse studentenverzet.

Je vraagt je af of Annemarie en Herbert niet ook op bezoek zijn geweest bij hun oom en tante Erich en Hedwig in de Begonistraat en hun oudoom en oudtante Adolf en Sophia in de Hortensiastraat. Wij zullen het nooit weten.

Annemarie is na de oorlog geëmigreerd naar de USA. Het hierboven aangehaalde boek vermeldt dat zij in 2007 is overleden in Los Angeles, California. Onbekend of zij getrouwd is en/of kinderen heeft gekregen.
Herbert is in elk geval naar Palestina geëmigreerd, althans aanvankelijk. Op het internet is daaromtrent een dossier te vinden. Daaruit blijkt dat hij op zijn vluchtroute door Frankrijk, Spanje en Portugal in Lissabon een Nederlands paspoort gekregen waarmee hij is doorgereisd. In Engeland heeft hij dienst genomen bij de Royal navy om bij te dragen aan de geallieerde overwinning. Sobere feiten voor een moedig verhaal. Wat jammer dat ik daaromtrent geen nadere details te weten kon komen.
Dan meldt hij zich bij de Palestijnse immigratiedienst in 1946. In Israel laat hij zich Albert noemen.
In zijn naturalisatiedossier staat dat Albert het Hebreeuws is voor Herbert.

In 1951 heeft hij Israel verlaten en is geëmigreerd naar de VS (met de KLM). In 1953 trouwt de Tsjechische Miriam Neuman met hem. Zij krijgen een dochter Elaine Fay in 1955. Herbert verdient de kost als boekhouder en werd dus geen schrijfmachinereparateur.

Op 30 april 2005 is Herbert/Albert overleden in Studio City, Los Angeles County, California.
De schrijvers van voornoemd boek hebben kennelijk geen contact kunnen krijgen met nazaten van de familie Jahn, want de memorabele vlucht naar Engeland, de Royal Navy en de immigratie in Palestina worden niet vermeld. Alleen zijn sterfdatum en zijn laatste woonplaats.

Nog enkele foto's uit dat boek waarop Annemarie en Herbert toch zouden moeten staan.


Anne Frohnhausen-Rosenthal, zus van Erich Rosenthal

Erich had nog meer broers en zusters. Kurt Rosenthal, geboren in 1902 is verder onvindbaar. 
Zus Anne Frohnhausen-Rosenthal (Sterkrade 1899) die met Frohnhausen trouwde had één kind Ruth Frohnhausen. Uit de naturalisatie-papieren begrijp ik dat zij haar naam veranderde in Rut en ook haar familienaam aanpaste? Anne, Hans en Ruth zijn in 1933 voor het eerst in Palestina. Of zij zich daar dan ook dadelijk metterwoon vestigen, weet ik niet. Als zij genaturaliseerd wordt in 1944, is net haar man Hans Frohnhausen uit Essen overleden, in Jeruzalem.

Of deze broers, zussen, nichten en neven ook in Zwolle op bezoek zijn geweest, is niet bekend. 

PS. 
Kurt Neustadter de naar de VS geëmigreerde zoon van Adolf en Sophie had twee zonen: Roger Nicholas Neustädter, geboren in 1943 en Gary Kurt die inmiddels jong is overleden (1948-1978).
Roger is in 1965 getrouwd met Patricia Ann Winokur (1945). Patricia stierf in 1971. Twee jaar later huwde Roger Susan Jenkins (1944). Susan overleed in 2009.
Roger heeft al weer een paar jaar geleden de zaak verkocht:

Nov. 17--Kaufman's, an institution in Eugene's retail clothing sector for 63 years, will have its last sale -- a going out of business sale -- before the end of the year. Owner Roger Neustadter said weak sales growth and rising expenses persuaded him to close the Kaufman's in Valley River Center, plus the Kaufman's in Corvallis, Albany and Bend. Kaufman's, founded in Eugene in 1937 by German immigrants Ludwig and Trude Kaufman, built a reputation for selling high-fashion women's clothing and providing customer service. "We just felt that the future did not bode well for this type of business," Neustader said Wednesday.
The closing will force 100 employees to look for new jobs, including 50 in Eugene.


Nog steeds probeer ik Roger Nicholas Neustädter op te sporen en contact met hem te krijgen. Mogelijk woont hij half om half in Italië en California

nieuwe brief verstuurd naar het aangegeven adres in California
Gelukkig heeft Roger Neustädter per e-mail nu gereageerd. Foto's kan hij nu niet tonen want liggen in zijn Amerikaanse huis terwijl hij nu in Italië is. Wat hem betreft hoeven we niet te zoeken naar onbekende familieleden, want die lijken er niet te zijn. Roger wil graag op de hoogte gehouden worden van de vorderingen van het Stolpersteine - project. Dat zou erop kunnen duiden dat hij overweegt de ceremonie voor zijn grootouders en achterneven en achternicht te komen bijwonen.  
Dat zou de Stichting Stolpersteine Zwolle zeer op prijs stellen en deswege is zij bereid rekening te houden met zijn reisschema. 
Zo gaat dat dus bij het proberen op te sporen van nabestaanden om hen uit te nodigen.
Overigens vermeldt Roger nog een nieuw feit aangaande zijn vader. Die zou voor zijn vertrek naar Amerika in Keulen een winkel in huishoudelijke artikelen en speelgoed hebben gehad. 


De vijfde Stolperstein in Zwolle voor deze familie. 

Otto Rosenthal, geboren in Sterkrade in 1895, was 39 toen hij stierf in Bobrek, het subkamp van Auschwitz waar Siemens Joodse dwangarbeiders inhuurde voor zijn aandeel in de Duitse oorlogsindustrie. 
Van Otto is geen foto overgeleverd. Hij was de broer van Erich Max Rosenthal en zal voor en met hem gewerkt hebben in de textiel fabriek die Erich hier in Zwolle was begonnen (zie hierboven). 
In oktober 1933 was hij naar Zwolle gekomen en hij woonde in wat toen wellicht ook al een bouwvallig huisje was aan de Van der Laenstraat 61a in Zwolle, in de jaren 70 afgebroken. 
Hij stond geregistreerd als employé en als handelsbediende.

jaren 70, vóór de afbraak
Brobek, van de dwangarbeiders die te werk gesteld waren door Siemens zijn enkele foto's op het internet bekend. We zullen nooit weten of Otto Rosenthal op één van deze toch al vage foto's staat. Des te onwaarschijnlijker is dat omdat in één van de op het internet gevonden tekst staat dat Siemens pas in de late herfst van 1943 naar hier kwam, na de bombardementen op de Berlijnse Siemens-Schukert Werke. (vgl. de officiële website  Memorial and Museum Auschwitz-Birkenau). Wat Otto Rosenthal cs daar dan deden is niet duidelijk. 
De Wikipedia tekst laat Siemens deze dependance in 1940 openen.

de nadering van de Russische troep heeft Otto Rosenthal niet meer beleefd; Bobrek staat ingetekend direct boven Auschwitz
'; 



fabriekshal Siemens in Bobrek

volgens het onderschrift bij deze foto is hier de originele hal te zien ?

Otto Rosenthal is begraven op de begraafplaats van Bytom (Polen), zo is meegedeeld in een brief van het Gezantschap van het Koninkrijk der Nederlanden in Polen (1947).

Joodse begraafplaats in Bytom monument voor slachtoffers kamp Bobrek

Otto genoemd op monument Joodse begraafplaats Bytom

Op de website JoodsMonument wordt verder een lijstje getoond van slachtoffers van Bobrek. Merkwaardigerwijs staat daarop een 7-jarige Rotterdamse jongen boven aan. Otto Rosenthal uit Sterkrade (Oberhausen) staat vermeld als Orri Rosenthal uit Kerkrade. De sterftedata zijn vrijwel alle uit maart - mei 1943.

Otto Rosenthal maakte deel uit van de zogenaamde Koselgroep. Ik haal de tekst dienaangaande aan uit de bron www.meertens.knaw.nl:
Men heeft namelijk in de periode van 28 augustus t.e.m. 8 december '42 18 van de 28 deportatietreinen uit Westerbork laten stoppen in Kosel, ca 80 km. voor Auschwitz transporten (hetzelfde is in die tijd met deportatietreinen uit Mechelen en Drancy geschied) en daar heeft men de jongens tussen ca. vijftien en ca. vijftig jaar gedwongen uit te stappen; zij zijn in eerste instantie in werkkampen in de buurt van Kosel terechtgekomen die pas anderhalf jaar later, op 1 april '44, Aussenkommandos werden van Auschwitz of van Gross-Rosen".  (Lou de Jong)
Honderdeenentachtig leden van deze groep hebben het overleefd. Daar hoorde Otto Rosenthal niet bij. Ook Joseph de Leeuwe uit Zwolle en Herman Goudsmid uit Kampen niet. In een publicatie van de IJsselacademie besteedt J. van Gelderen aandacht aan hun lot. Hij maakt in 1984 een herdenkingsreis mee naar onder andere Bytom waar het graf van Otto Rosenthal is.

Op de website Traces of War staat de afbeelding van een enkele jaren geleden onthuld moment op het station van Kosel (Kedzierzyn-Kozle)



Van der Laenstraat met nieuwbouw ongeveer ter hoogte van oud adres 61a

De Stolperstein voor Otto Rosenthal zal gelegd worden in de Van der Laenstraat op deze plek waar in zijn tijd een ander, Assendorpshuisje heeft gestaan.