vrijdag 21 maart 2014

HEIN en NINI LANGEMEIJER van nummer 21

De heer ir. H.G.C. Langemeijer woont tegenwoordig in het St. Elisabeth, een modern vormgegeven woonzorgcomplex, prachtig gelegen tegen de oude stadsmuur van het centrum van Zutphen, Geweldigershoek heet het daar en de heer Langemeijer woont op nummer 5. Ik had hem opgebeld met de vraag of hij mij zou willen ontvangen. Toen ik op de afgesproken tijd aanbelde bij het prachtige huis aan de Berkelkade vertelde zijn buren dat hij anderhalf jaar geleden verhuisd was naar het St. Elisabeth. Voor het doel van dit relaas noem ik de heer Langemeijer bij zijn voornaam, Hein.
Hij loopt voorzichtig en wankel met een stok en spreekt moeilijk ten gevolge van een attaque, nu alweer een jaar of zeven geleden. Kerngezond, omschrijft hij zijn conditie. Iedere dag wandelt hij met zijn rollator om in beweging te blijven. Toen het duidelijk werd dat hij om wat verder te kunnen lopen dan van de stoel naar de tafel een hulpmiddel nodig had, heeft Hein welbewust afgezien van een rolstoel of iets elektrisch en gekozen voor de rollator. Hein houdt zijn magere naamgenoot voorlopig nog buiten de deur.

Zijn motoriek en zijn spraak ontnemen niet het zicht op een aangeboren distinctie.  Zoals hij gekleed gaat, zoals hij graaft in z’n geheugen en formuleert en zoals hij lacht en kijkt. Hij doet z’n uiterste best om mij ter wille te zijn en excuseert zich een paar maal voor wat hem in de loop der jaren is ontglipt. Ik kan me voorstellen dat Hilly Bodewes ooit een beetje verliefd was op deze man in zijn jongelingsjaren.


"Toen we op de hoek woonden van de Veerallee/Wilhelminastraat was het wel fijn dat het Gymnasium Celeanum slechts vijf huizen verder was." Moeiteloos geeft Hein een lijstje namen van leraren van wie hij les gehad heeft. Die hebben hoe dan ook meer indruk gemaakt dan de heer en mevrouw Schaad, Dijkstra, Stas, Klinkert en Bodewes, aan wie hij een veel vagere herinnering bewaart: Jansen, Tolma, Teunis, van der Laan, Van Noppen (kastie op een weiland achter de school!). De oorlog barstte los toen Hein nog op school zat. In 1941 slaagde hij voor zijn eindexamen. Hij is Delft gaan studeren, aanvankelijk voor natuurkundig ingenieur, maar hij studeerde in 1951 af als mijningenieur. Deed hij tien jaar over zijn studie? Hij heeft enkele jaren ondergedoken gezeten in het doodstille, uitgestorven Hardenberg waar werkelijk niks gebeurde, om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Hij kwam met een zekere regelmaat naar huis, naar Zwolle en trof daar eens -in de laatste oorlogsdagen-  zijn ouders in de kelder omdat de wegtrekkende Duitsers de binnentrekkende Canadezen bombardeerden  en daarbij hun mortieren op het station richtten.

Na zijn studie is hij in dienst getreden van een mijnbouwmaatschappij en in Bolivia aan het werk gezet. Ongetrouwd. Maar de omstandigheden maakten hem ziek: het werk op grote hoogte zonder dat hem de tijd was vergund dat zijn lichaam zich daaraan had kunnen aanpassen. Na een half jaar is hij teruggekomen naar Nederland. Jammer dat hij daar toen zo ziek is geworden, want het werk was fascinerend. Terug in Nederland is hij gaan weken bij de B.P.M, de Bataafse Petroleum Maatschappij, in Den Haag, maar zijn ogen gaan glanzen bij de ja-knikkers in Schoonebeek in Zuidoost Drenthe, bij Coevorden, waar hij ook is gaan wonen. De B.P.M. werd later Shell. Vervolgens heeft hij zijn loopbaan voortgezet bij de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie, één van de bedrijven waaruit Akzo ontstond. Hij werkte toen in Hengelo en woonde schitterend buitenaf nabij Losser. Ik vraag naar ‘Boekelo’ en ik krijg een exposé hoe enthousiasme en ondernemingslust in die oude tijden ook wel tot veel fouten en ongelukken had geleid. Boekelo was ook in zijn tijd al geschiedenis. Hij was indertijd min of meer bevriend met de eveneens in Losser woonachtige zeer actieve, scherpzinnige amateur-geoloog W.F. Anderson.
Dan is Hein al getrouwd met mejuffrouw B.M. de Jong en heeft hij twee zoons en een dochter.

Wat deed Hein als jochie en nu als grijsaard het liefst? Hij heeft heel veel gereisd. De bergen hebben hem altijd geboeid. De vele fotoboeken getuigen daarvan. Daarbij onderhield Hein een groot netwerk van vrinden. Hij vervulde van jongs af aan bestuursfuncties: zie de foto's van hem en trouwens ook zijn zusje in het bestuur van de Z.G.B., de Zwolse Gymnasiasten Bond. In zijn eerste functie was hij nuntius. Klinkt nogal rooms maar is het Latijnse woord voor bode, boodschapper. In zijn studententijd is hij in Delft ook weer bestuurslid van zoiets en dan heeft hij zitting in de senaat, het bestuur van het studentencorps.
Nu de wereld kleiner is geworden, leest hij nog steeds graag, geen romans, geen dikke boeken maar bij voorkeur beschouwingen, essays. Nee, sport was niks voor hem, al heeft hij wel geroken aan de bergsport.

Hier met zijn vader, het tweede stel van links:



Vader ir. F.S. Langemeijer, Frans voor intimi, was een aardige man, ruimdenkend en goedhartig. Hij is allang dood. Hein was zeer op hem gesteld. Met pretoogjes vertelt Hein hoe zijn lange vader in hun klein bemeten Fiatje stapte. Hein trekt wanhopig met zijn schouders en zou het raadsel liefst vandaag nog opgelost zien als ik vraag waarom zo’n vooraanstaande man die qua salaris ongetwijfeld bij de upper ten behoorde, zo’n klein autootje had aangeschaft. Waarom niet eerst een proefritje, bijvoorbeeld.


Met sprekende gebaren geeft Hein aan welke aanzienlijk lengteverschil er tussen zijn vader en zijn moeder bestond. Wie weet was zijn moeder verantwoordelijk voor deze aankoop, mogelijk in de gedachte dat de ruime auto met chauffeur (Zieleman) die haar man qualitate qua tot beschikking stond, hem naar het hoofd gestegen was zodanig dat daarop een correctie was gewenst. Het was een Fiat Topolino.
De buren stonden achter de gordijnen te lachen als de heer Langemeijer zich in het autootje plooide. Maar die Jacques Piquet was zelf nog veel langer en zijn verloofde was een uitgesproken kleintje.  Helemaal geen gezicht, volgens Hein.

Even een intermezzo over die familie Piquet. Hein haalt de familie een paar maal aan en noemt daarbij ook Ten Doesschate. Maar die woonde er niet, dacht ik. Maar ik ben er uit. De weduwe Piquet is mevrouw W.J. Piquet-ten Doesschate. En haar man J.S. Piquet jr., zoon van J.S. Piquet sr die een bekende leraar aan de Rijks HBS was, was de enige firmant van de firma Ten Doesschate, zijn schoonvader dus. Deze Jacques Sully Piquet is één der oprichters van de Burgerwacht in 1914, de commandant van deze waakzame mannenclub, voorzitter van de Doopsgezinde Gemeente én hij is consulair agent van Frankrijk voor de provincie Overijssel. Een zeer actieve man dus en zijn overlijden op 21 september 1927 zal een groot verlies zijn, voor zijn gezin en de Zwolse samenleving. Hij werd slechts 48 jaar. De weduwe Piquet woonde van 1930 - 1935 op nr. 19a, met haar zoons Jacques, Jurrie en een dochter Desirée. Zij verleed in 1959. Die firma ten Doesschate was ontstaan in rond 1910 en hield zich in de Bitterstraat bezig met de in- en export van levertraan, de handel in specerijen en de fabricage van verf. Het bedrijf werd later uitgebreid in de binnenstad, maar nam uiteindelijk de wijk naar Wapenveld. 
Hein spreekt ook met bewondering voor een bevriende relatie van zijn ouders, die voedselcommissaris was, een zekere Warner? Jasper Warner was een bekende Zwollenaar, voorzitter van de Kamer van Koophandel, sportheld, maar stierf in 1942. Had zich in de Eerste Wereldoorlog ook al bezig gehouden met de distributie vanwege de schaarste en de onrust daaromtrent. Was zijn ook succesvolle zoon Jan Warner degene die Hein bedoelt?  De nadruk die Hein legt op het goede vaderlanderschap doet denken alsof er later aan zijn integriteit getwijfeld werd. Dat zijn van die typische problematieken van de jaren na de oorlog waarbij ook vader Langemeijer betrokken zal zijn geweest. 

Hier in de portiek van Venestraat 21 speelt Hein met de hond terwijl Nini toekijkt.
Hein en Nini speelden eigenlijk niet op straat. Maar hij weet nog dat het dienstmeisje zijn fiets die kennelijk in de portiek geparkeerd stond, voor hem op straat zette zodat hij door de buurt fietste, recreatief. Hij zat op de Nutsschool en fietste ook wel naar een een vriendje van school. Hij had geen vriendjes in de straat en zomaar meespelen was er voor de erg verlegen Hein niet bij. Het dichtstbijzijnde vriendje was Hans Burbach in de Van Nagellstraat. Bert Stas, buurjongen was niet zozeer een vriend. Hein doet een achterbuurjongen na uit de Terborchstraat, een jongen Sollewijn Gelpke, die regelmatig de aandacht trok van Bert Stas door uit zijn raam over de binnentuinen te roepen: "Bèrtjú!! Bèrtjú!! Kom je spelen!" Ja, waarom zou een geheugen deze roep maar liefst tachtig jaar hebben vastgehouden?
Nini oftewel Eugenie (1919), was twee-en-een half jaar ouder. Nini heeft ook gymnasium gedaan, maar is in het zicht van de haven gestrand. Zij zakte voor haar herexamen in 1940, en heeft het niet meer overgedaan. Wat zij precies voor de kost heeft gedaan tót haar huwelijk met de Rotterdamse chirurg Vervat, weet Hein niet meer. We kunnen het ook niet meer vragen, nu zij enkele maanden geleden een beroerte heeft
gehad en volgens Hein erg in de war is. Zij woonde in Apeldoorn en wordt nu verpleegd in Driebergen.

Nini en Vervat hebben één dochter gekregen, Henrike Jacomine (1944). Tragisch genoeg is zij op jonge leeftijd bij een auto-ongeluk waarbij zij tegen een boom reed, om het leven gekomen.
Dit is Nini. 
Na de pensionering van haar echtgenoot is Nini met hem in hun zomerhuis in Vierhouten gaan wonen. Hein heeft daar met zijn gezin regelmatig gelogeerd.
Vader Langemeijer was 67 toen hij stierf, in 1953. Hij leed aan angina pectoris en is achter het stuur van de Topolino onwel geworden en ter plekke gestorven, op de schouder van de jonge vrouw van Hein die naast hem zat.
Hein herinnert zich dat zijn vader heel langzaam liep. Vanuit de Wilhelminastraat waarheen de familie verhuisd was vanuit de Venestraat, liepen de heer en mevrouw Langemeijer naar de bioscoop in de Buitensociëteit. Maar Heins moeder gaf zijn vader óf een voorsprong en haalde hem dan in óf ging vast vooruit. Zij liepen nooit samen. Heins moeder heeft haar man maar liefst 31 jaar overleefd en stierf in 1984.
Waar was het kantoor van zijn vader? Volgens Hein aan de overkant van de Willemsvaart, aan de Willemskade en kennelijk verhuisde dat kantoor ook regelmatig want aan het Van Nahuysplein (14) en de Stationsweg (9) zat de H.I.D. van de Rijkswaterstaat Langemeijer ook.


Vader en moeder Langemeijer met de hond, de dochter van Nini, grootmoeder, Nini en daarachter links Hein en naast hem zijn zwager Vervat. 

Toen Hein twee jaar was is de familie vanuit Terneuzen naar Indië gegaan om daar tot 1929 te blijven. Langemeijer deed eerst dienst in Semarang, Java, en later in Balikpapan, Borneo. Tijdens een voor Indië-gangers normaal maandenlang groot verlof brak de crisis uit. Althans dat maak ik ervan. Hein vertelde: "Brak de oorlog uit", maar ik zou niet weten welke oorlog in 1929/1930 verhinderde dat de familie terug naar Indië ging. Feit is dát zij niet zijn teruggegaan. Heins vader kreeg toen de keus tussen een overplaatsing naar Arnhem en Zwolle. Hij schatte zijn kansen op promotie het grootst in bij een keus voor Zwolle, waar hij eind 1930 het huis kocht van collega ir. J.P. Walland die waarschijnlijk in 1918 de eerste bewoner was van Venestraat 21. Walland werd H.I.D. in Zeeland.

In dit blog heb ik al  eerder over Langemeijer geschreven: Zijn verblijf in West-Indië en op Sint Maarten, waar Nini is geboren, heb ik daar beschreven. Ook zijn belangrijke rol bij de vestiging van een H.T.S. in Zwolle: 30-11-2012


Heins inwonende grootmoeder, in slaap gesukkeld in de tuin van Venestraat 21.

  





De tien-jarige Nini tenslotte, verzorgt hier de puzzle-rubriek, Soerabaijasch Handelsblad, 1929